Skip to main content

Full text of "Leuvensche bijdragen op het gebied van de Germaansche philologie en in 't bijzonder van de Nederlandsche dialectkunde"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 






•FROMTHE-LIBRARYOF- 
-OTTO-BREMER- 





Google 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



Leuvensche Bij 



EUVENSCHE t)lJDRAGEN 



Digitized by VjOOQIC __ 



Digitized by VjOOQIC 



LetiYei)scbe 



OP HET GEBIED VAN DE 

GERMAANSCHE PHILOLOGIE 

EN IN 't bijzonder VAN DE 

NEDERLANDSCHE DIALECTKUNDE 

ONDER HET BESTUUR VAN Ph. CO LI NET, EN MET DE MEDEWERKING VAN 

W. BANG, L. GOEMANS, C. LECOUTERE, L. SCHARPÉ, 



Ille JAARGANG. — ie AFLEVERING. 

INHOUD. 

L. ScHARPÉ. De Hss. van Veldeke's Servatius. BI. 5. 

C. Lecoutere. Middelnederlandsche geestelijke liede- 
ren. BI. 23. 

W. Bang. Gudrun. Bi. i3i. 

C. Lecoutere. Inhoud van tijdschriften. Bi i35. 

Boekaankondiging : C. L. Vogel's Leemen Wagentje. — 
L. S. : Heinsius. Taal van den Statenbijbel. BI. i63. 

Bericht. BI. i66. 



1899. 

ANTWERPEN, DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL. 
LEIPZIG, Otto harrassowitz. 

Gedrukt bij Joseph VAN IN & Ci*. te Lier. 

Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



^3 



De Hss. vao ïeIËe's Semtius. 



Zoo wij geloof mogen slaan aan hetgene ons de heer 
Cam. Huysmans vertelt, in 't Limburgsch Jaarboek voor 
1895-96, dan hebben wij het behoud van *t volledige 
jonge handschrift van Veldeke's Servatius aan een toe- 
val te danken even zeldzaam als dat, wat Prof. Bormans 
vroeger het Hs. van St« Christina in handen had ge- 
speeld. Nadat vrome zusterkens reeds een deel van S^ Chris- 
tina's leven tot beeldekens hadden versnipperd, was het 
overige behouden gebleven omdat een schilder het niet over 
zijn hart had kunnen krijgen er lijm van te koken, In zijn 
mededeeling tot de Koninklijke Academie, in de zitting 
van 6^ April i857, had Bormans enkel gezegd dat het 
Servatius-Hs. afkomstig was uit de bibliotheek van den 
heer Aüssems, - notaris te Aubel, zijn vroegeren studie- 
makker op de Hoogeschool, en dat deze het hem door 
den heer Gillet, aggregaat-professor der École Normale 
des Humanités, had laten aanbieden Huysmans nu treedt 
in meer bijzonderheden. « Wie de plaats w^l weten waar 
Veldeke's Servatius gevonden werd, werpe een oogslag op 
het getalnummer dezer bladzijde », vertelt hij op blz. 100 
van 't Jaarboek, Daér, op die plaats, en met wxlke be- 
stemming, lieve hemel! zou de heer Gillet het aange- 
troffen hebben, toen hij « in de jaren 60 » (lees 50) zijn 
vriend den notaris, te Aubel een bezoek bracht. Hij had 
het mogen meenemen, en te Luik had hij 't aan vader 
Bormans toevertrouwd, die 't uitgaf (meent Huysmans) zon- 
der verlof daartoe te vragen.... en zonder 't weer te geven. 

Dialect. 1 

Dig+tized by VjOOQIC 



Thans behoort het handschrift toe aan de Universi- 
teitsbibliotheek te Leiden (i). 

Wat nu de uitgave betreft, welke al spoedig ver- 
scheen in de Annales de la Société Historique & Archéo- 
logique d Maestrickt (2) (T. II, i856-i857-i858, bl. 177-460), 
en als overdruk daaruit, afzonderlijk, met geen andere 
wijziging dan een nieuwen titel (3), Bormans heeft er veel 
minder zorg aan besteed dan hij ons zoekt diets te maken (4). 
In zijn Inleiding, op bl. 3o, gaf hij de verzekering « que 
cette première édition sera diplómatique et reproduira Ie texte 



(1) Het Hs. werd bij brief van den heer Stan. Bormans aan 
den Min. van Binn. Zaken dd. 12 Febr. 1880 aan dezen aangeboden 
ter plaatsing in de Bibliotheek der Hoogeschool van Leiden. — Afschrift 
van den brief ligt bij 't Hs. (Mededeeling van Dr J. W. Muller). — 
In 1889 voegde hij u aan die kostbare gave den brief toe, dien Jakob 
Grimm indertijd, kort na de ontdekking van dat handschrift, aan Prof. 
Bormans schreef, in antwoord blijkbaar op dezes mededeeling over 
dien vondst n {Een brief van Jacob Grimm aan J, H. Bormans, van 
7» Febr. iSSy, door Dr A. Beets medegedeeld in het Tijdschr. van Ned. 
Taal- en Letterkunde, XI (1892), bl. 78-81). — De ontdekking van 't Hs 
werd voor het eerst openlijk door B. bekend gemaakt in het nummer van 
Januari- Februari der Dietsche Warande van 1857 (dl. III, bl. 39-42, noot). 

(2) De titel luidde : Heynrijck van Veldeken. Sint Servatius le- 
gende. Uitgegeven naar een handschrift uit het midden der XVde 
eeuw, door J. H. Bormans. — NuUius et omnium. 

(3) Sint Servatius legende van Heynrijck van Veldeken; naar een 
handschrift uit het midden der XV<lc eeuw, voor de eerste maal 
uitgegeven door J. H. Bormans. — Nullius et omnium. — Maes- 
tricht, drukkerij van Leiter-Nypels, Groote-staet (sic). i858. 285 blz. 

(4) Bormans onderhield ccne nogal drukke briefwisseling met 
David; deze brieven worden bewaard op de Bibliotheek der Hoo- 
geschool te Leuven. Slechts éénmaal wordt daar, in een brief van 
14 jan. 1857, van den Servatius gewag gemaakt. « Il m'est tombe 
dans les mains un Ms. renfermant un poème inédit de Heinrich 
VAN Veldeken 3), vertelt Bormans, vol blijdschap over de vondst, 
en richt daarop tot zijn vriend een aantal vragen om inlichtingen. — 
De uitgave zelve geschiedde blijkbaar overhaast ; en men bedenke dat 
juist te dien tijde B. tevens de handen vol had met zijne uitgave van 
Maerlant's Naturen Bloeme, op last der Kon. Belgische Academie. 



Digitized by VjOOQIC 



- 7 — * 

du manuscrit sans y changer une lettre, sinon de temps en 
temps une majuscule », en een bl. verder deelt hij mede dat 
hij tot zelfs de blijkbare fouten van *t Hs. behouden heeft : 
« j'ai respecté jusqu'aux fautes les plus palpables ». Eene 
reeks « verbeteringen en bijvoegsels » (bl. 278-285) besluit hij 
met de woorden : « Om den le^er te overtuigen dat hij \ich 
thans volkomen op de nauwkeurigheid van den tekst kan be- 
trouwen, heb ik ^elfs de geringste misstellingen aangewezen; 
men :;al het mij, denk ik, ten beste duiden. » Jammer maar 
dat men zich door die stellige verzekering heeft laten verschal- 
ken. Zelfs de heer F. Leviticus nam de voorzorg niet eerst 
de uitgave met het Hs. te vergelijken, bij het bewerken van 
zijn Klank- en Vormleer der S^ Servatius-legende, door de 
Kon. Vlaamsche Academie bekroond en in 1892 uitgegeven (i). 
In de volgende opsomming van onnauwkeurige lezin- 
gen uit BoRMANS* uitgave hebben wij alle afwijkingen tus- 
schen Bormans' tekst en dien van het Hs. opgenomen, 
zonder een uitzondering te maken voor die afwijkingen 
welke hier en daar reeds in de nota's of in de Verbete- 
ringen van de uitgave terechtgewezen werden. Enkele van 
BoRMANs' terechtwijzingen toch zouden op hun beurt wel 
dienen terechtgewezen te worden. Met betrekking tot het 
gebruik der hoofdletters, elders dan aan 't begin der verzen, 
valt in het algemeen op te merken dat sinte bijna nergens 
met een hoofdletter voorkomt, doch Servatius daarentegen 
doorgaans. Waar andere woorden met een hoofdletter ge- 
drukt werden is dit schier overal een stilzwijgende afwijking 



(i) Ook door P. Piper werd. niet zoo lang geleden, in Kürschner's 
Deutsche National- Li tteratur (Höfische Epik, I, bl. 79-241), Veldekk's 
Servatius opnieuw uitgegeven; doch op zulk eene wijze, namelijk door 
Piper gansch herschreven, « mit Berücksichtigung der neueren For- 
schungen », dat het er waarlijk niet op aankomt zoo de uitgever op 
BoRMANs' niet altijd stipt nauwkeurigen tekst « opereerde « en zoo hij 
daarenboven geen rekening hield met de oude fragmenten, te München 
en te Léipzig gevonden, en die hij aanhaalt in zijne Bibliographie. 



Digitized by VjOOQIC 



- 8 - 

van *t Hs. Zonder dat er een reden voor bestaat, werden 
nu eens door Bormans de verkortingen van 't Hs. opge- 
lost, dan weder op andere plaatsen, gansch willekeurig, 
behouden. Eenmaal in *t eerste boek van den Serv., zag B. 
een groote roode kapitaal voorbij, 't begin van een nieuw 
hoofdstuk aanduidend (de aanvangs-D van r. igSj). Ook in 
het tweede boek is eenmaal een dergelijke gropte kapitaal niet 
gedrukt, namelijk bij r. 2777, doch 't geschieddp met opzet 
en werd aangestipt in de nota. Gansch regelmatig, eindelijk, 
vervangt B. de consonantische i/'s van 't Hs. door v's (i). 

Het Hs. van den Serv. heeft doorgaans ghe, alhoewel 
ge, de oudere spelling, lang niet zeldzaam is. Bormans ver- 
andert stelselmatig — zonder te verwittigen I — ge tot ghe (2). 



(i) Vooral had mij tot het ondernemen dier collatie de omstandig- 
heid bewogen, dat de afbeelding van fol. 106, in Prof. Tbn Brinck's 
Gesch. der Ned. Lett. aantoont hoe de tekst dier bladzijde bij Bormans 
verscheidene malen van 't Hs. afwijkt, zonder dat de « Verbeteringen 
en Bijvoegsels » de ware lezing herstellen. Bij Ten Brinck staat 
hulpe [t. 29^S), ghedynge (r. 2960), decke... mesdaen (r. 2964), vry (r. 
2973), waar B. liet drukken : helpe, ghedynghe, dicke... misdaen, vrij. 

(2) Hs. I. 27, 174, 438. 879, 1173, i5oi. 2406. 29x3, 3027 genade. 
37 volgen. 79 wegen. 85 gestaet. 97 plegen. 141 geboet. 160, 420, 
2537 gebodt. i63 hoge. 210 getogê. 2x1 getughen. 2i3gelesen. 225 ge- 
schreuen. 23i, 265, x5o5, x6oo, 2276, 2281, 2369, 2883, 32o6 heiligen. 
252 gesUechtë. 276, 404, xxx3, ix36, X417, X647, 2129, 2685, 2877, 3x3x 
heilige. 277, 452 gewan. 304,685,1846, X879 geboren. 328 kerckgange. 
33x gestadich. 386, i535, x825, i859, 2258 gebede. 527 gebode. 542. 
1099, II 36 getrouwe. 56o, 2486 gesant. 609,1x93, 1716, 2122, 27x1 ge- 
nesen. 698 gemartilijt. 721 gcbrack. 722, xi74. 2265, 2400 gemeyne. 
8x7, i879maget. 838, i359, 1417, 225i gcsellen. 842 gcloeuen. 889 on- 
gehoersam. 898 gebot. 1 187, 1947 gerne. 1 191 gesproken. 12 18 lange. 
1254 langer. x3o7, 2276 somige. i339, 2o58 heiliger. i36i genoten. 
i367 gehoert. 1469, 1640. X708 gedaen. 1477. i554 genaden. 1485 ge- 
spalden. 1487, 2670 gebet. X497 geschiet. i5oi gesciet. i5i8 gheberge. 
i564'gespaert. 1687 gesant. 1695 geschoten. 171X gestaden. 1748 ge- 
walt. 1775 ongemack. i823 gespannen. 1878 gewerden. X917 gebon- 
den. .1934, 2074 genoech. 1967 geschien. X980, 3073 gedoen. 1986 ge- 
nadich. 2048 nyrgen. 2o6oewigen. 2ixoongesont. 2121 mogen. 2145 ge- 



Digitized by VjOOQIC 



— 9 — 

Slechts zeer weinige ge's ontsnapten aan zijn waakzaam- 
heid; daaronder komt dan nog van tijd tot tijd eene ge 
olgi voor in de plaats der lezing ghe oïgki van het Hs. (i). 
Niet zeldzaam zijn eveneens in Bormans* uitgave de 
ifs, in de plaats eener y van het Hs. (2). — Omgekeerd 



sanck. 2275, 2425 geuaren. 2296 genome. 2327 geeert. 2376 ömoge- 
like... seggen. 2404 ionge... gereyt. 2428 getruwelijck. 233o ye 
gelijck. 2522 geleyde. 2554 Jongere. 2555 somigen. 2564 geloefde. 
2584 Tegen... ghingen. 2644 ellendige. 2729 gewalt. 2774 ghegeuê. 
2795 ougen... gewaet. 2819 gestillet. 2871 gehoersam. 2951 clagê. 
2971 gewarighe. 3i32 gesegghen. 3i6o gescheiden. 

II. 3, 920, i8i5, 2528 heilige. 4, 1684, i885, 2590, 2773 gedaen. 
168 ongebrant. 248, 2835 gebenedijt. 3o5 gesterken, 355, 441, 8i5, 
2768 heiligen. 362 gestaden. 416 gebot. 440 gemeyne. 454 gebeynte. 
471 heiliger. 5oo legenden. 5oi gheseggen. 5o8, 659 gemaect, 53x ge- 
heylicht. 555 lange. 794 gebet. 832 gebenediede. 863 vragen. 868 ge- 
sien. 881 geboet. 886 gewalden. 907 geschreuen. 920, 2600 gebeyne. 
925 ghehoget. 1040 gebaren, iioo gehoersam. ii35, 233o gewan. 
ii8x gerichte. i35o, 1708, 2025, 23o3, 2465, 2623, 2921 geboren. 1379 ge- 
waer. i535 geloeft. 1644 gesont. 1659 gebueren. 1868, 2735 genomen. 
1736, 2375, 2594, 2867, 2925 genade. 1814 gebenedyet. 1824, 2028, 2307, 
2355 genoech. i85o, 2535 genoet. 1890 gesliep. 1963 geselle. 1983 her- 
toge. 2014, 2020 gewalt. 2045 genesen. 2086 genadighe. 2275 geloe- 
uen. 2326, 2665, 2810 menger. 2365 erslagen. 2370, 2757 sondige. 
2395 ghetogen. 2451, 2519, 2725 seggen. 2458 geschien. 2495 gequelt. 
2523 geweldich. 2537 geloeft. 2539 getroeste. 26o5 salige. 2647 ersla- 
gen. 2663 gedachte. 2664 gebede. 2785 gestaen. 2837 getroest. 2879 ge- 
troost. 2905 gebeteren. 2906 gegeuen. 2960 ghedynge. 

(i) Hs. I. i29moghen. 593gheschien. 632gheleerde. 649ghinck. 
i562 beghinck. 2442 gheschie. 2584 ghingen. 

II. 1293 ghetrouwe. 1592 ongheluck. 1706 yeghelijck. 1716 ongheluck. 

(2) Hs. I. 5o syne. 214, 2442, 2856 Ijrue. 223, 555, 731, 1175, 
1395 sy. 5 18 vryen. 524 maryen. 668 synnen. 680 bysonder. 828 by. 
925 bedryuen. 1149 vermyden. X23i, 1938, 2764, 2928blyuen. 1271 my. 
1418, 2823 synen. i937dryuen. 2223 yeghelyken. 27i9suldy. 2855blyue. 
2889 heylichdome. 3067 vry. 

II. i38, 1207, 1241, 1267, 1279, ï355, i363, 1378, 1421, i633, 1669, 
1669, 1692, 1730, 2190, 2683 sy. 524, 12 14 vryen. 683 dy. 1142, ii54ab- 
dye. ii53 vrye. n54 heerlyke. 1216 ghebenedyen. i320 costeryen. 



Digitized by VjOOQIC 



— lO — 



heeft het Hs. soms j^ waar men bij Bormans i leest (i); — 
of /, waar Bormans j^ (2) ofwel (; (3) heeft; —- een paar 
malen, eindelijk, ij waar in Bormans' tekst jr staat (4). 

Voorts beantwoordt een enkele maal aan k van *t Hs. 
c{5) of ck (6) bij Bormans; aan c van *t Hs., k (7) of 
ck (8); aan ck van 't Hs. soms k (9); aan ch soms ck (10) 
of g{ii); eindelijk aan sch van 't Hs. tweemaal 5C (12). 

Wat nu de klinkers betreft komen er eenige weinige 
gevallen voor waar 't Hs. a heeft, Bormans integendeel a^ 
(H 222, 956 na. 1122 Ghehoersam. 1709 hare), o (H i252 
brachten. 1661 stalen), of u (I 2997 raste); — waar 't Hs. ae 
heeft, Bormans a (H 768 waele), e (II 1784 Maer), of oe 
(I 1889 haer. 1959 waert. II 2084 ghestaen); — 't Hs. ai, 
Bormans a (II 592 daichs); — 't Hs. e, Bormans a (II 52 
nyement), ae (II 25i3 wert), ee (I 161 here. II 1905 heren. 
i5o4 wech), i (II 3964 decke ... mesdaen), of o (II 1187 



i594, 1763, 1957, 2045, 2170, 291 1 lyue. 1682 waerdy. 1764, 1958 wyue. 
1780 stejme. 1810, 2912 blyue. 1950 ontstryden. 2023 stryde. 2143 vly- 
tich. 2254 wydinghe. 2317 blyuen. 2398, 2715 my. 25i2 Eyns. 2598 ge- 
uryet. 2937 ontwyuelick. 2973 vry. 

(i) Hs. I. 2196 gheheylicht. 2288 gheystelic. — II. 487 Quyril- 
lus. 958 gheysteliken. i5o8 mysden. 1689 vynden. 2236 Conyncks. 
2933 myraculen. 

(2) Hs. I. 2369 gheist. — II. 472arbeit. 26i6gheist. 

(3) Hs. I. 2249 seiden. — II. i339 si. 

(4) Hs. I. 1237. — II. 2853 sij. 

(5) Hs. II. i832 orkonden. 

(6) ld. : I. 726 werentliken. 

(7) ld. : I. i85i cont. 3o85 corten. — II. 2269 clejrn. 

(8) ld. : I. 2o53 sprac. — II. 562 Ghemaect. 

I9) ld. : I. 34duncke. 35i sprack. — II. 1781 wercken. 2471011- 
uerganckelike. 

(10) ld. ; I. 2425 hicmelrijch. — II. 860 ghelijch. 861 wonder- 
lijch. io53, 1106 Lodewijch. 1173 Gheweldichlijch. i3i2 heymelijch. 

• i3i3 eerlijch. 2757 sprach. 

(11) ld. : I. 2029 volchde. 

(12) ld. : II. 2227 schone. 2475 schulde. 



Digitized by VjOOQIC 



— II — 

werfiF); — *t Hs ee, Bormans daarentegen e (I 1902 weeghe. 
2325 mertijn. II 596 Keerstenen), of eee (II 974 tween); 

— 't Hs. ey, Bormans ee (I 825 Eyn); — 't Hs. i, 
Bormans e (I 2696 noch in kan), of ie (II 1257 hiemel- 
rike); — *t Hs. ie, Bormans ae (II wies), of e (I 8o3 dien. 
II 1897 die); — 't Hs. o, Bormans a (II 1590 droncken); 
oe (I 258 wonachtig. 2814 grotelijck), of 00 (II ii5i 
Schone); — *t Hs. oe^ Bormans o (I i883 ongheloeuighe. 
II 80 versloeghent), of 00 (I 1348 voert. II 1756 ghetroeste. 
2684 ghewoen); — 't Hs. o/, Bormans o (I 171, II 1444 
goids); — 't Hs. 00, Bormans oe (I 3i53 troost. 3 154 ver- 
loest of verloost, 't Hs. onduidelijk. II 2641 verloost); — 
't Hs. o«, Bormans oe (II i573 berouft. 2278 houfde); — 
eindelijk, 't Hs. t/, doch Bormans e (II 2948 hulpe). 

Nog dienen ten slotte de volgende drukfouten en af- 
wijkingen van den tekst van 't Hs. aangestipt te worden; 

— Bormans' lezing staat tusschen haakjes : — 

I 3i en (en). 208 waren (waren). 208 voren (voren). 
25o gesllechte (gheslechte). 291 omere(onmere). 393 En (En). 
472 busscopdoms (busscopsdoms). 475 omechtig (onmechtig). 
499 keerstenheit (Keerstenheid). 647 godheit (Godheid). 
772 mynnentlike (mynentlike). 11 35 stark (strack). 1175 Sy 
(Zij). 1246 valscheit (valschheit). 1660 goet (groet). 1822 inden 
(inder). 1886 Seruase (Seruaes). 191 9 voer in ^t Hs verbeterd 
tot daer (voer). 2062 gesprack (sprack). 21 63 omoede (om- 
moede). 2261 op richden (oprichden). 2329 Seder (Sedert). 
2352 metse (Metze). 2376 omogelike (onmoghelike). 2396 
waerheit (waerheid). 2430 yegelijck (eyghelijck). 25 1 3 leide 
(leiden). 2538 godt (God). 2559 Offt (Oft). 2604 groter (groten). 
2634 sijnen (sijne). 2690 stadt (stat). 2754 woert is in 't 
Hs, onderstipt. 283o urs (uws). 2886 florence (Florente). 
3043 sonder (zonder). 3 134 derthiensten (dertiensten). 
3x66 Seuen (Zeven). 3222 vroude (vrouwe). 

II i38 voeren (voern). 149 stadt (stat). i63 omeere 
(onmeere). 184, 426, 731, 812,819,896 Sij (En). 23i ghe- 



Digitized by VjOOQIC 



— 12 — 

leerde (gheleerden). 274, 294 Seruacium (Servatium). 408 sto 
(stont). 568 storme (stormen), 575 mochtes (mochtet). 
660 kostelike (kosteliken). 671 Doen (Doe). 800 aloë (aloë). 
811 hande (handen). 812, 2834 en (en). loii ontgalt (on- 
galt). i3o6 stade (scade). 1403 hadge (hads). 1420 arme 
(armen). i5i5 En (Ende). 1677 vrunt (druut). i636 suden 
(suder). i665 mense (men se). 1675 ghelijck; aan de slot-/r , 
die er eerst stond, werd een trekje toegevoegd om er een 
k van te maken. i6gr reden (rede). i83o houftsonden 
(houft sonden). i858 inden (inder). 1870 Sij (Zij). 1899 Der- 
deweruen (Derde werven). 1938 is (ich). i89r Hertoghine 
(Hertoghinne). 20i3.Eyn (Eyne). 2049 is ons bleuen (is 
by ons bleven). 2o63 vutuercoren (uitvercoren). 2074 stichde 
(stichte). 21 52 Maér die (Maer... die). 225o ymant (yemant). 
2458 En (En). 253 1 mijnen bloeten (mijne bloete). 2609 ewi- 
gher (ewighen). 2654 voel (wel). 2658 dorfte (dorste). 
2710 voer leyde (voerleyde). 2740 Doe (Doen). 2789 nyet 
meer en (nyet en). 2841 armoede (armoede). 2825 Seruaese 
(Seruaes) (i). 

In welke verhouding staat het betrekkelijk jonge Hs. 
waarin de Servatius ons bewaard bleef, tot het gedicht 
van Veldeke zelf? In hoeverre vernemen wij nog in de 
jongere copie den weergalm of den naklank van Vel- 
deke's taal? 

Tot de oplossing van beide deze vragen zullen onge- 
twijfeld enkele brokstukken, enkele snippers, van een zeer 



(i) Volgens de Ned. Staatscour. 3 Juli 1888, nr i55, 4de kol., 
bevindt zich te Maastricht in het Oud Prov. Archief van Limburg 
o. a. het ex. der Sint Servatiuslegende waarop de uitgever Prof. B. 
zijne corrcctiën heeft aangebracht. Op het einde bevinden zich tien 
brieven van Prof. B. aan de heeren Franquinet en Leiter over 
de uitgave en de critische behandeling van dit werk (Meded. van 
Dr J. W. Muller). 



Digitized by VjOOQIC 



— i3 - 

oud handschrift der Servatixislegende iets kunnen bijdra- 
gen. Wij bedoelen de fragmenten door Wilhelm Meyer 
te München ontdekt in den band van een boek der 
Staatsbibliotheek aldaar, « welches auf seinem deckel 
von einer hand des i5/6 Jhs den vermerk Joannes Polt^ 
ex Nürenperga trug ». De vinder gaf den tekst zeer 
nauwkeurig uit in de Zeitschr. f. d. Altert., 27 (i883), 
bl. 146-157, Hij schatte het schrift der twee naast mal- 
kaar opgeplakte en op malkaar passende perkamentree- 
pen als opklimmende tot het einde der twaalfde eeuw. 
De inhoud beantwoordt aan vv. 2064-2117 van het tweede 
Boek. — In 1890 liet daarop Berthold Schulze, even* 
eens in de Z. f. d. A., 84, bl. 218-223, den inhoud druk- 
ken van enkele andere snippers, uit den band van een 
Straatsburger wiegedruk van 1488 (Modus legendi abbre- 
uiaturas i utroq^ iure siue processus iuris), toebehoorend 
aan de Bibliotheek van het Reichsgericht te Leipzig. 

Toen ik mij, in de maand October van verleden jaar, 
eenige dagen te Leipzig ophield, nam ik de gelegenheid 
"te baat, om de fragmenten der Bibliotheek van het Reichs- 
gericht te onderzoeken, en mijne verbazing was niet ge- 
ring toen men mij op mijn vraag naar de Servatius- 
fragmenten tot antwoord gaf, dat zoo iets op de Biblio- 
theek niet bestond. Doch toen de oude incunabel (die 
zijn vroeger rangnummer G. 739 geruild heeft tegen 
een nieuw : E. 3366) voor den dag gehaald werd, bleek 
het, dat de perkamentstrooken er nog altijd tegen den 
band aangeplakt zaten over de geheele lengte van de schut- 
borden, en dat Schulze zich vergenoegd had met enkel 
de naar boven gekeerde zijde der oude fragmenten af te 
schrijven, alsmede de vijf eindjes die uitstaken tusschen het 
fo» A 8 en B I, en de vijf andere die uitkeken tusschen 
fö* X 6 en Y I . De lange reep perkament op het ach- 
terbord was nog steeds met een dun blad wit papier 



Digitized by VjOOQIC 



- 14 - 

overplakt gebleven, en van r® noch v» had Schulze den 
tekst bekend gemaakt. Prof. Schultz, de vriendelijke 
Bestuurder der Bibliotheek, was zoo voorkomend den 
band te laten losmaken en mij de reepen perkament toe 
te vertrouwen. Dank aan de bemiddeling van het Be- 
stuur der Universiteitsbibliotheek, was het mij mogelijk 
tezelfdertijd inzage te nemen van de fragmenten uit 
München, waarvan de tekst mij bleek op onberispelijke 
wijze door W. Meyer te zijn medegedeeld. 

De fragmenten te München gevonden behooren tot het- 
zelfde Hs. als de fragmenten uit Leipzig, zooals duide- 
lijk genoeg te merken is aan den hierbij gaanden afdruk 
der een vierde verkleinde clichés, welke ik van deze eerbied- 
waardige documenten onzer voor-Maerlantsche letterkunde 
liet vervaardigen (i). Het schrift is van dezelfde hand : Prof. 
Reusens deelt mij mede, dat het hem voorkomt tot de 
eerste helft der dertiende eeuw op te klimmen. Wij zouden 
dus staan voor een zeer vroeg afschrift van Veldeke's 
oorspronkelijk gedicht, 't Perkament is zeer bruin en don- 
kerkleurig geworden op de plaatsen waar lijm is geweest, 
en 't geschrift is daar soms ongewoon moeilijk te ont- 
cijferen; jammer genoeg zijn op de platen eenige dier 
verbruinde plaatsen bijna geheel onleesbaar geworden. De 
meeste hoofdletters (in 't afschrift worden ze met een 
streepje aangeduid) hebben eene roode stip. Sommige zijn 
wat grooter geteekend, en geheel rood. De naam van 
sente « Seruas » wordt gewoonlijk door een roode streep 
omlijst, waarvan in de afbeeldingen echter nauwelijks 
iets te bespeuren is. Waar op 't einde van een regel 
een woord in twee gekapt wordt, wijst een dun schuin 



(i) Uit de vergelijking der teruggevonden perkamentsnippers kan 
men opmaken dat zij tot een Handschrift hebben behoort, waarvan elke 
bladzijde 22 regels bevatte, en dat ongeveer 18 cm. X 12 cm. mat. — 
De Leipziger fragm. I-II, III-IV — IX-X-XI-XII, en V-VI-VII-VIII 
bevonden zich op de 3 binnenste bladen van eenzelfde katern. 



Digitized by VjOOQIC 



— i5 — 

streepje op de verbinding met het andere deel. Na ieder 
vers schijnt een punt te hebben gestaan. 

Welke nu de verhouding is tusschen den tekst van 
't oude Hs. der fragmenten, en 't jongere van Bormans, 
zal wel het duidelijkst worden aangetoond wanneer, zooals 
hierachter, beide tegenover elkaar worden gedrukt. Doch 
onmiddellijk rijst daarbij een vraag : aan welke regels 
van Bormans' Hs. beantwoorden dar en den van 't kleine 
stukje I-II ? De oplossing is gelukkig zoo erg moeilijk niet. 
't Stukje maakte den beneden-binnen-hoek uit van een blad; 
te oordeelen naar de vouw stond dar.,, den op den r^', 
rlos,... kos. op den vo, zoodat men wezenlijk geen an- 
dere keus heeft dan aan te nemen dat ons dar, . den 
overeenkomt met daer,,. den van rr. 38 1 en 382 (i). 

Zoo laten wij dan den tekst van 't jonge Hs. en van de 
fragmenten, tegenover elkander, volgen, ons ditmaal ertoe 
bepalende het materiaal bijeen te brengen en toegankelijk 
te maken. 



(i) Bij volkomen overeenstemming van 't getal vennen in 't oude 
en in 't Jonge Hs., zou dit 34 verzen uitmaken op de bladzijde 
waarvan fragm. II (met rlos.,. kos) deel heeft uitgemaakt. — Dit 
stemt nagenoeg overeen met het getal verzen op de bladzijde waar- 
van fragm. IX en X (heilege bode tot haddet verno-) ons bewaard 
bleven; immers tusschen den regel heilege bode... en den eersten 
regel van fragm. XI (verso van IX) alle di genirde..., moeten wij, 
althans indien het getal ver:[en 't:(elfde is in 't oude als in 't jonge Hs., 
aannemen dat er 29 verzen gestaan hebben. — Altijd in dezelfde onder- 
stelling zou de blz. met fragm. V 28 verzen bevat hebben ; de blz. 
met fragm. VI : 27 verzen; de blz. met fragm. VII : 27 verzen; die 
met fragm. VIII : 29 verzen. De fragm. uit München vormen den ro 
(met 28 verzen) en den v© (insgelijks met 28 verzen) van een zelfde fo. 
Nochtans rijst de vraag vanzelf : heeft wellicht de jongere afschrijver 
eenige verzen op eigen hand ingelascht in dat gedeelte van zijn ar- 
beid welk beantwoordt aan de blz. met fragm. II ? zooals hij elders 
daarentegen weleens een paar regels oversprong? (namelijk, blijkens 
het fragment uit München, na v. 2078 van het tweede Boek; vgl. 
ook Bormans' nota bij v. 1379 van 't eerste Boek). 



Digitized by VjOOQIC 



— i6 — 



Hs, van Bormans, 

tyv. Eerste Ich en sef^ghe uch nyet voerwaer 
Boek Wie langhe off wie mennich jaer 
38o Dat der goede sinte Seruaes 
Te Jherusalem wonachtich was 
Ende daer alöme inden lande 
Eer heme god den enghel sande 



Fragmenten uit Leip\ig. 



dar 



den 



f. 8 r. 4i5 Daer heuet bij nae .vij. jaer 

Eyn busdom gheweest meysterloes II 
Du bist der gheen dien god verkoes 



rlos. 
kos. 



f. 9 r- Want god den heilighen man 

Seruacium daer sande 
455 Tot salicheiden inden lande 
Dat wolde onse heer Jhesus 
Dat der heilighe Seruacius 
Daer quam alsoe verre 
Want dat buscopdome erre 
460 Soc langhe hadde ghewesen 
Die die vite hebben ghelescn 
Sij weten dat wel voerwaer 
Dat allen die .vij. jaer 
Ten eynde waren gheganghen 



III got ... en heilege m 

dare (s)ande. 
te salds 
• /)at wolde unse her(e) 

heilege 5eruatius. 
uerre. 
want dat (b) 
5o lange hadde gewie) 

te hebben gelesen. 
S wale tterwar. 

dat iar. 

7'ë ende ware g 



f. 9 v. Hij was des te moede 

Dat hij den staff leechde 
Opten altaer ende seechde 
480 Voer den luden openbaer 
Dat hi verbannen waer 
Diene daer aff neeme 
Maer die daer toe gheteme 
Ende alsoe lieff waer gode 
485 Dat hem der enghel sijn boede 
Seluer gheue mit sijnre hant/ 
Doen ghinck die meer ouer alt lant 
Het waert / condich wij ff en man 
Dat sinte valentijn den ban 



IV are. 

dat he ue(r)bannë 

1 dar aue na(m)e. 
me tame. 

JE'nde so lief 
(d)at heme der engel 
(e)lue geue bit siner 

nc di mare ouer al 
(H)et geurisgen wif 
(t) sente Valentin den 



Digitized by VjOOQIC 



1 



— ty — 



490 Ghedaen hadde den staue 

Des en doersten nyemant / aue 
Nemen vanden altaer daer hi lach 
Des stont dat busdom menghen dach 
Sonder busdom heerdeloes 

495 Dat nye egheynen dae en koes/ 



hadde den staue. 



des 



Doent god nyet langher en woude dolen 
Dien alle dinck es onuerholen V 

Doen sande hi sinte seruaes daer 
Dat hi der keerstenheit neeme waer 
5o5 Want hi daer toe well ghetam 

Des daichs doen hij in tongheren qua 
Der goede sinte Seruaes 
Grote Concilie dae was 



de dolen, 
deme alle dinc sin unuerholê. 
Du sander sente Seruase dare. 
dat her der cristenheide neme ware. 
Want he der tu wale geta. 
des dages du he in tungren qua. 



f. ïo r. Sij hadden menghen raet ghenomê 

Waer men eynen busscop neeme VI 
525 Alsulken deme wale gheteme 
Der keerstenheit ende gode 
Vanden groten gebode 
Die daer ouer was ghedaen 
Soe en dorstes nyemant dae bestaen 
53o Sij haddent menghen dach ghedreuë 
Ende was noch ongheeyndt bleuen 



War mé einë biscop neme. 
suliken de wale geteme. 
Der kirstenheide ende gode. 
uan den grote gebode. 
Z)at dar ouer was gèdan. 
so ne durste nima da bestan. 
Si haddent ma 



f. 10 V. Want hijs wale mechtich were 

Dat hij haer noet ƒ bekende 
Ende eynen busscop daer sende 

55o Alsulken die hon wale beteme 
Ende den volke te rechte queme 
Ende der heiligher kerken dochte 
Want hijt wale doen mochte 
Dat hij se wolde beraden 

555 Doen sy gode dus daer om baden 
Ende dats daer grote noet was 
Doen quam die goede sinte Seruaes 
Inden monster als eyn pelgrijn 
Die haer busscop soude sijn 



VII volke rechte quame. 

Ende der heileger kirken dochte. 

want het wale gedun mochte. 

Dat hese wolde befadê. 

dusi gode drübe badë. 

Eiïde hets da mi..,(e)l not was. 

du 



Digitized by VjOOQIC 



l^£y^ 



1 






- i8 ~ 



f. xir. Doen hij in sijnen ghebede lach 

575 Aldaer dat volck toe sach 
Alle die des namen waer 
-J-A Ende waert den volck schijnbaer(i) 
Doen quam der heilich enghel daer 
Schijnende als die sonne claer 
58o-f-<i Dien god daer hadde ghesant 
Hij hueffen op mitter hant 
Seruacium den gheheeren 
Dat dede hem god ter eeren 
Der enghel langher nyet en beyde 
585 Totten altaer hijne leyde 



VIII sonne clare. 

din luden schinbare. 
Den got dare hadde gesant. 
he huf op bitter hant. 
Seruatiü den geheren. 
dat dede hene got te eren. 
Der engel nine (b)...idde. 
ten altare 



tiiv. Doen des dat volck waert ghewaer 

Dat der enghel danne was 

6o5 Ende der goede sinte Seruaes 
Behalden hadde den stafT 
Den hem der heilich enghel gaff IX 
Die haer buscop solde wesen 
Ende sij mit hem souden genesen 

6x0 Die priesters mitten leekê (2) 

Die ghesien hadden die teekeu 
Die waren all te samen vroc 
Den sanck hoeuen sij voele hoe 
Gode gauen sij den loff 

61 5 En . ontlinghen haren busscoff 
Vroliken sij songhen 
Doen sij te heme dronghen X 

Sij vielen heme te voeten 
Guetlijcken sij hem grueten 

620 Alle eer sij hoem daden 



hcili^g)e bode gaf. 
£'nde de here op solde wesen. 

en si bit heme wol genesen. 

D\ papen bittê leikê. 

esien haddê di teikë. 
Dï ware sam vro. 

den sanc huvê si uele 
Gode gauê si den lof. 
en entiin herê biscop. 

Vrolike si sungen. 
da si te heme drungê. 
S{ uilê heme te vuten. 
gutlike sine grutê. 
A\ ere si heme dadê. 



(i) Reeds in 1860 had Bartsch aangewezen (Germania, V, bl. 424). 
dat, zooals nu ook blijkt uit het oude fragment, de regel met het rijm 
schijnbaer moest staan na den regel met het rijm claer. De a en ^ in den 
rand van 't Hs. geeft het reeds aan, doch a had dienen hooger te staan, 
namelijk vóór r. 570. 

(2) Voor « leekê » staat, doorgehaald : « lekel ». 



Digitized by VjOOQIC 



\ 



19 — 



Den ghewaren god sij baden 
1 1 2 r. Diene Hon (i) te trooste hadde ghegheuen 

Dat hijne hon langhe Hete leuen 
Doen dat was erganghen 

625 Dat sij hadden ontfanghen 

Haren busscop als hon wale ghetam 
Die hon van gods haluen quam 
Als ghi hier voer hebt vernomen 
Die ander die daer waren comen 

63o Die busscopen die hij daer vant 
Die god eer daer hadde ghesant 
Wijse ende gheleerde 
Die gheordende en die bekeerde 
Te busscop sij heme wij eden 

635 Den gods ghebenedieden 
Den gheisteliken heerde 
Die alle die gheneerde ^ 
Die nae sijnen rade wolden leuen 
Hem en doerste nyemant gheuen 

640 Dat busscopdom noch den staflf 
Dan alsen hoem der enghel gaff 
Doen der goede sinte Seruaes 
Ghewijet ende ghegherwet was 
Totten gods woerde 
645 Als daer toe ghehoerde 

Soe dede god sijnre teyken eyn 
■ Daer sijne godheit ane erscheyn 
Die menghe myrakel hevet ghedoen 
Doen hi ten predickstoel ghinck stoen 
f. 12 V. 660 Sinte seruaes die goede 
Mit gheisteliken moede 
Ende hij predickê solde * 
Wat soe hij spreken wolde 
Dat sande hem god te monde 
655 Die egheyne sprake en conde 
Anders dan gricxsche alleyne 
Ander sprake allejme 
En conde hij spreken noch verstaen 



den gewarê gode si badë. 

Den hen te troste hadde gegeuen. 

dat hene hen lange lite leuen. 

Dv dat was ergangê. 
dat si haddê entfangê. 
Heren biscop alse hen wale geta. 
de hen van godes haluen qu^. 
^Is ier da uore haddet uemo 



XI alle di genirde. 

Di ni si(n)ê rad den leuen. 

heme ne dorste nima(n) geuen. 

Dat bischdume nogten (s) 

dan alsen heme den engel gaf. 

Dv der gude sente Seruas. 

gel ende gegerwet was. 

T'ut den g worde. 

alse dar tu gehorde. 

(D?) XII got siner teikê ein. 

da sine gotheit ane erschein. 

De uele manech heuet gedan. 

du he ten lechtere ginc stan. 

5ente Seruas der gude. 

bit geistlikë mude. 

Ende he predekë solde. 

wat so he spreke wolde. 

Dat sande heme got te munde. 

de negeine sprake ne kunde. 

Mer grix eine. 

ander sprake negeine. 

iVe kunde he gesprekê 



(i) Hon: met een gewone cch», doch rood doorstreept. 



Digitized by VjOOQIC 






tó^-- 



U' 



— 2Ó — 

f.9iv. Tweede Van sinte seruaes is ons bleuen 

Boek Menghe goede dinck bescreuen 
2o5o Dat is ons wale kondich 

Dat e3m goet keyser heynrijch 

Sinte Seruaes seer eerde 

Ende sijnen vlijt daer toe keerde 

2o55 Tot sijnen dienst alle sijn leuen 
Want god hadde hem ghegheuen 
Den sen ende den goeden wille 
Openbaer ende stille 
Dat hij hem was soe dienstacht 

2060 Der wille meerde hoem die cracht 
Beide stille ende ouerluyt 
Des loende hoem die gods druyt 
Dat hijne hadde vutuercoren 
Allen heiligen busscopen te voren XIII 

2o65 Te heeren ende te patrone 
Des hadde hij dat te lone 
Dat hijne decke gheneerde 
Die sijnre hulpen gheerde 
Dat hadder ii) wale beuonden 

2070 Te voele menghen stonden 

Daer hi in groter vreysen was 
Dae hoem verloeste sinte Seruaes 
Dat wiste der keyser wale voerwaer/ 
Doen stichde hij te gozslaer 

2075 Die selue keyser heynrijck • 
Eyn goids huys herde eerlij ck 
f.92V. ^\s men noch wale syet 

Prouönden hij daer toe beriet (2) 



Die stat die wolde hij vryen 
2080 Dat goids huys dede hij wijen 
Der keyser voele gheheer 
In tweer apostelen eer 
Sinte Jude ende symoens 
Ende ouch sijns patroens 



Fragmenten uit München. 



gë biscop(en) teuorë. 
(d)e te patrone. 
des had lone. 

Dat hene dekke 

dar siner helpê gerede, 
wale beuonden. 
te ue (r) stundë. 

Dahe in grote (s). 

da heme erloste sente as. 

Dat weste der keiser war 

du stigtedeher te 

(e) selue keiser henric. 
hus harde herlic. 
A\se da wale siet. 

proueden he it. 

Rike en gude. 
bit lude. 

Di stat di wolder 

(t) godis hus deder wien. 
iele gehere. 
in twer a ere. 

Jude ende 5ymonis. 
s patronis. 



(1) De slot-letter is eigenlijk eene « n », waarvan het tweede been onvoltooid bleef. 

(2) R. 2079 volgt, in 't Hs., onmiddellijk op r. 2078; — door Bormans werd niets 
overgeslagen. 



Digitized by VjOOQIC 






I 



— 21 — 






2oS5 Sijns heeren die der deerde was 
Die genadighe sinte Seruaes 
Den dryen dede hijt wijen te samen 
Dat gods huys in haren namen 
Aen sinte Seruaes stont sijn moet 

209 > Want hij dede hem mennich goet 
Aen heme hadde hij groten troost 
Want hijne decke hadde verloest 
Hij was sijns herten liecht 
Sijne boden sande hij te Triecht 

2095 Te sinte Seruaes houft stat 
Sijnen broederen hij des bat 
Den proeste vanden cloester 
Den deken ende den coster 
Ende den broederen al te samen 

2100 Ter eeren sinte Seruaes namen 
Ende allen sijnen holden 
Dat sij heme senden wolden 
Van sinte Seruaes gebeyne 
Des confessoers en busscop reyne 

2io5 Te sijnen nuwen werke 

Te verchieren sijne kerke 
ƒ. 92 V. Hij woldet gherne eeren 

Ende sijnen loff vermeeren 
Den heilighen sinte Seruaciü (i) 

21 10 Dat woude hij 5mer gherne doen 
Die wijle dat hij mochte leuen 
Sij en doerstens hem doch nyet gheuen 
Dat was hem leyt doen hijt vernam 
Te triecht hij doen seluer quam/ 

2ii5 In corten tijden daer nae 

Hij werff aen die heeren dae 
Dat sij ghedroeghen ouer eyn 
En gauen heme dat kynne beyn 
Van sinte Seruaes sijns heren 

2120 Der keyser dede hem ter eeren 
Eyn gulden houft werken 
Te troeste sijnre kerken 



5ines herë (d)e was. 

de genedege sëte 

en drin widement all 

t godis hus in ho[ren) 

ne sente 5erüase s XIV sin mut 
(wa)nt he dede gut. 

^ne heme hadde v 
want hene decke had 

was sines hertë ligt. 
s der du tetrigt. 

Te sen houestat. 

sinê bruder 
Den profste uanden clo 

ken en den costre. 
End ren aïlê samen, 

te eren ses nam. 

Allen sinê ho 

sendë woldë. 
5ente Ser nes. 

des heileges ende d 
7e sinen nuwen werke. 
t sine kerke. 

He woldet g 
Ende sinë lof ermerë. 

5 TIUM. 

dat wolder ime(r) 

Di wile dater mugte lei 

stens heme idog nit g 
was heme leit duhet 
tricht he du selue qua 
(tid)en darna. 
he warf en da. 

Dat si ged(r) 



■%/.| 



{^i 



■ V >i 

ï ! 






(i) Vóór « Seruaciü » staat, doorgehaald : « Seruaes ». 



Digitized by VjOOQIC 



— 22 — 

En nu, ten slotte, een enkel woord nog, een woord 
van dank, aan hen wier voorkomendheid mij in staat 
stelde deze mededeelingen te doen : — aan *t Bestuur 
der Bibliotheek van München, dat mij de fragmenten uit 
het Tweede Deel van Veldeke's gedicht naar Leipzig ter 
inzage stuurde, — aan dat der Leipziger Bibliotheek, — 
aan dat der Bibliotheek van Leiden, welk mij 't Hs. van 
den Servatius geruimen tijd te Brussel liet gebruiken, — 
aan Prof E. Martin, voor zijne inlichtingen, — aan 
D*" J. W. Muller, die naar 't Hs. van Bormans, de 
proeven van het daaruit medegedeelde verbeterd heeft, — 
en eindelijk, inzonderheid, aan den zoo vriendelijken Be- 
stuurder der Leipziger Reichsgerichtsbibliotheek, Prof. 

SCHULTZ. 

L SCHARPÉ, 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 







e 
o 



co 



Hs. o»".n6 



Digitized by VjOOQIC 



/ 



bc 



< 
PU 






p (§ ^ U 0) 

bo «d rt jd 3 o 



5 5:^:; 

•d « !? 
^ -d feo ^ 



bö 



TJ 
fl 
V 



S 



I 









'S & 

u cd 

- I 



o 
-o 



?? bo 






6 S 

■O « 



o co 



0) 

a 



8 : 

•d 4j 

^ 'S 



i3 -^ 



0) 



0) 

J 



'd 'd 



I 



P4 M 
CO (1. 



bo 



'^ *i 1 I 



'S 

bo 



u « 



I 



2 F3 

bo -d 



-d 

> 
P 



bo 

'S 



1 



'S 

'S fl 

i 1 



bc S 



M 6 

^ S, 



,5 I 



0) 

•d 

'S s 

bc G 

<3i 






P4 « 

0) o 






Ü 


£3 




4) 


N 


,£< 


a* 


;^ 


-i 


s 


M 


ü 


►3 


(0 
0> 




bc 


H 


i 


5 


> 




O 


2 


4) 


U 


•d 


H 




55 


bib 


M 


p 


S 


1- 


!5 


s 


« 


-d 


^ 










bo 



4) 

a 






-d '^ 



-d 

o p « 
bo ^ ^ 



3 



X 



X 



Digitized by VjOOQIC 



/"> 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 







irtU'k 









/5 5 t^ 3 ÜiJ ei ^ 



Digitized by 



Google 




0« 



2 

H 



'S 

1 


1 

0) 


'S 


1 


•3 


•3 

is 




s 




f 


1 


s 

«> 




3 


§ 


1 


•;3 
S 

3 


4) 


^ 


u 


'S 


« 




è3 


1 
1- 


u 


S 


t3 
•o 


1 


0) 


2. 


§ 

2 


'•O 


1 


4) 

•O 



Digitized by VjOOQIC 



/^ 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



'. 



V 




■■iï^4 







•o 

Th 

ë" 
O 



i2 > 




Hs. o°ï.o42 



CS W lc4 

i l §• 



0) 
C/3 



2 ^ 



•o 
(3 






I 



ü B - 






3 
•O 



SP 

•o 






V 


p 


6 


(5 


iX 


1 


A 


bo 


g 


'<3 


a 


0) 


a 






^ 


*a 


•§ 


« 


d 


o 








S 


(A 


'S 


Ö 


O 


♦ï 


d 


nJ 


H 


bx) 


. 


3 


U) 


< 


s 


-o 
3 






(4 


0) 




a 




C/3 


A 


ë 


■'S 


^ 


G 


'S 


V 


c> 


0) 


^ 


•o 


.s 


v< 


\* 






'5 


rt 
'S 




ö 


1 


O) 




4^ 


.ti 




& 


ë 


S> 


rQ 


d 


d 

0) 


a 










O 
w 


c 

ü 


§• 


^ 


ë 



Digitized by VjOOQIC 



'>. 



1 


1 


1 

1 


i«j 


3 






Ö 


■•-• 


o 




c8 






-o 


g 


^ 


^ 


^ 






o 


^ 


•a 


o 








'S 




1 


'S 


o 






i 

i 


8 


1 


O 


^ 








g 


•s 


'i 






o 


g 


s 


-§ 


rt 










^ 




-O 






js 


Ih 


3 


w 








0) 


13 


'S 


'S 


i2 






-o 


i 


bc 

1 


1 


^ 
«> 

s 


• 

1 




h-I 










(d 




> 










3 

r.1 


'S 



m' 





0) 


6 


1 


k 


(0 


1 

0) 


'S 


-O 


a 
§ 


Q) 


Ih 


M) 


O 


-o 


g 


13 


o 


(0 


5 


ë 


Wi 


& 


5: 


to 




J^ 






^ 


Q 




'S 




O 




-O 


bo 


§ 


OT 


6 








2 


B 


S 


c4 


s 




Qi 




^ 


z 


.5 


l 


A 


§ 


-g 




s 


^ 





icd 


11) 


a 


Sd 




6 


a 


^ 


«> 




'S 


s 


o 


1 




^ 




Digitized by VjOOQIC 



/^ 



Digitized by VjOOQIC 



L 



Digitized by VjOOQIC 



Hs. oia.08 



XIII gë biscop(en) teuorê. 
(d)e te patrone des had- 
lone. Z)at hene dekke 
dar siner helpê gerede, 
wale beuonden. te ue- 
(r) stundë. Z)ahe in grote 
(s). da heme erloste sente 
AS. i>at weste der keiser 
war. du stigtedeher te 
(e) selue keiser henric. 
hus harde herlic. Alse 
da wale siet. proueden he 
it. Rïke en gude. bit 
lude. D'i stat di wolder 
(t) godis hus deder wien. 
iele gehere. in twer a 
ere, Jude ende Symonis. 
s patronis. 5ines herë 
(d)e was, de genedege sëte 
en drin widement ah 
t godis hus in ho(ren) 
ne sente 5!eruase s 











^ 




Fragmenten 



Digitized by VjOOQIC 




\^ 






r. 



f 








ttdl en ^^ 0EHhf^8|lm 

lesi fr;u*i a4w 1^^ 

/ F- 

Ir '^^ 




XIV sin mut (wa)nt he dede 
gut. i4ne heme hadde v 
want hene decke had 
was sines hertë ligt. s 
der du tetrigt. Te sen 
houestat. sinë bruder 

Den profste uanden clo 
ken en den costre. End 
ren alle samen, te eren 
ses nam. Allen sinê ho 
sendë woldê. ^nte Sbr 
nes. des heiliges ende d 

Te sinen nuwen werke. t 
sine kerke. He woldet g 
ende sinê lof ermerë. S 
TiUM. dat wolder imejr) 

Di wile dater mugte lei 
stens heme idog nit g 
was heme leit duhet 
tricht he du selue qua 
(tid;en dama. he warf 
en da. Dat si ged(r) 



UIT MÜNCHEN. 



Digitized by VjOOQIC 



1 



Digitized by VjOOQIC 



HDDEUIIDEBIINDSCHK CEESTIUJEE UEDKBEN'-l 



I. — Het handschrift. 

De tekst van de Middelnederlandsche geestelijke liederen, 
die in de volgende bladzijden wordt afgedrukt, komt voor 
in een hs., thans te Parijs in de a Bibliothèque nationale » 
berustende, en door Huet in zijn Catalogue beschreven 
onder n"" Sg (2). Het hs. is van papier; het meet +140 milli- 
meter hoog bij + 100 breed, en telt 80 blaadjes. Achter- 
aan is er een gedrukte tekst uit het begin der I7« eeuw 
bijgebonden, nl. de Copye van // het breve aposto- 
LYCK // van 't Jubileum des jaers 1600 gesonden / by 
onsen Heyligen vader in Godt Clement j den viij. Paus 
van Roome / aen alle Christegeloovige menschen des Ne- 



(1) In 1895 had D' L. Scharpé, mijn vriend en ambtgenoot, een 
afschrift vervaardigd van het lis. , waar de hierna afgedrukte liederen 
in voorkomen; hij heeft mij nochtans welwillend de uitgave overge- 
laten. Ik betuig hem hier daarvoor mijn oprechten dank. Evenzoo 
bedank ik allen die mij bij het bewerken van deze uitgave behulp- 
zaam zijn geweest, inz. de heercn Prof. J. Verdam, te Leiden, en 
Prof. W. L. DE Vreese, te Gent, voor het verschaffen van menige 
nuttige inlichting. 

(2) G. Huet, Catalogue des manuscrits néerlandais de la Bibliothèque 
nationale, Parijs, z886, bl. 44-45. 



Digitized by VjOOQIC 



— 24 — 

derlants ende andere j begost wesende solemnelyck te 
houden inder Collegialer Kerke van S. Goedelen te Brus- 
sele I ten tweesten dach Martij. i6o3. — Tot Bruessel// 
By Rutgeert Velpius I .... M. D. C. JJJ. De keerzijde 
van dit blaadje is wit ; de verordeningen tot het verdienen 
van gezegden aflaat staan op de zeven volgende blaadjes. 
Met dit stuk hoeven wij ons niet langer bezig te houden. 

Van de 80 blaadjes, die het eigenlijk hs. telt, zijn 
I ro tot 48 r^ beschreven, evenals 56 r° tot 80 v^; de 
overige zijn wit. In het boeksken staat niets anders dan 
gedichten, behalve een stuk in proza op bl. 76, waar wij 
verder op terugkomen. Het schrift, zeer goed leesbaar, 
schijnt te wijzen op het einde der i5e of het begin der 
i6€ eeuw. De regeling van het hs, is met inkt geschied 
van bl. 77 T^ tot 80 v^; elders met potlood. Van /o/. 
I ro tot 55 vo staan 19 regels op elke bladzijde; van 
56 r® tot 76 V® eveneens 19 regels, maar op eenige blad- 
zijden twintig; van bl. 77 r^ tot het einde slechts 16 regels. 

Bl. I ro tot 45 v° zijn door eene en dezelfde hand 
beschreven. Bl. 46 r» tot 48 v» zijn in een andere hand, 
die op 56 r® opnieuw begint, en tot 76 r^ heeft voort- 
gezet. Eindelijk, bl. 77 ro tot het einde verraden eene 
derde hand. 

De prozatekst op bl. 76 r*» en V» schijnt later geschre- 
ven; het is een « bedinghe » tgt Maria, en vertoont veel 
gelijkenis met andere soortgelijke stukken, zooals o. a, 
D*" DE Gheldere er verschillende in zijn Dietsce Rime 
heeft medegedeeld (i). Ook op de keerzijde van fol. 22, 
28 en 80 komen eenige regels voor in een jonger schrift 



(I) Dr K. DE Gheldere, Dietsce Rime, Geestelijke gedichten uit 
de XIW, XlVe en XVe eeuw (Brugge, 1896^ bl. 39 sqq., 70 sqq., 

lOI — III. 



Digitized by VjOOQIC 



25 



(ongeveer uit het midden der i6e eeuw); zij geven ons 
inlichtingen over personen die het boekje in hun bezit 
hebben gehad (zie verder bl. 26-27). 

Het hs. heeft geen versieringen. Alle stukken beginnen 
(éen uitgezonderd, bl. 47 v**) met een groote hoofdletter 
in rooden inkt; door elke aanvangletter van een vers (ge- 
woonlijk een hoofdletter, op bl. 45 r** en vo een kleine 
letter) loopt een roode streep. De titels van eenige stuk- 
ken en de zangwijzen zijn in rooden inkt; sommige regels, 
als b. V. de « repeticies », zijn met rooden inkt onderlijnd. 
Deze eenvormigheid wordt op ééne plaats afgebroken, nl. 
op bl. 77 r<>, waar het stuk met een groote sierlijke J 
in rooden inkt begint. 

Over de gebruikte afkortingen is niet veel te zeggen. 
Geregeld komen voor en=^ende, waarnaast zeer vaak en^ 
zonder afkortingsstreep ; het streepje boven de letter om 
een volgende n aan te duiden, of een enkele maal 
m (bl. 2 v<>, ome, en bl. 10 v® nemermeer)\ het teeken 
voor de er, aer; de gewone afkortingen voor de eigen- 
namen Jhesus en Cristus (ih's, Ihus; xpc, xpus). Vaak 
ook treft men het teeken ^ aan voor et, iet, at, en h^ 
voor den uitgang heit. Eens staat 9 voor as (bl, i5 r® 
jt^g^=was), en eens een p met doorstreepten staart, de be- 
kende afkorting voor per (bl. 46 v^ psone). In de titels van 
sommige stukken sca=^sancta; en ten slotte, KyrieT of 
eenvoudiger KV = Kyrieeleison ; alfa of af = alieiuia. 

Wat de interpunctie betreft, van bl. i tot 45 v° staat 
een punt bijna achter. eiken regel; van bl. 46 r^ tot het 
einde, geen leesteekens meer, behalve hier en daar een punt 
aan het slot van een strophe of van een gedicht. 

Het stevig, fijngeribd papier van het hs. vertoont drie 
watermerken, namelijk : 

lo) een schild met drie leliën, met een sieraad gedekt 
(bl. 1-16 en 33-76). Dit papiermerk komt geheel overeen 



Digitized by VjOOQIC 



- 26 - 

met het onder n^ 288 afgebeelde bij Midoux en Matton (i); 
het is, naar hun zeggen, te vinden op papier in Frankrijk 
gebruikt van 1494 tot 1499. Ook de Stoppelaer (2) geeft 
dit merk op (nl. n*" 10 van plaat XIV), en verklaart 
(bl. 87) het papier, waar het op voorkomt, slechts één- 
maal te hebben aangetroffen, nl. in een stedelijke rekening 
van Middelburg over het jaar 1486; 

2°) een kannetje, waarboven een sieraad in den vorm 
van een kruis (bl. 17-32). Een in alle opzichten hiermede 
overeenkomend watermerk heb ik bij de Stoppelaer niet 
gevonden; best gelijkt het op het onder n*" i3 afgebeelde 
op plaat XIII. Bij Midoux en Matton staan verschillende 
er min of meer mede overeenkomende, inz. n^ 201 ; zij 
vonden dit merk op papier in de laatste jaren der iS^ eeuw 
in Frankrijk in gebruik (1494.-1496) ; 

30) een P, waarboven een soort van kruisdolk (bl. 
77-80). Zie bij de Stoppelaer verschillende er naar ge- 
lijkende op plaat XII, inz. n9 12; bij Midoux en Matton 
het onder n^ 334 afgebeelde (3). Het is genoeg bekend 
dat de P een watermerk is van een papier, dat gedu- 
rende twee eeuwen in onze gewesten zeer gezocht werd. 

Nu moeten wij een paar inlichtingen bespreken, die wij 
in het hs. aantreffen aangaande personen die het in haar 
bezit gehad hebben. 

Op bl. 22 v^ onderaan staat geschreven : 

Dit leiisenbuecsken hoert toe 
suster liisbet ghoeyuaers 



(i) E. Midoux et A. Matton, Essai sur les fiUgranes des papiers 
employés en France au XI Ve et XVc siècles, Parijs, 1868. 

(2) Mr. J. II. DE Stoppelaer, Het papier in Nederland gedurende 
de middeleeuwen, in:{onderheid in Zeeland, Middelburg, 1869. 

(3) Cfr. voor dit laatste watermerk Sotheby, Principia typographica 
(Londen, i858}, III, 77, nrs 3 en 6. 



Digitized by VjOOQIC 



27 



Op bl. 28 V® heeft dezelfde hand een dergelijke mede- 
deeling begonnen, ma^r over het schrift heeft men ge- 
wreven als om het onleesbaar te maken of uit te doen. 
Men kan nochtans goed zien dat er staat : dit leysen- 
buxsken hoert toe. 

Op het vo van bl. 80 onderaan hehben wij iets uit- 
voeriger; daar luidt het : 

Dit boexskens hoert toe 
suster Johana Cueliens 
suster elisabet ghoeijuaers 
heuet my gegeuen 

waarop nog volgt : qui patitur vindt onia / de absentibus 
nil I nisi bonum. 

Deze laatste regels zijn door een andere hand geschreven. 

Ons « leysenboekske » (i) heeft dan aan twee « susters » 
toebehoord; de eerste heeft het aan de tweede gegeven. 
Wie echter die « susters » Culiens en Ghoejruaers geweest 
zijn, daar is mij niets van bekend (2). Hare mededeelin- 
gen zijn van geen nut om de herkomst van onze ver- 
zameling te bepalen, behalve tot het staven van het feit 
dat zij aan kloosterzusters heeft toebehoord. 



II) J. Verdam, in zijn opstel Middelnederlandsche geestelijke poé:{ie, 
in de « Verslagen en mededeelingen der Kon. Akad. van Wetenschappen, 
afdeeling Letterkunde », 4e reeks, D. II (Amsterdam, 1898), bl. i53, 
heeft er al op gewezen dat deze vermelding van leiisenbuecsken niet 
zonder eenig belang is in verband met Acquoy's verklaring van leis 
(Zie het opstel Kerstliederen en Leisen in de Verslagen en mededeelingen 
der Kon. Acad. te Amsterdam, afdeeling « Letterkunde », 3© reeks, 
D. IV, Amsterdam, 1887, bl. 352-404). 

(2) In de Dietsche Warande van 1897 (bl. 261-288, 38i-393, 446-461) 
heeft de heer H. Roes een Tilburgsch liederenhandschrift bekend 
gemaakt en er uittreksels uit medegedeeld. Dit hs. dagteekent uit 
de laatste jaren der i6e eeuw. Prof. Verdam, t. a.pl., bl. i54, noot i, 
vraagt of het toeval is dat dft hs. in het bezit is van den heer 



Digitized by VjOOQIC 



— 28 — 

Wanneer wij den tekst zelf van de liederen beschouwen, 
zien wij ook al spoedig dat het hs. uit een klooster moet 
komen. Blijkbaar werden sommige liederen vervaardigd 
ten behoeve van en ook wel door kloosterzusters, met 
name door Clarissen. 

Dit moeten wij besluiten uit hetgeen op meer dan éene 
plaats te lezen staat. Zoo wordt, op bl. 35 v^, een bede 
tot den h. Franciscus, als patroon van de orde, gericht : 
Nu helpt ons suete heilege vader / In u orden soe wel 
staen / Dat enz ; elders, bl. 3o r**, heet hij suete vader .... 
weert patroen; bl. 34 \'^ wordt hij wederom aangeroe- 
pen : nu hulpt ons heilege vader {C/r. nog bl. 35 v©). 
— De heilige Clara heet, bl. 36 v», onser moeder; op 
bl. 38 ro, ons lief moeder sinte Claer ; een weinig verder, 
op bl. 39 ro, staat het nog veel duidelijker in een lied 
haar ter eer : Gruet ons Franciscus onsen vader / Ons 
patroens sidi bey gader; en om als *t ware allen twijfel 
weg te nemen, volgt daarop : bevolen blive u al ons 
covent. Ook op een andere plaats, nl. bl. 3i v^, wordt 
aan de h. Clara het « co vent » aanbevolen, terwijl ten 
slotte hetzelfde verzoek, op bl. 27 v^, tot Maria gericht 
wordt. Ook uit andere nog dan de tot dusver bespro- 
ken plaatsen schijnt afgeleid te mogen worden dat de 
liederen door nonnen geschreven worden; heele stukken, 
als b. V. dat waar de bundel mede begint, passen uit- 
stekend in den mond van kloosterzusters. 



L. GOVAERTS te Tilburg, en dat het Parijsche hs. heeft toebehoord aan 
Lijsbeth Guoevuaers? — Daarop zal wel bevestigend moeten geant- 
woord worden. Immers, de heer Leo Goyaerts schrijft mij dat hij het 
in de Dietsche Warande besproken hs. destijds van een familie heeft 
ontvangen, welke er niets anders van wist dan dat het voorheen in 
die familie van ouder tot ouder was overgegaan. Uit verschillende 
ondcrteckeningcn in het hs. zelf blijkt verder dat hel met den naam 
van den heer Goyaerts niets gemeens heeft. 



Digitized by VjOOQIC 



— 29 — 

Op grond van den inhoud mogen wij dan m, i. gerust 
aannemen dat de verzameling uit een Clarissenklooster 
afkomstig is. Maar er komt in het hs. geen enkele aan- 
duiding of zelfs toespeling voor met betrekking tot de 
vervaardigers van de liederen, zooals dit vaak in andere 
bundels aangetroffen wordt. Door wie ze gedicht werden 
is dus niet na te gaan; waarschijnlijk hebben wij met 
een eenvoudig afschrift te doen, m. a. w. in ons boeksken 
— blijkbaar een verzameling door verschillende personen 
aangelegd, waar nu en dan aan geschreven werd, en die, 
te oordeelen naar de voorloopig wit gelaten bladzijden, 
onvoltooid is gebleven — werden versjes uit andere verza- 
melingen overgeschreven; niets bevestigt dat de nonnen- 
copiïsten er van eigen maaksel bijgevoegd hebben, hoewel 
natuurlijk de mogelijkheid daarvan niet uitgesloten is. — 
Ook voor eene nadere bepaling van de plaats van herkomst 
hebben wij geen gegevens. Wanneer wij er op letten dat, 
achteraan het hs., een te Brussel gedrukte tekst voorkomt ; 
dat, zooals wij verder zullen zien {Cfr. § 2), de taal der 
liederen over het algemeen Brabantsch gekleurd is, schijnt 
het niet vermetel te vermoeden dat het uit een Brabantsch 
Clarissenklooster komt. 



2. — De inhoud. 

Het hs. bevat een reeks geestelijke liederen (i), allen 
in het Mnl. opgesteld, behalve een stuk, nl. een Latijn- 
sche lofzang, tot de heilige Barbara gericht. De tekst 



(i) Gemakshalve heb ik de voorkomende stukken met Romeinsche 
cijfers genummerd (van I tot XLVI), en zal er voortaan aldus naar 
verwijzen; de gewone cijfers duiden de versregels aan. liet stuk in 
proza staat onder nr XLIV ; een ander (nl. nr V) is niet opgenomen. 



Digitized by VjOOQIC 



— 3o — 

van deze hymne heb ik elders niet teruggevonden (i). 
Eenige liederen hebben een gemengden Nederlandschen 
en Latijnschen tekst, nl. n" IV, VI en XXXIX. Een 
lofzang tot den heiligen Franciscus komt tweemaal voor 
(n" XIII en XLVI), zonder afwijkingen van belang (2); 
op bl. 12 r° heeft de copiïste een stuk begonnen (n*" V), 
maar het bij de eerste strophe er van gelaten; een weinig 
verder begint zij het nog eens, en schrijft het dan in 
zijn geheel. Allerlei andere zaken getuigen nog dat de 
afschrijfsters met weinig nauwgezetheid te werk gingen. 
Tamelijk veel plaatsen zijn niet in orde wat het rijm of 
de volgorde der rijmen beti-eft; elders hebben de strophen 
een verschillend getal verzen (aldus b. v. n^ X); nu en 
dan zijn verzen uitgevallen; een stuk zelfs (n** XXVI) werd 
geschreven alsof het gewone proza was, zonder te letten 
op maat of rijm. 

Naar hunnen inhoud kan men de liederen van onzen 
bundel aldus rangschikken : 

a) Ten eerste komen er een aantal voor met betrek: 
king tot Christus; éen is een weeklacht op zijn lijden 
(n^ XLV), de andere zijn Kerstliederen, in eigenlijke of 
breedere opvatting; zij bezingen nl. niet alleen de ge- 
boorte zelve van Christus, maar ook al wat daarmede in 
verband staat. Tot dit soort behooren de n" III, IV, 
VI, VIII tot X, XXIX tot XXXII, XXXVI. XXXIX, 
XLI-XLÏII. Zooals men ziet, vormen zij alleen reeds meer 
dan het derde gedeelte van de heele verzameling. Dat 
zal niemand verwonderen die bedenkt, dat de geboorte 
van Christus gedurende de gansche middeleeuwen gaarne 



(1) In de twee groote verzamelingen van J. Julian, A dictionary 
of hymnology (Londen, 1892) en U. Chevalier, Repertorium hym- 
nologicwn (Brussel, 1889 vlgg.) heb ik vergeefs gezocht. 

12) Zie verder de aanteekening bij nr XIII. Uit de afwijkingen 
blijkt dat naar twee verschillende redacties werd afgeschreven* 



Digitized by VjOOQIC 



— 3i — 

door dichters bezongen werd, en dat die liederen ook in 
andere bundels zeer talrijk zijn. Zooals elders worden 
ook hier allerlei legenden uit de pseudo-evangeliën en 
andere werken met het verhaal van het Nieuwe Testament 
verbonden; ja, in n' X o. a. treffen wij bijzonderheden 
aan uit, naar het schijnt, nog tot heden onbekende bron- 
nen. In dit opzicht brengt onze verzameling iets nieuws, 

b) In de tweede plaats hebben wij de liederen tot 
de heiligen. Een viertal zijn eigenlijke Marialiederen, 
n« VII, XXXIII tot XXXVIII (i). Andere zijn lofzangen 
gericht tot den h. Franciscus (n" XIII-XVII en XLVI), 
tot de h. Clara (n« XVIII-XX), tot de h. Barbara 
(n" XXI = Lat. hymne, en XXII-XXVII). Daar komen 
enkele niet onaardige onder voor. De stof van die liede- 
ren werd grootendeels ontleend aan legenden met be- 
trekking tot de bezongen heiligen in omloop; zoo worden 
o. a. de aanroepingen tot de h. Clara, in de « litanie » 
die haar ter eere vervaardigd werd (nl. met toespeling op 
haren naam : Clara ^ aeternae lucisjilia, / Clara, stella claris- 
sima, I Clara, stella meridiana), ook in een van de hier 
aangetroffen liederen verwerkt (n*" XIX, 17 sqq,). 

c) De overige stukken zou men tot de groep kunnen 
brengen van de gedichten door Hoffmann von Fallers- 
LEBEN (Hor. Belg., X, 3) en Jonckbloet (Gesch. der 
NdL letter k , 2« uitg., II. 3 10) « liederen der minnende 
ziel » geheeten. Het zijn de n" I, II. XI, XII, XXVIII. 
XXXVII, XL. Zij bevatten, zooals andere versjes van 
dit soort, godvruchtige bespiegelingen, opwekkingen tot 
de deugd, rouwklachten over bedreven zonden of over de 
bedorvenheid van de wereld, tafereelen van de vreugde 
des hemels, enz. De uitdrukkingen en beelden, die daar- 



(i) Eenige van de liederen, onder de rubriek cc Kerstliederen » 
gebracht, konden even goed bij de Marialiederen gerangschikt worden. 



Digitized by VjOOQIC 



— 32 - 

bij gebruikt worden, zijn ons genoeg uit andere dergelijke 
stukken bekend. 

Verschillende onder de hier voorkomende liederen kennen 
wij al uit andere bundels; aldus n" VI tot IX en XIII. 
Vergeleken met die reeds bekende teksten, vertoont de 
redactie van onzen bundel nog al afwijkingen, die, op 
meer dan éene plaats, niet zonder belang zijn (i). Aldus 
eindigt n^ VIII (de leis Laet ons met herten rejrne) in 
het Parijsche hs. met die strophen, welke elders aan het 
begin komen, en die werkelijk beter aan het slot passen; 
de volgorde in de tot dusver bekende teksten zal dan, 
naar den nieuwen, best veranderd worden. N^ XIII (de 
lofzang op den h. Franciscus) komt hier veel vollediger 
voor dan in het Deuoot ende profiteljrck boecxken van 
iSSg, door Scheurleer opnieuw uitgegeven (2). Andere 
liederen daarentegen hebben in ons hs. een minder goe- 
den of volledigen tekst, b. v. n^» VI en IX (3). 

Van de vijf zangwijzen, die in de Parijsche verzame- 
ling voorkomen, is slechts éene mij van elders bekend, 
nl. die van n*" XXXIII, wie wilt horen singen van eenen 
tjrmmerman (zie o. a. Hor, Belg , XI, 246). 

Wat de taal van onze gedichten betreft, daarover kan 
ik kort zijn. Over die van de reeds bekende liederen 
valt niets te zeggen. De andere vertoonen een taal met 



(i) Zie de aanteekeningen bij den tekst der verschillende liederen. 

(2) D. F. Scheurleer, Een Deuoot ende Profitelyck Boecxken. 
Geestelijk Liedboek met melodieën van i53g, opnieuw uitgegeven en van 
eene inleiding, registers en aanteekeningen voorpen, Den Haag, 1889, 
bl. 128. 

(3) Het verwondert mij dan ook dat, in zijn reeds vermeld opstel, 
bl. i53, Verdam van dit laatste vers (de leis Een kindeken es ons 
geboren) zegt dat in het Parijsche hs. er een w veel vollediger tekst 
[van] aangetroffen wordt dan in de Hor. Belg. ». Zie de aanteeke- 
ningen bij het stuk zelf. 



Digitized by VjOOQIC 



— 33 — 

veel Brabantsche vormen. Wij vinden nog al vaak « um- 
laut » van de a waar hij in andere dialecten dan het 
Brabantsch (en het Limburgsch) zelden is; b v. vóór 
ch = got. ht, als gedechte (XLII, 8), mechtich (II, 44; 
XII, II), geslechte (XKY, 3i; XXVII, 5 en passim)\ verder 
nog in tpermen (XXXII, 21), helsken (XXXIX, 23), lemme- 
ken (XXV, 38), enz. Ook a umlaut » van d treffen we aan, 
als b. V. me(e)ghden (XVIII. 28; XIX, 22; XLIII, 42 
en elders), genedich (XXX, 24), m^r = maer (XLIII, 19), 
vercleeren (XXII. i3), de uitgang ere =^ are (b. v. son- 
deers, VIII, 96). Brabantsch (ook Limburgsch) zijn nog 
de vormen waarin u{e) = Onfr. uo (Germ. o, Ndl. oe), 
als hueden (I, 12; II, 48), sueken (II, 9), grueten (XXXI, 
8 en passim), minderbrueders (XVI, 21), suet (I, 55; II, 
II, i5; XXV, 14, 17. 22 en vaak elders). Andere Bra- 
bantsche vormen zijn gescepen (XXXVIII, i3), wet (imper. 
van o weten », XVI, 9, 22; XVII, 8; XIX, 18, enz.), 
5^/^/2 = zullen (XVI, 10 en elders). Brabantsch (hoewel 
niet uitsluitend) is ook de spelling oi voor o, als in hoige 
(XXIX, 34), voir (X. 90, 95; XV, 24), voirsien (XLI, 25), 
voirwaer (XVI, 9). Brabantsch eindelijk is nog de assimi- 
latie nn uit nd in XLV, 4 waar honden staat, rijmende op 
sonnen; men zal wel moeten lezen als stond er honnen. 

Naast die groote hoeveelheid Brabantsche vormen komt 
er een enkele Vlaamsche voor, zooals b. v. of voor af 
(XXXII, 7), misschien ook versiegen (II, 3i) en ghijt (I, 
48). Doch zij bewijzen niet veel, te meer daar zij (behalve 
versiegen) aan rijmdwang toe te schrijven zijn (i). 

Wij hebben boven gezien (§ i) dat de uiterlijke gesteld- 
heid van het hs. op + i5oo wijst. De inhoud zelf zal 
niet veel ouder zijn, en niet vóór de i5e eeuw opklim- 



(i) Zie beneden, bl. 35, aan het slot van deze paragraaf, en 
vooral de noot bij I, 48. 



Digitized by VjOOQIC 



- 34 - 

men. In zijn bespreking van de leis Laet ons met herten 
reyne (= alhier n^ VIII), heeft Acquoy (Kerstliederen en 
leisen, bl. 371) insgelijks de i5« eeuw als tijdperk van 
ontstaan er van aangenomen. « Woorden als o ghepresen- 
teert » en « ghefigureert », a conforteerde » en « respon- 
deerde », zegt hij, zijn echter niet de eenige aanwijzingen 
van een jongeren datum. Reeds het drieregelig keervers 
voor alle stemmen duidt een lateren oorsprong aan. » 
Dit is ook toepasselijk op de andere leisen van onzen 
bundel, en op de overige liederen; niets noopt ons een 
ouderen oorsprong aan te nemen. Dit wordt nog gesteund 
door sommige taaiverschijnselen, als b. v. de apocope 
van de onduidelijke e in de uitgangen der werkwoorden 
(vormen als heb = hebbe, XXIX, 34 ; begonst, XXXIX, 
22, enz. Zie van Helten, Mnl, Spraakk., § i83). Aan 
den anderen kant vinden wij nog niets van den invloed 
der Rederijkers, zooals in de meeste bekende geestelijke 
liederen, tenware men daaraan wou toeschrijven het soort 
van middenrijm dat enkele malen in n*" XV voorkomt. 

Ten slotte blijven nog eenige woorden te bespreken die 
wij in onze verzameling aantreffen. Ik wijs vooreerst op het 
woord r oliën (X, 84), dat tot dusver als een hapax lego- 
menon beschouwd werd; het staat tweemaal als opschrift in 
een fragmentarisch hs.. door Verwijs destijds besproken (i). 
De lezing aldaar — waar Verwijs aan twijfelde — wordt 
door deze tweede plaats op welkome wijze bevestigd. 

Een ander tot nog toe onbekend woord is stedelijn (III, 40). 
Het komt, meen ik, nergens elders voor, hoewel het wel 



(i) Verwijs, Van Vrouwen ende van Minnen (Groningen, 1871), 
Inleiding, bl. XI. — Dit was reeds gedrukt, toen mij Prof. W. L. de 
Vreese opmerkzaam maakte op den titel van een traktaat van Jan 
van Leeuwen (hs. nr 667 van de Konink. Bibliotheek te Brussel) : 
Die rolie vander wallende woedegher hertelike berrende minne te Gode 
wert, en mij tevens mededeelde dat in de daarin voorkomende werken 
van Jan van Leeuwen rolie verscheidene malen aangetroffen wordt. 



Digitized by VjOOQIC 



-- 35 - 

kan bestaan hebben met de beteekenis van « plaatsje ». De 
vorm heeft niets ongewoons. Doch in verband met den vol- 
genden regel, die blijkbaar corrupt is {cfr, den tekst verder) 
is het moeilijk met zekerheid over het woord te oordeelen. 

Het WW. beelden komt op eene plaats van ons hs. voor 
(nl. I, 7) in de intransitieve opvatting van a een gestalte 
verkrijgen ». Dat het elders met die beteekenis gevonden 
werd, denk ik niet; Verdam (MnL Wdb,, I, 677) kent 
het alleen in transit, zin : a) een bepaalde gedaante ge- 
ven, vormen; b) afbeelden, voorstellen. — Het w. beelde 
(XVn, 17) heeft wel niets merkwaardigs, maar de opvatting : 
« gedaante, gestalte » schijnt ongewoon; Verdam {ibid.^ I, 
676) geeft het enkel op in de beteekenis « vrouwenbeeld » 
en als elliptisch gebruikt voor « vrouw ». Plaatsen, waar 
het voorkomt met de opvatting die hier past, ontbreken. 

Bullen (XVn, 26), d. i. lat. bulla^ verdient, om dezelfde 
reden, vermeld te worden. Het beteekent hier niet a zegel 
eener oorkonde », noch « de oorkonde zelf » (zie Verdam, 
ibid,^ I, 1476), maar zooveel als « schriftelijke bewijzen voor 
de authenticiteit eener zending ». God wordt hier bij een 
aardsch geestelijk vorst vergeleken. — Evenzoo komt blejrne 
(VIII, 55) voor met de figuurl. beteekenis van « schande, 
smet », welke het MnL Wdb,, I, 1291-92, niet opgeeft. 

Ik wijs eindelijk nog op den praeteritumsvorm ha (XIII, 
19) van « hebben », die, voor zoover ik weet, enkel op een 
paar plaatsen van de « cluchte » van Playerwater voor- 
komt, w. 277 en 3i5, alsmede in Hennen van Merchtenen's 
Cornicke van Brabant (uitg. Gezelle, Gent, 1896), v. 279 
en passim, en welken Verdam (MnL Wdb., III, 194) schijnt 
te mistrouwen (i), en op een rijm als hovescheit : ghijt 
(d. i. gaat) (I, 46, 48), dat een diphthongische uitspraak 
der e bewijst (2). 



(i) Dit wantrouwen is niet gerechtvaardigd. Zie de aanteekening 
bij XIII, 19. 
(2) Cfr, de aanteekening bij I, 48. 



Digitized by VjOOQIC 



— 36 — 



3. — De uitgave. 

Op de volgende bladzijden is de tekst van het hs. nauw- 
keurig afgedrukt. De afkortingen zijn zonder nadere aan- 
wijzing opgelost; waar het nuttig kon wezen, is telkens 
aangeduid wat de schrijfwijze van het hs. is. Ook het 
onderscheid tusschen de u en p, i en y, is opgegeven. 
De interpunctie is door mij aangebracht; wat in opzicht 
daarvan in het hs. staat, is hooger medegedeeld (§ i). De 
spelling heb ik ongewijzigd gelaten, hoewel verschillende 
schrijfwijzen van hetzelfde woord soms in hetzelfde stuk 
voorkomen, en men daardoor zou geneigd zijn er een zekere 
eenheid in te brengen. Aan het begin van eiken versregel en 
bij eigennamen heb ik een hoofdletter gezet. Alle verbete- 
ringen, doorhalingen, enz. die in het hs. voorkomen, staan 
onder aan de bladzijde vermeld. Op eenige plaatsen zijn blijk- 
bare fouten verbeterd, maar telkens met aanduiding, aan den 
voet van de bladzijde, van de oorspronkelijke lezing. Plaat- 
sen die mij bedorven schijnen of onbegrijpelijk voorkomen 
laat ik ongewijzigd, doch bespreek ze met een woord in de 
noten ; een enkele aanvulling, in den tekst, die ik mij ver- 
oorloofd heb, staat cursief en tusschen haakjes gedrukt. 



Digitized by VjOOQIC 



- 37 - 



[Fol. I r»] Alle creatueren willic ave gaen, 

Ende mijn herte in duechden keeren. 
Moditicker inne volstaen 

5 Edel herte houdt u vry 

Van eertschen creatueren, 

Ende laetse beelden niet in di. 

Ende dwinct dijn edele natuere; 

Si mocliten di verweeren 
lo Al in die eewege doot. 

Heere God, doer dine edelhede 

Huedt ons van selker noeti 

Als der minnen trane 

Dat aenschijn overgaen, 
i5 Soe comt die minnere selve 

Ende geet hem scincken saen. 

Wat geeft hi hem drincken? 

Hem selven geeft hi al. 

Die wel te rechte wil dincken, 
[i v«>] 20 Sijn loen en es niet smal. 

Kinder, laet ons Gode minnen, 
Het dunct my wesen meer dan tijt. 
Mochten wi den hogen loen gewinnen, 
Soe souden wi leven sonder nijt. 
25 Vroude ende groot jolijt. 
Es hen altoes bereit 
Die daer dient, sonder vermijt, 
Den Heere daert al an steit. 



N' I. — V. 3 Na dit vers schijnt, te oordeelen naar den zin en de 
volgorde der rijmen, een regel uitgevallen. 

V. 7 Beelden hier met de intrans. opvatting van « eene gedaante, 
gestalte verkrijgen ». C/r, Inleiding, bl. 35. 

v. 9 Verweeren. Men zal wel moeten lezen verwerren, d. i. « ver- 
strikken ». De beteekenis van verweren : « verdedigen, afweren, ver- 
hinderen » past hier kwalijk. 



Digitized by VjOOQIC 



— 38 - 

Ie wille den Heere alleene 
3o Te male getrouwe sijn; 
Ie minnen alte eleene : 
Dat es die seade mijn. 
Nu willic my gaen voegen 
Te male in eenicheit; 
35 In wil voert meer niet proeven 
[2 r^] Der mensehen ongestadicheit. 

Hi es te male alleene 
Die my vervrouden mach; 
Der menschen troest es eleene, 
40 Dies proevic al den dach. 

Nu laet ons gerne doghen 
Liden ende ongelije, 
Ende doet die ziele hoeden 
Ende maeese in duechden rij e. 
45 En wils niement clagen 
Dan siere hovescheit; 
Hi saelt my hulpen dragen 
Alst my over ghijt. 



vv. 37-40 In het hs. R der Gentsche Universiteitsbibliotheek, 
dat een werk van Ruusbroec bevat (nl. de Cierheit der gheesteliker 
brulocht) en door Prof. W. L. de Vreese beschreven wordt in zijn 
monographie over Ruusbroec (bl. i85) komt, op een perkamenten blad 
vooraan, een rijmpje voor dat treffend op deze vier regels gelijkt : 

Het is die suete Jhcsus alleyne 
die my verbliden mach : der 
Menschen troest is also cleyne 
Dat ondervindic al den dach. 

V. 48 Lees alsof er stond gheijt, d. i. *gheyt, d. i. *gheit, d. i. geit, 
d. i. geet. Zie voor deze ei, Kern, Limb. Serm,, Inleiding, § 222; van 
Helten, Mnl, Spraakk., §241. Deze diphthongische uitspraak der e 
bestaat, sedert de middeleeuwen reeds, in Vlaanderen en blijkbaar ook 
in Limburg, maar niet in Brabant ; op deze plaats zal zij wel toe te 
schrijven zijn aan rijmdwang, evenals 0/ voor af in XXXII, 7. 



Digitized by VjOOQIC 



- 39 - 

Nu en es hier geen dueren 
5o In deser nederheit; 

En es maer een ure 

Tsegen die eewicheit. 
[2 voj Ie bidde u, hoge natuere, 

Maect my van duechden rijc, 
55 Dat ie suete ende suere 

Mach liden al gelijc. 

Sceiden. 

Dat ie van her Jhesus sciet, 

Daeromme mach ie wel weenen; 

Ende ie hem in goeder trouwen liet, 
60 Daerin soe bleevic cleene. 

Ie sciet van hem, ende hi niet van my. 

Ie doelde in dit allinde. 

Soe ie my meer keerde van hem, 

Soe ie my min bekende. 
65 Ie hielt van my, doen viel ie saen : 

Toeval woude my bedriegen. 

Gracie en si es my opgedaen 



v: 56 Met dezen regel eindigt blijkbaar het gedicht. Het tiental 
verzen, dat nog op deze bl. staat, is een soort van « bladvulling », 
die zelfs onvoltooid schijnt. Cfr. v. 67. 

V. 57 Hs. Sceiden dat ie enz. Het eerste woord beschouw ik 
als den titel. 

V. 63 Deze regel eindigt in het hs. met keerde; v. 64 begint 
met Van hem. 

v. 66 Toeval, d. i. invallende gedachten, j^innelijke voorstellingen 
die \ich meesier maken van iemands gemoed. Vgl. Geest. L. (hs.), 
2 rö : « alle toeval vreemder beelden werden u afghenomen w. 

V. 67 Ik weet niet wat deze regel beteekent. Waarschijnlijk ont- 
breekt een vers, te oordcelen naar het rijmschema. 

Dialect. 2 



Digitized by VjOOQIC 






— 40 



II 



[3 r*] Het es daer in den sonnenscijn 

Claer en fijn 
Daer die weerde heilege sijn. 

Na dat sint Jan daer sach, 
5 Eest daer altoos eewich dach; 
Daer en es anxte noch genen noet, 
Maer vroude groet; 
Hi es daer, diet al vermach. 

Si sueken raste in haer begin, 
10 En goede weyde es haer gewin; 
lu sijn suete menscheit daer 
Ende godheit claer, 
Daer gaense altoes uut ende in. 

Si sugen uut siere herten fijn 
i5 Balseme ende oversueten wijn, 
Die daer in der minnen groeyt 
Ende overvloeyt 
[3 yo] Doer alle heilegen die daer sijn. 

Hi biet daer sinen sconen mont, 
20 Sijn claer aenscijn, sijn hertegront. 
Die wilt, die mach genade ontfaen 
Het es al voldaen, 
Hi es van minnen al doerwont. 

Si eten daer dat hemelsche broet ; 
25 Sijn herte es al bloedich roet; 
Die si minnen, sijnse bi, 
Ende altoes vri; 
Si vallen al in sinen scoet. 



Nr II. — V. 8 Na dien regel heeft het hs Repeticie heetes, 
V. 9 Si zijn de weerde heilege van v. 3, en door haer begin 
wordt God bedoeld. 
V. 12 Hs. claerheitf blijkbaar eene vergissing. 



Digitized by VjOOQIC 



— 41 — 

Hi sach dat edel, weerde lam, 
3o Hoet ons menscheit anenam. 
Dat doer ons versiegen was, 
Ons sonden genas, 
Ende tot sijnder vrouden quam. 

Hi versach den hoechsten trone, 
35 Dat God was hare alre crone, 
[4 r®] Sittende in sijn conincrike, 

Sonder gelike. 
Dat eewich woert, des Vaders sone. 

Die scone coninginne es daer 
40 Gecleet al metter sonnen claer; 
Haer bruydegoem, wel bereet, 
Scone gecleet, 
Gecroent al openbaer. 

Si es daer mechtich ende alte groot, 
45 Si heeft getorden des draken hoot, 
Ende gebonden in den bant 
Met hare hant. 
Si huede ons in die ure der doot. Amen. 

Het es daer in der sonnen scijn 
5o Claer en fijn 

Daer die weerde heilegen sijn. 



V. 29 Hi, nl. sint Jan van v. 4. 

V. 39 Hs. Die scone coninginne es daer gecleet 

V. 42 Hs. Scone gecleet aldaer. 

V. 46 Hs. bant. met hare. 

V. 47 Hs. Hant. Si huede ons in die ure. 

V. 47 Hs. Der doot. Amen. 



Digitized by VjOOQIC 



42 — 



III 



[4 v«] Alder werelt Heylant Kyrieleison 

Heeft ons sinen bode gesant. Alleluia 
Geloeft sidi Maria, 

Die bode, hi was een yngel; 
5 Geheeten was hi Gabriël. 
Geloeft sidi Maria. 

Hi quam tonser liever vrouwen; 
Men machse gerne aenscouwen. 
Geloeft sidi Maria, 

lo Hi quam daer hise besloten vant; 
Hi versceen haer altehant. 
Geloeft sidi Maria, 

Die maget haer seere ontsach, 
Doen si den ingel bi haer sach. 
[Sro] iS Geloeft sidi Maria. 

<c Gegruet bestu, maget fijn, 

« Du sult baren een kindekijn. » 

Nu bidt vor ons Maria, 

Dies nam si doen groot wonder an, 
20 Want sine kinde genen man. 
Geloeft sidi Maria, 



Nr III. — w. 1, 2 De verkortingen KyrieV en all zijn met roodcn 
inkt onderstreept, en worden bij elke strophc aan den rand herhaald 
(Kr en aira). 

V. 3 Geloeft sidi maria staat na elke der eerste vijf strophen 
herhaald. Men zou, in overeenkomst met de symmetrie der volgende 
strophen (str. 7-9. 10-12, enz.), dit enkel na str. i en 4 verwachten; 
na str. 2 en 5 : God gruete u maria., en na str. 3 : Nu bidt vor oiis maria. 

V. II Hs. h scheen. 



Digitized by VjOOQIC 



• - 43 - 

O Dat moet een groot wonder sijn! 
« God heeft die reynichede in my ». 
God gruete u Maria. 

25 Doen sprac die ingel daerna : 
« Ave, plena gratia I 
Nu bidt vor ons Maria. 

[5 v«] « Nu saltu di houden wel ; 

« Met u blijft genade ende spel ». 
3o Geloeft sidi Maria, 

« Na dine woerden moet my gescien. 
« Hevet God ane my versien, 
God gruete u Maria, 

o Gods deerne willic gerne sijn. 
35 « Gescie my na den woerden dijn ». 
Nu bidt vor ons Maria, 

Si knielde neder op eenen steen; 
Hare gebet was suver ende reen. 
Geloeft sidi Maria. 

40 Si ginc te hare stedelijn 

Jhesus .iij. namen soete ende fijn 
[6r«] God gruete u Maria. 



V. 23 Hs. heeft. Misschien verkeerd afgeschreven voor (h)eert; 
misschien verandert men even goed in loeft. Het ww. hebben schijnt 
in alle geval hier niet te passen. 

V. 28-29 Deze regels, evenals eenigc andere verder, 37, 40-41, 
zijn niet duidelijk. 

V. 40 Stedelijn. Zie de Inleiding^ hl. 34-35. 

V. 41 De lezing is blijkbaar bedorven; wat er oorspronkelijk 
gestaan heeft, schijnt moeielijk aan te wijzen. Men bekomt een ge- 
zonden zin door te veranderen in : Jhesus die quamer; maar, het 
moet gezegd, die wijziging is graphisch niet te verklaren. 



Digitized by VjOOQIC 



— 44 — 

Si droegen, mach men spreken, 
Ixxxix weken. 
45 Nu bidt por ons Maria. 

Si droegene te hare herte 
Al sonder eenege smerte. 
Geloéft sidi Maria, 

Si droegene onder hare gere, 
5o God, alder weerelt Here. 
God gruete u Maria. 

Dat was wel een salich nacht. 
Dat geboren was die dracht. 
Nu bidt vor ons Maria. 

[6 vo] 55 Doen si des kindekijns genas, 
Maget bleef si alsi was. 
Geloeft sidi Maria, 

Si want in haer doekelkijn 
Jhesus, dat soete kindekijn. 
60 God gruete u Maria. 

Sijn wiege was een crebben; 
Hine woude geen beter hebben. 
Nu bidt vor ons Maria. 

Si soechden met haren borsten, 
65 God, alder weerelt vorste. 
Geloejt sidi Maria. 



V. 44 Moet men wellicht lezen xxxix? In alle geval bekomt 
men, door die geringe wijziging, een minder fantastisch getal. 

V. 61 Hs. crebbekijn; lees «crebben» wegens het rijm op «hebben» 
in den volgenden regel. 

V. 65 Hs. voerste; lees « vorste » om het rijm te hebben met 
vorigen regel. 



Digitized b'y VjOOQIC 



- 45 - 

Si sette tkint op haren scoet 
Die ons, sondaren, halp uter noet. 
[7 r«l God gruete u Maria. 

70 Wie sal dat kint behoeden dan? 
Joseph, die goede, gerechte man. 
Nu bidt vor ons Maria, 

Wie sal des kindekens pleger sijn? 
Dat sal Maria die maget sijn. 
75 Geloeft sidi Maria. 

Wie sal doepen dat kindekijn, 
Dien sal des conincs rike sijn? 
God gruete u Maria. 

Dat sal sijn Baptiste sint Jan, 
80 Al in die flume van Jordan. 
Nu bidt vor ons Maria. 

[7 vo] Het scheen een lichte sterre 

In orienten, herde verre. 
Geloeft sidi Maria. 

85 Si wijsde die coningen op die vaert, 
Doen dat kint geboren waert. 
God gruete u Maria. 

Si offerden hem een rike scout : 
Wieroec, mirre ende gout. 
90 Nu bidt vor ons Maria, 



V. 80 Hs. fluine. 

V. 86 Hs. waert aldus voluit geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 






m^'^ 



- ^6 - 



IV 

Joachims ende sinte Annen bloet, 
Ave Maria 

Heeft gedaen ons allen goet. 
Gratia plena 
5 Nu bidt vor ons Maria. 

[8 rö] Doen dat kint ter werelt quam, 

Ave Maria 

Die hemel was vroe, die helle wert gram. 
Gratia plena 
lo Geloeft sidi Maria. 

Die maecht wies in doechden voert; 
Ave Maria 

Gebenedijt si haer geboert. 
Gratia plena 
i5 Nu bidt vor ons Maria. 

Die maecht lach in orisoen ; 
Ave Maria 

Die ingel quam uut shemels troen. 
Gratia plena 
20 Geloeft sidi Maria. 

[8vo] Hi sprac : « God gruetu, reyne wijf, 

Ave Maria 

u Al vol gracien es dijn lijf; » 
Gratia plena 
25 Nu bidt vor ons Maria, 



Nr IV. — V. i8 Hs. h-oen. 



Digitized by VjOOQIC 



- 47 - 

« Du sult ontfaen dat eewege woert. » 
Ave Maria 

Die maget bleef hieraf acoert. 
Gratia plena 
3o Geloef t sidi Maria, 

Tote Gabriël soe sprac si : 
Ave Maria 

t Een kint tontfane verwondert my. 
Gratia plena 
35 Nu bidt vor ons Maria. 

[groj tt Want ie en kinde nye man, 

Ave Maria 

« Die vrucht ane minen live wan n, 
Gracia plena 
40 Nu bidt vor ons Maria. 

Die ingel sprac : « blijft onbevreest, 
Ave Maria 

« In di soe comt die Heilege Geest; 
Gracia plena 
45 Geloejt sidi Maria. 

« Des Heilichs Geests cracht sal di 
Ave Maria 

« Verlichten, reyne maget vri ». 
Gracia plena 
So Nu bidt vor ons Maria, 



V. 38 Hs. mine 

V. 40 In plaats van Nu bidt enz. zou men, volgens de symmetrie, 
Geloe/t enz, verwachten; de « repeticie » werd tweemaal herhaald, 
vermoedelijk wel uit verstrooidheid, ten gevolge van het beginnen 
op een nieuwe bladzijde. Eene strophe is, blijkens het verband, niet 
weggevallen. C/r. verder, w. io5 en iio, dergelijke herhaling. 



Digitized by VjOOQIC 



»>■ 



- 48 - 

[9 vo] (( Siet hier die deerne ons Heren gi ; 

Ave Maria 

« Na dinen woerden gescie my ». 
Gratia plena 
55 Geloeft sidi Maria. 

Tehant ter stede si ontfinc 
Ave Maria 

Jhesum Kerst, den jongelinc. 
Gratia plena 
6o Nu bidt vor ons Maria. 

Nochtan bleef si reyne maecht; 
Ave Maria 

Dat wonder die natuere claecht. 
Gratia plena 
65 Geloeft sidi Maria. 

[lor**] Dgelas doerscijnt die sonne claer, 

Ave Maria 

Ongebroken , openbaer ; 
Gratia plena 
70 Nu bidt vor ons Maria. 

Alsoe geheel ende niet som 
Ave Maria 

Behielt si haren magedom. 
Gratia plena 
75 Geloeft sidi Maria, 

Si droegen jonc, si baerden out, 
Ave Maria 

V. 76 Dit vers moet, dunkt mij, aldus opgevat worden : zij, die 
jonc was, droeg en baarde Jezus, die out was, daar hij, als God, 
van alle eeuwigheid bestond. 

w. 66-68 zullen, voor den zin, met vv. 71-73 moeten verbonden 
worden; zij vormen daarmede een soort van vergelijking. 



Digitized by VjOOQIC 



— 49 — 

In eenen wintersnachte cout, 
Gratia plena 
80 Nu bidt vor ons Maria, 

[10 yo] Ongequetst ende sonder wee. 

Ave Maria 

Dat wonder en valt nemmermeer. 
Gratia plena 
85 Geloef t sidi Maria. 

Edel, teeder was dat reyne bloet, 
Ave Maria 

Dat Jhesus ane die maget loet. 
Gratia plena 
90 Nu bidt vor ons Maria, 

Ghebenedijt soe si die nacht, 
Ave Maria 

Dat Jhesus was ter werelt bracht. 
Gratia plena 
gS Geloe/t sidi Maria 

[iiro] Nie en wert ter werelt kint 

Ave Maria 

Van moederherte soe seere gemint. 
Gratia plena 
100 Nu bidt vor ons Maria, 

Want doen hi ane den cruce hinc, 
Ave Maria 

Een sweert al doer haer herte ginc. 
Gratia plena 
io5 Geloejt sidi Maria, 



V. 81 Hs. ongeqiiets 

V. 100 Nu ontbreekt in het hs. 



Digitized by VjOOQIC 



#■■■■ 



— 5o — 

Dat was van menegen pinen groot, 
Ave Maria 

Ende boven [al] haers kints doot. 
Gratia plena 
iio Geloef t sidi Maria, 

[iiv<»] Ewangeliste sint Jan 

Ave Maria 

Sprac der droever moeder an : 
Gracia plena 
iiS Nu bidt vor ons Maria, 

a Troest u, lieve moeder mijn ; 
Ave Maria 

« Vervult moet die scriftuere sijn. 
Gracia plena 
I20 Geloejt sidi Maria. 

« Want ghi sult scouwen sonder waen 
Ave Maria 

« Den soeten Jhesus opverstaen ». 
Gracia plena 
125 Nu bidt vor ons Maria. 

[i2r°] Mettien sheilichs Vader cracht, 

Ave Maria 

Haer droeve herte wert versacht. 
Gracia plena 
i3o Geloe/t sidi Maria. 



V. io8 lïs. doots. — Al ontbreekt in het hs. De inlassching er van 
wordt door den zin gevorderd ; boi*en alleen is niet te verklaren. 

V. iio De t< rcpeticie )) der vorige strophc wordt hier herhaald, 
wel door vergissing van den afsclirijver. 

v. ii3 Hs. moeder ian. 



Digitized by VjOOQIC 



— 5i — 

V 

Geloeft soe si di maget Maria 

VI 

[i2vo] Nu laet ons singen, het es tijt : 

Est puer natus hodie 
Die ons allen heeft verblijt, 
Pro nostrorum crimine 
5 Hodie hodie natus est rex glorie. 

Die vader in der eewicheit, 
Est puer natus hodie 
Ontfermde onser allindicheit. 
Pro nostrorum crimine 
lo Hodie hodie. 

Dat Adam in den appel beet, 
Est puer natus hodie 
Dat mocht ons allen wesen leet 
Pro nostrorum crimine 
i5 Hodie hodie. 

Want wi daerom hier te voren 
Est puer natus hodie 
[i3ro] Moesten alle sijn verloren. 

Pro nostrorum crimine 
20 Hodie hodie. 



Nr V. — Van dit stuk, dat verder in zijn geheel voorkomt, onder 
nr X, staan op dit blad slechts enkele regels. Cfr. de Inleiding, bl. 3o. 

Nr VI. — Deze (c leis » komt ook voor, met sommige afwijkingen, in 
het Sutierlyc Boecxken van i5o8, bl. 27-33. De tekst er van werd door 
AcQUOY reeds gedeeltelijk afgedrukt in zijne verhandeling Kerstliederen 
en Leisen, t. a. pi., bl. 367 vlg., alwaar ook nadere inlichtingen, gemeld 
Boecxken betrefifende, te vinden zijn. In den tekst van i5o8 staan drie 
strophen, die hier ontbreken; zie de aanteekening bij w. 100 en ii5. 

V. 18 In plaats van verloren had de copiïste een ander woord be- 
gonnen; zij heeft het geschrevene uitgekrast, en er verl in de plaats 
voor gezet. 



Digitized by VjOOQIC 



- 52 — 

Die Godssone van hemelrike 
Est puer natus hodie 
Woude werden ons gelike. 
Pro nostronim crimine 
25 Hodie hodie. 

Daerom es hi hier nedercomen, 
Est puer natus hodie 
Ende heeft menscheit aengenomen. 
Pro nostrorum crimine 
3o Hodie hodie* 

Tot eender maget altehant 
Est puer natus hodie 
Heeft hi sinen ingel gesant 
Pro nostrorum crimine 
35 Hodie hodie, 

[i3vo] «God gruetu », sprac die ingel saen, 

Est puer natus hodie 
« Van Gode doe ie u verstaen. 
Pro nostrorum crimine 
40 Hodie hodie. 

« Ghi sijt vol gracien sonder waen, 
Est puer natus hodie 
« Want ghi den Godssone selt ontfaen; 
Pro nostrorum crimine 
45 Hodie hodie, 

« Want hi u daertoe heeft vercoren, 
Est puer natus hodie 
« Dat hi van u wilt sijn geboren ». 
Pro nostrorum crimine 
So Hodie hodie. 



Digitized by VjOOQIC 



— 53 — 

Als Maria dat verstoet, 
Est puer natiis hodie 
Wert si vervaert in haren moet, 
[141**] Pro nostrorum crimine 

55 Hodie hodie. 

Met vreesen sprac si den ingel an : 
Est puer natus hodie 
« Hoe sal dat sijn? En kinde noyt man ». 
Pro nostrorum crimine 
60 Hodie hodie. 

Die ingel sprac haer toe mettien : 
Est puer natus hodie 
« Maria, en wilt u niet ontsien; 
Pro nostrorum crimine 
65 Hodie hodie. 

« Die Heilege Geest sal u omvaen; 
Est puer natus hodie 
« Met sijnder cracht seldine ontfaen. 
Pro nostrorum crimine 
70 Hodie hodie, 

« In u sal groot wonder gescien 
[14V0] Est puer natus hodie 

« Van Gode, dat noit en was gesien, 
Pro nostrorum crimine 
75 Hodie hodie, 

« Noch nemmermeer en sal gescien ; 
Est puer natus hodie 
» Want ghi sult moeder ende maget sijn », 
Pro nostrorum crimine 
8q Hodie hodie. 



V. 66. Hs. omvaë» 



Digitized by VjOOQIC 



- 54 - 

Als Maria dat verboerde, 
Est puer natus hodie 
« Her engel », sprac si, « mettien woerde 
Pro nostrorum crimine 
85 Hodie hodie. 

« Soe moet my hierinne gescien; 
Est puer natus hodie 
« Die deerne Gods soe willic sijn ». 
Pro nostrorum crimine 
[i5ro] go Hodie hodie. 

Doen si dat sprac oetmoedelike, 
Est puer natus hodie 
Ontfinc si Gode van hemelrike. 
Pro nostrorum crimine 
95 Hodie hodie. 

Sonder pine ende sonder vaer 
Est puer natus hodie 
Ruste hi .ix, maent in haer. 
Pro nostrorum crimine 
100 Hodie hodie. 

In der nacht dat si gelach, 
Est puer natus hodie 
Van rouvi^e en was daer geen gewach. 
Pro nostrorum crimine 
io5 Hodie hodie. 

Die ingelen Gods van hemelrike, 
Est puer natus hodie 
[i5vo] Si songen alle blidelike : 

Pro nostrorum crimine 
iio Hodie hodie. 



V. 100 Na dit vers komt in het Suuerlyc Boecxken van i5o8 
éene strophe, die hier ontbreekt. 



Digitized by VjOOQIC 



— 55 — 

« Gloria in der eewicheit 
Est puer natus hodie 
(( Si der heiliger triniteit! » 
Pro nostrorum crimine 
iiS Hodie hodie. 

Die herden op den velden lagen; 
Est puer natus hodie 
Groote claerheit dat si sagen : 
Pro nostrorum crimine 
I20 Hodie hodie. 

Met vreesen soe waren si bevaen. 
Est puer natus hodie 
Die ingelen quamen bi hem staen : 
Pro nostrorum crimine 
125 Hodie hodie. 

[i6ro] « Ghi herden, en wilt u niet vervaren I 

Est puer natus hodie 
a Van Gode bringen wi u niemare : 
Pro nostrorum crimine 
i3o Hodie hodie. 

« Want ons es een kint geboren 
Est puer natus hodie 
« Van eender maget uutvercoren ». 
Pro nostrorum crimine 
i35 Hodie hodie natus est rex glorie. 



V. ii5 Na dit vers staan in den tekst van i5o8 twee strophen, 
die hier zijn weggevallen. 
V. ii6 Hs. opder 

Dialect. 4 



Digitized by VjOOQIC 






— 56 - 



Vil 



Kinder, nu loeft die maecht Marie, 
Si heeft vervult die prophecie. 
Si droech een kint, die maecht Marie 
Dat wonder en gesciede nie. 

5 Maria es eene sterre scone. 
Die ons verlicht aen den trone; 
[i6vo] Wie haer aanbeet, hi heeft te lone 

Jhesus Cristus, Marien sone. 
Kinder 

lo Maria es eene dageraert, 

Die vor der middernacht opstaet; 
Wie haer aenbeedt, hi heeft aflaet 
Van alder sundeliker daet. 
Kinder 

i5 Maria es eene triniteyt. 

Moeder van alder ontfermichey t ; 



N' VII. — Deze lofzang is ons al bekend uit het Deuoot ende 
Profltelyck Boecxken van iSSg; in Scheurleer's bovenvermelde 
uitgaaf, bl. 268. Onze tekst telt eene strophe meer, nl. de zevende, 
vv. 35-39. Ook de volgorde der strophen verschilt een weinig; bij 
Scheurleer staan de vierde fvv. 20-24) en de vijfde (vv. 26-29) in om- 
gekeerde volgorde. De afwijkingen zijn zonder belang. — BauMKKR, 
in zijn Niederldndische geistïiche Lieder, nebst ihren Singweisen (in 
het Vierteljahrschv.für Miisikwissenschaft, D. IV, 1888), bl. 192, deelt 
insgelijks de eerste strophe van dit vers mede, met verwijzing, wat 
de melodie betreft, naar zijn ander w^erk : Das KathoHsche deutsche 
Kirchenlied, Freiburg i. B., i886-i883, 2 dln. 

V. 4 Hs. gesciei. Het praesens past niet; men zou een imperf. 
verwachten, zooals dit ook werkelijk staat in dezelfde strophe, die 
aan het slot van het lied herhaald wordt (v. 52). Met het oog daarop 
leze men ook hier gesciede, 

V. 10 IIs. dageraert. In dezen vorm komt het woord wel in 
andere Mnl. geschriften voor (zie het Mnl. Wdb., i. v.); doch door 
de r hier te schrappen, zou men een zuiverder rijm bekomen. 

V. i3 Hs. sunderliker 



Digitized by VjOOQIC 



- 57 - 

Si es soe vol alder heilicheyt : 
Dats ons een groote salicheyt. 
Kinder 

20 Maria es eene volle vloet, 

Daer God aen nam vleesch ende bloet; 
Dat sal dengenen wesen goet, 
Die dienen om dat eewege goet. 
Kinder 

[17 r«] 25 Maria es eene rosé sonder doren, 

Die God tot eender moeder heeft vercoren. 
Eer Jhesus Cristus was geboren, 
Was dese werelt al verloren. 
Kinder 

3o Her Joseph viel neder op sijn knien : 
Hine conste dat wonder niet aensien. 
Dat kind, dat in de crebbe lach, 
Hi wiste wel, dat die Godssone was. 
Kinder 

35 Die ingelen die saten daer alle bi : 
Met grooter vrouden wiechden si; 
Met wonder waren si bevaen. 
Dat haren scepper soe was ghedaen, 
Kinder 

40 Die ingelen songen alle : « Sanctus ! 
« Die Heilege Geest es hier int huys, 
(( Geboren van eender jonger maecht, 
[17 vo] « Die onsen Vader soe wel behaecht. 

Kinder 

45 « Sijt willecome, her jongelinc, 
a Die ons van boven es ghesint, 
« Der reynder maget Marien kint, 
« Ende alder yngelen coninc ». 



w. 35-39 ontbreken bij Scheurleer. Cfr. de aanteekening op de 
vorige bladzijde. 



Digitized by VjOOQIC 



sè 



Kinder, nu loeft die maecht Marie, 
5o Si heeft vervult die prophecie. 

Si droech een kint, die maecht Marie 
Dat wonder en gesciede nie. 



VIII 

Laet ons met herten reyne 
Loven dat suete kindekijn; 
Het brinct ons uter weyne. 

Die vader van hierboven 
5 Sprac sinen ingel an : 
[i8 r®] «Ie wille die helle scoren, 

« Verlossen wijf ende man. 
« Gaet wech toter fonteynen, 
« Marien claer aenschijn, 
lo « Ende segt haer wat ie meyne. 
Laet ons 



N' VIII. — Deze leis komt voor in het Suuerlyc Boecxken van i5o8, 
bl. 7-1 1 ; door Aquoy werd zij medegedeeld in zijne verhandeling Kerst- 
liederen en Leysen, t. a. pi., bl. 368-371, en later opgenomen, met de 
melodie, in zijn bundel Middeleeuwsche geestelijke liederen en leysen, 
met eene klavierbegeleiding naar den aard hunner tonen (Den Haag, 
1888), onder nr XXIV. Ook BauMKER, Niederl. geist. Lieder, t. a. pi., 
geeft het onder nr 48. Verder komt het nog in andere oude liederver- 
zamelingen voor. — De tekst van i5o8 telt slechts tien strophen (die, 
welke aan de zesde en de negende van onze redactie beantwoorden, 
ontbreken); bij BauMKER staan er twaalf, zooals hier. De volgorde 
der strophen wijkt in het Parijsche hs. merkelijk van die der andere 
redacties af; maar zij schijnt beter dan overal elders; immers, de 
strophen, die in de andere teksten aan het begin komen (nl. de 
eerste twee), passen werkelijk beter aan het slot. Daar werd reeds 
boven, bl. 32, op gewezen. — Wat de afwijkingen in den tekst zelf 
betreft, zij zijn nog al talrijk en niet zonder belang ; zij worden hier 
echter niet in bijzonderheden medegedeeld en besproken, evenmin 
als die van de andere stukken, waar nog elders de tekst van voorkomt. 



Digitized by VjOOQIC 



- 59 - 

« Gruet my wel vriendelike 
a Die suete, suver juecht, 
« Ende segt haer blidelike, 
iS «Si mach wel sijn verhuecht; 
« Want si, ende el negeene, 
a Gods moeder moet si sijn ». 

Laet ons 

20 Al binnen Nazarette 
Quam dingel Gabriël. 
Hi gruete die violette 
Met suete woerden snel : 
« God gruete u, suver reynel 
[18 vo] 25 «Vol graden es u schijn! 
« God es met u gemeyne! 
Laet ons 

« Bi u soe sal becliven 

« Dat Adam heeft ontvrijdt; 

3o « Want boven alle wiven 
« Sidi gebenedijt. 
« Ghi selt ontfaen een greyne 
« In 'uwer herten scrine, 
« Ende bliven een maget reyne ». 

35 Laet ons 

Si sprac oetmoedelike : 

« Hoe soude dat gescien? 

« En kinde sekerlike 

« Noyt man; des wondert mie 



V. 17 Hs. sine. Lees echter sijn (zooals beneden, v. 41) ; het wordt 
vooreerst door de grammatica voorgeschreven, en verder bevestigd door 
de rijmen van w. 9, 25, 41, enz. Vgl. BjIumker, t. a, pi., bl. 25o. — Na 
dit vers is blijkbaar een regel weggevallen. In het Suuerlyc Boecxken 
van i5o8 luidt hij : cc ick ben met haer gemene ■ . 

v. 33 Men zou, met het oog op de vv. 9 (aenschijn), 25 (schijn), 
enz. hier scrijn verwachten, en evenzoo beneden, vv. 49 kindekijn, 
57 en 81 pijn, 65 mijn, 89 fijn, 97 medecijn. 



Digitized by VjOOQIC 



— 6o — 

40 « Dat ie, ende el negeyne, 
a Gods moeder soude sijn. 
« Mijn herte es cout als steyne ». 
[19 fo] Laet ons 

Die ingel sprac tot hare : 
45 «O weerde, suver maecht! 

a En sijt in genen vare. 

« Hets wonder dat ghi claecht; 

» Want ghi selt sonder peyne 

(( Baren een kindekijn, 
5o « Ende bliven maget alleyne, 
Laet ons 

« Die Heilege Geest sal comen 
«In u, wel suver wijf, 
« Ontfaen, tot onser vromen, 
55 « Aen u menscheüjc lijf, 

« Hi wilt afdwaen die bleyne, 
« Verlossen uter pine 
« Alle sine vrienden gemeyne ». 
Laet ons 

60 Die maecht haer conforteerde 
[19 vo] In dat haer dingel seide, 

Ende si respondeerde : 
« Tot Gode benic bereit. 
« Na uwen woerden reyne, 
65 « Stellic den willen mine; 

« Siet hier Gods deerne cleyne ». 
Laet ons 



V. 47 Hs. Het 

w. 48-49 Het hs. heeft resp. pine en kindekine. Zooals blijkt uit het 
rijmschema der overige strophen, rijmt pine niet op kindekine, maar 
op alleyne van v. 5o. Men leze daarom peyne en kindekijn, welk 
laatste rijm gesteund wordt door die van vv. 9, aS, enz. Zie boven 
de aanteek. bij vv. 17 en 33. 

v. 56 Voor de beteekenis van bleyne , zie de Inleiding, bl. 35. 

v. 59 De verzen 52-59 staan in het hs. vóór de vv. 44-5i; dat 
zal wel eene vergissing van de afschrijfster zijn. 



Digitized by VjOOQIC 



f 



— 6i — 

Die yngel sciet van daer; 
Maria bleef bevrucht. 

70 Sonder wee oft vaer, 
Oft sonder herteversucht, 
Baerde die edel, suver greyne 
Den hemelschen drochtijn, 
Des Vaders Sone alleyne. 

75 Laet ons 

Ons es een kint geboren, 
Een sone gepresenteert, 
Hi comt die helle scoren, 
[20 r°] Als mensche gefigureert. 

80 Hi wilt ons alle gemeyne 
Verlossen uter pine. 
Met sinen bloede alleyne. 
Laet ons 

Dies mogen wi wel dan eken 
85 Der maget, diene droech 

In haer wel suver lancken : 

Die dracht haer niet en verwoech. 

Nu laet ons, groot ende cleene, 

Loven die maget fine; 
go Si brinct ons uter weyne. 
Laet ons 

Gelooft soe moet si wesen, 
Nu ende in alder tijt! 
Bi haer sijn wi genesen, 
95 Ende bracht in dit jolijt. 
O weerde, suver reyne, 
[20 vo] Des sondeers medecine, 

Bidt vor ons gemeyne! 
Laet ons 



V. 89 Hs. ionen 
V. 96 Hs. suner 



Digitized by VjOOQIC • 



62 — 



IX 



Een kindeken es ons geboren 
In Bethleëm; 

Dies hadde Herodes toren, 
Dat scheen aen hem. 

5 Als Herodes dat vernam, 

Dat dat kindeken geboren was, 
Dies was hi tornich ende gram. 
Want hi ontsach hem das, 
Dat hi verliesen soude 
lo Sijn rike, was groot. 

Hi peinsde hoe hi mocht bringen 
Dat cleyne kint ter doot. 
Een kindeken 

[21 r^l Drie coningen uut orienten 

i5 Quamen te Jherusalem. 

Si vraechden waer hi was geboren. 
Die coninc der Joden. 
Si sagen in orienten 
Die sterre fijn; 



N' IX. — Dese leis komt voor in het Suuerlyc Boecxken van i5o8, 
bl. 3-7, alsmede in verschillende liederboeken van lateren tijd (XVIe- 
XVIIe eeuw). Hoffmann, Hor, Belg», X, 27 sqq., en BauMKER, 
Niederl. geistl. Lieder, t. a. pi., onder nr i3, hebben haar ook op- 
genomen. Overal elders heeft het stuk ééne strophe meer dan in 
ons hs. — C/r, bl. 32, noot 2. 

V. 10 Over het uitlaten van het relatieve voornaamw., zie Stoett, 
Mnl. Syntaxis, § 193. — C/r. XXII, 22, waar wij een dergelijke 
constructie hebben. 

V. II Hs. moch 

V. 19 Hs. Die verbeterd uit de, dat eerst geschreven stond; van 
de e werd eene i gemaakt, en daar dan eene e aan toegevoegd. 



Digitized by VjOOQIC 



— 63 — 

20 Si wilden hem aenbeden : 
Hi es soe fijn. 
Een kindeken 

Herodes sprac den coningen toe 

(( Nu gaet ende soeket tkint 
25 « Met alsoe grooter weerdicheit. 

« Men seit, hi es coninc; 

« Coninc boven alle coningen, 

a Soe es hi fijn. 

a Men seit, hi sal besitten 
3o « Dat rike mijn. 
Een kindeken 

[21 v«] « Als ghi dat kint hebt vonden, 

« Keert vvreder tote my, 
« Dat ie, in corten stonden, 

35 « Mach weten waer het si; 
ff Dat ie mach aenbeden 
(( Dat suete kindekijn. 
a Het heeft soe seer doersneden 
« Dat herte mijn! » 

40 Een kindeken 

Alse die coningen quamen 
Buten Jherusalem, 
Met vrouden dat si sagen 
Die sterre gaen vor hem, 
45 Toter tijt dat si vonden 
Dat suete kindekijn 
In doekelkine gewonden, 
Al bider moeder sijn. 
Een kindekijn 



Digitized by VjOOQIC 



p 


^ 


w 




m 




i 




ê- 





- 64 - 

[22 r*] 5o Die coningen aenbeden tkint 
Van .xiij. dagen out; 
Si ofiferden hem met onsten 
Mirre, wieroec ende gout, 
Ende al met grooter vrouden. 
55 Het scheen wel sijn noet : 
Si vondent daer ter stede 
Van haven bloet. 
Een kindeken 

Tsnachts, alsi slapen souden, 
60 Quam dingel tote hem. 

Dat si niet keeren en wouden 

Al dore Jherusalem. 

By eenen anderen wege 

Soe sijn si gekeert 
65 Al in haer coninckrike, 

Soe men ons leert. 
Een kindeken 

[22 V®] Nu bidden wi den kinde, 

Dat Jhesus es genamt, 

70 Dat hi ons wille bringen 
Al in dat soete lant, 
Daer die ingelen loven 
Gode in alder tijt. 
Des onne ons die Vader, die Sone, 

75 Die Heilege Geest gebenedijt. 

Een kindeken es ons geboren 
In Bethleëm; 
Dies heeft Herodes toren, 
Dat scheen aen hem. 



V. 69 Hs. genaemt; lees « genamt j> wegens het rijm op « lant », 
V. 71. Vgl. Mnl. Wdb.y op genaemt en gênant. 



Digitized by VjOOQIC 



65 



[23 r®] Gelooft soe si die maget Marie 

Van hemelrike. 

Her Jhesus was van haer geboren 
Op erterike. 
5 Maria, maget uutvercoren, 

Ghi hebt verlost dat was verloren, 
Bij uwer dracht. 

Ons es Her Jhesus Kerst geboren, 
In deser nacht; 
lo Ons es Her Jhesus Kerst geboren, 
Ter middernacht, 

Doen die yngel Gabriël 
Ter maget quam, 
Daer hise in haer heymelijcheit 
iS Alleene vant, 

Hi sprac : « God gnietu, reyne maecht; 
<i Ghi sult van my sijn onversaecht 
[23 vo] « Van uwer dracht ». 

Ons es 



Nr X. — w. 17-18 Men zou kunnen lezen alsof met onversaecht de 
zin uit is, en er daarom een punt achter plaatsen. R. 18, van uwer 
dracht, schijnt er moeielijk mede verbonden te kunnen worden, en zou 
er maar staan, omdat het als refrein noodig is, zooals het verder nog 
voorkomt, zonder eigenlijk te passen bij de voorafgaande verzen (zie 
b. V. beneden, v. 71). — Verbindt men echter de twee regels, dan 
wordt de zin : a Gij zult door mij van vrees (of schaamte) over (of ten 
opzichte van) uwe dracht bevrijd worden ». Doch het schijnt mij 
hoogst twijfelachtig dat de dichter juist zulke woorden in den mond 
van den engel wil leggen ; het zou in alle geval, wel . een weinig 
vreemd mogen heeten. Andere soortgelijke plaatsen uit onze verzame- 
ling (Nrs III, i3; IV, 41; VI. 63; VIII, 46; XXXI, 18) steunen die 
opvatting niet; evenmin de Bijbelsche teksten. 



Digitized by VjOOQIC 






^ 



— 66 — 

20 Maria, sine antworde niet; 

Si sweech al stille, 

Vor si des ingels woerde verstoet 

£nde sinen wille; 

Hi seide, si soude een kint ontfaen, 
25 Dat Jhesus soude heeten al sonder waen, 

Een edel dracht. 
Ons es 

Alse Maria dat verstoet 
In haren moet, 
3o Sprac si : « Hoe mochtic dies geloven ? 
« Maect my des vroet. 
« Want ie noit man en hebbe bekint, 
« Noch begeert, noch gemint, 
« Oft eenege dracht ». 
[24 r«] 35 Ons es 

Die ingel sprac : « Wilt my verstaen : 
« Die cracht des Heren sal u omvaen, 
a Daermede suldi geheilicht sijn, 
« Ende bliven maget fijn, 
40 a Van uwer dracht ». 
Ons es 

Als Maria dat verstoet 
In haren moet, 

Sprac si : « Siet hier die deerne Gods 
45 a In der oetmoet. 



vv. 20-26 Deze strophe telt acht verzen in het hs. De afschrijfster 
heeft V. 25 over twee regels verdeeld : 

Dat Jhesus soude heeten 
Al sonder waen. 

V. 38 Hs. stdi 

vv. 36-40 Strophe van slechts vijf verzen. Vermoedelijk is echter 
niets uitgevallen, evenmin als beneden, vv. 66-71 en io5-no, aan welke 
strophen ook in het hs. éen regel ontbreekt. Men zou, om zeven regels 
te hebben, zooals in de andere strophen, verstaen (v. 36) en omvaen 
(v. 37) elk als een afzonderlijk vers kunnen tellen. 



Digitized by VjOOQIC 



- 67 - 

« Aldus soe moet my vergaen, 
« Dat ie mach moeder ende maget volstaen 
a Van deser dracht », 
Ons es 

5o Maria droech die edel dracht 
Der negen maent. 
, Te Bethleem lach si daer af 
[24 v**] Al onvervaert. 

Doen waren vervult die saken 
55 Daer die propheten te voren af spraken, 
Van dese dracht. 
Ons es 

Te Rome stont een huys gemaect 

Van stenen gedaen. 
60 Daer stont met letteren ane gescreven : 

« Dit huys sal staen, 

« Ende en sal nimmermeer vergaen, 

« Vor een maecht heeft een kint ontfaen, 

« Een edel dracht ». 
65 Ons es 

Die propheten seiden overwaer, 
Dat dat huys meer hadde gestaen 
Dan dusent jaer. 
Als Maria was gelegen, 
70 Viel dat huys altemale terneder, 
[25 r*] Van hare dracht. 
Ons es 

Den heiden op den velde soe dede 
Dingel cont, 
75 Dat God geboren ware van eender 
Maget jonc. 



vv. 66-71 Strophe van zes regels. Te oordeelen naar den zin, is echter 
niets uitgevallen. Van hare dracht moet zooveel zijn als : (« ten ge- 
volge van, door hare dracht ». Vgl. boven de noot bij vv. 17-18. — Door 
van overwaer (v. 66) een afzonderlijken regel te maken, zou men zeven 
verzen hebben, evenals in de andere strophen. Zoo ook beneden, v. io5. 

V, 73 soe dede staat in het hs. op den volgenden regel, en evenzoo 
van eender van v. 75. 



Digitized by VjOOQIC 



— 68 — 

Die ingelen, die hier boven sijn, 
Dreven bliscap sonder keeren 
Al voer die dracht, 
80 Ons es 

Ter selver uren spranc een fonteine 
Van oliën, 

Als ons doet weten die scriftuere 
Der rolien. 
85 Die olye der ontfermherticheit, 

Die es geboren der menschelijcheit, 
In deser nacht. 
Ons es 

[25 vo] Men leide dat kint in doekelkine 

90 Al voir die coude, 

Omdat den adem van den beesten 
Verwermen soude. 

Daer mocht men groot wonder sien : 
Die beesten vielen op haer knien 
95 Al voir die dracht. 
Ons es 

Het stont een sterre in orienten 
Wel wonderlijc; 

Si was soe claer, dat si verlichte 
100 Der sonnen blic. 

Als Balam hadde geseet te voren, 
Daerbi wiste men dat was geboren 
Die edel dracht. 
Ons es 

io5 Die prophete Balam seide overwaer, 
Dat die sterre niet en stont 
[261^] Daer dander staen; 

Si stont beneden in die locht; 

vv. 77-78 Deze regels zijn niet in orde met betrekking tot de versificatie. 
V. 84 Over rolien (d. i. c< rol »), zie de Inleiding, bl. 34. 



Digitized by VjOOQIC 



- 69 - 

Si leiden die coningen in die crocht, 
iio Daer tkint in lach. 
Ons es 

Alse die coningen hadden gedaen 
Haer offerande, 
Sijn si wederomme gekeert 
ii5 Tot haren lande. 

Doen quamen si tNapels ane ; 
Te Colene liggen si begraven, 
In een dierbaer gracht. 
Ons es 

I20 Nu bidden wi der moeder Gods, 
Al sonder verlaet, 
Dat si ons hoeden wille 
Van alre quader daet, 
[26 v**] Soe dat wi alle comen mogen 

12S Daer die ingelen Gode loven 
Nacht ende dach. 
Ons es Her Jhesus Kerst geboren 
In de^er nacht. 

XI 

Die dorstich sijt draecht bliden moet : 
Men biedt u drincken; 
Uut levende vijf rivieren 
Wilt men u scincken. 



vv. io5-iio Strophe van zes regels. Doch vermoedelijk is niets uit- 
gevallen; cfr. boven vv. 36-40. Men leze overwaer, v. io5, als een 
afzonderlijk vers. In het hs. is het v. 109 over twee regels verdeeld : 
Si leiden die coningen 
In die crocht. 
Nr XI. — w. 1-2 Hs. Die dorstich sijt draecht bliden 

moet. Men biedt u drincken. 
V. 3 De « levende vijf rivieren » zijn de vijf wonden van Christus. 
C/r. Nr XII. 17 en XLV, 29. 



Digitized by VjOOQIC 



~ 'JO — 

5 Hi jiep met luder stemmen : 
« Die dorst, die come tot myl 
« Mijn herte es u ontploken, 
« Ie wille u maken vry. 

a Ie vloye al vol genaden; 
lo « Waerom ontloepti my? 
« Al sidi vol mesdaden, 
« Ie stonde u gerne bi. 

[27 r<>] « Comt hier, ie ben u eygen, 

« Drinct uter volder vloet! 
i5 «Ie wille my tuweert neygen, 
« En seineken mijn hertebloet. 

« Mijn aderen sijn al open, 
« Si vloeyen edelen wijn; 
« Drinet alle uut desen nappe, 
20 « Hi en moeht niet edelder sijn. 

« Mijn arme sijn u ontploken; 
« Ie waehte oft ghi yet eomt; 
« Met openen banieren 
a Bied ie u minen mont ». 

25 Hi en eonste niet langer geliden. 
Van minnen vloeide hi al; 
Hi nam u menseheit ane, , 
Ende liet der ingelen val. 



V. 28 Het hs. heeft duidelijk den (lees der) ingelen val. Ik vermoed 
dat het zonderlinge val niets anders kan zijn dan het Fr. val =^ « vallei ». 
Der ingelen val is dan eene omschrijving voor « den hemel ». Wel heb 
ik geen tweede bewijsplaats voor die verklaring, en Prof. J. Verdam, 
dien ik raadpleegde, heeft evenmin val met die beteekenis aangetroffen ; 
doch het woord kan wel bestaan hebben. In het Leven van sinte Fran- 
ciscus komt, v. 1487, de dat. vale voor, en, v. i534, de nom. vael (onz.).— 
Ik zou het in alle geval, met het oog op deze plaatsen, niet gerechtvaar- 
digd vinden de lezing te wantrouwen, en te veranderen in dal, hoewel 
die emendatie doodeenvoudig is, en de zin dezelfde blijft. 



Digitized by VjOOQIC 



— ^1 — 

Hi beete tot hier neder; 
3o Een vrouwe hadden gevaen. 
[27 V*} Hi makese coninghinne, 

Ende woude te haren wille staen. 

Bewijst, o edel vrouwe, 
Dat ghi ons moeder sijt; 
35 Leit ons nu vor den Here : 
Ghi sijt gebenedijt. 

Dat vaderlike vloeyen 
In meechdeliker wijs 
Hebdi ons nedergetrocken, 
40 Der hoger genaden rijs. 

Ghi sijt soe overedel 
Ende hebt den meesten prijs, 
Ende 00c sonder gelike 
Int hemelsche paradijs. 

45 U scoen genadege ogen 
Slaet neder in dit dal, 
Uwer edelder milder herten 
Blive ons co vent bevolen al. 



XII 

[28 ro] Die spiegel der genaden sijt, 

Helpt ons noch na deser tijt, 
Daer die bliscap niet en yndt. 

Die vroude en nemt daer geen inde; 
5 Daer en es siecheit noch allinde 
In die hemelsche, suete stat. 



V. 43 Versta : « Ende (ghi sijt) 00c sonder gelike », enz. 

Dialect. 5 



bigitized by VjOOQIC 



— 72 •- 

Sonder mate es daer jolijt, 
Eeweüjc duerende sonder tijt; 
Die coninc hout daer altoes hof. 

lo Sonder sorge mach men daer hoven; 
Die mechtich coninc van hierboven, 
Hi betaelt altoes gelach. 

Sijn open herte, edel en fijn, 
Dat scinct daer den coelen wijn 
i5 Die daer altoes overvloeyt. 

Een levende fonteyne daer altoes groyt, 
Met .v, aderen si overvloeyt; 
Daer leet die scat des hemels in. 

[28 v**l Dat sterven es daer al verdreven ; 
20 Men can daer niet dan blidelic leven 
In den sconen, bloyenden mey. 

Hitte, noch coude, noch geen verdriet, 
En heeft die lieve geselscap niet; 
Si sijn in vroudich sonnescijn. 

25 Ie ben daer ballinc (dats my te sware) 
In die suete, hemelsche scare, 
Daer ie kint der genaden soude sijn. 

Die Heere heeft ons daer terwe geset, 
Daer die ingelen houden die wet. 
3o Lieve Heere, w\lt ons daer ontfaen 
Als ons ziele uten lichame sal gaen. 
Amen. 



V. 25 Hs. sw\ 

V. 17 Vgl. Nr XI, 3 en de aanteekening aldaar. 

V. 28 Vgl. Nr II, 24. 



Digitized by VjOOQIC 



73 - 



XIII 

|29ro] Kinder, loeft den ingel fijn; 

Hi vliecht soe hoge vof Gods aenscijn, 
Ende es hem soe bequame. 
Dat hiten scierde hem selven gelijc; 
5 Franciscus es sijn name. 

Wi vinden alleen van hem bescreven. 
Dat hem die Godssone woude geven 
Sijn wapen al ongebroken; 
Daerom es hi hem meest gelijc, 
lo Heeft ons scriftuere gesproken. 

Nu laet ons eeren den ingelscen man. 
Die den hemel versieren can 
Met wapenen sonder gelike; 
Hi leit ons vor den ingelen rey, 
i5 En ciert dat hoge rike. 

[29 y^] Als ie doergae dat hemels lant, 
Ende aensie soe menegen sant 
Geciert met duechden scone, 



N' XIII. — Dit gedicht komt tweemaal voor in ons hs. {c/r, de 
Inleiding, bl. 3o).- De afwijkingen zijn zonder belang, en betreffen 
meest de spelling. — Ook in de liederverzameling van i539 wordt dit 
vers aangetroffen; in Scheurleer's uitgave op bl. 128. Onze tekst is 
echter veel vollediger ; hij heeft negen strophen, terwijl er daar maar vijf 
staan, van welke vijf er slechts vier met de onze overeenkomen; de 
strophen i, 2, 3, 4, 5 bij Scheurleer beantwoorden resp. aan strophen 
z, 5, 4, 7 van onzen tekst; de 5^ strophe bij Scheurleer ontbreekt 
in onze redactie. 

v. 4 Hs. hiten (In nr XLVI, v. 4, staat eveneens hijten). Vgl. 
in het Haarlemsch hs. der Pelgrimage (te Brussel, ao 1453 geschreven), 
f. 76 ro : dat ghijten (den staf nl.) nederleggen sout 

V. 12 Nr XLVI heeft Die hem selven verschieren can 

v. 14 Nr XLVI Hij leet nu voer 



Digitized by VjOOQIC 



- 74 - 

Soe en ha nieman die wonden dan hi, 
20 Gelijc den sueten Godssone. 

Recht armoede was sijn scat, 
Want hi niet en woude, noch niet en besat 
Van geenen eertschen dingen; 
Daerom es hi nu hoechst gecroent, 
25 Aldaer die ingelen singen. 

Niet gelijc den gemeynen sant 
Es sinen loen int hemels lant, 
Maer van den hoechsten steden; 
Hi heeft met siere oetmoedicheit 
3o Den hemel al doertreden. 

[3o r"] O suete vader, o weert patroen, 

Bidt uwen broeder, den Godssoen, 
Dat hi ons wil vergeven 
Ons mesdaden menichfout, 
35 Al in dit broesche leven. 

O suete vader, bewijst u duecht, 
Want ghi vor alle man vermuecht 
Comen ten veegevier stringe, 
Alle jare op uwen dach; 
40 Bewijst aen ons u minne! 



V. 19 Nr XLVI, V. 19, heeft insgelijks den praeteritumsvorm ha. Zie 
daarover de Inleiding, bl. 35, waar al gezegd werd dat het wantrouwen 
tegen dien vorm mij ongerechtvaardigd schijnt. Immers, in Hennen 
VAN Mbrchtenen's Comikc van Brabant, uit de i5eeeuw, treffen wij dit 
practeritum reeds herhaaldelijk aan, en in de i6e eeuw komt het bij 
Brabanders en Vlamingen tallooze malen voor; die vorm moet dus 
al vóór de i5e eeuw ontstaan zijn. In zijne Middelnederlandsche 
geneeskundige Recepten en Tractaten (Gent, 1894) geeft Prof. W. L. de 
Vreese een vorm ghe op (nr ii5, bl. 40), imperat. van gheven; 
de voor deed is in de i6e eeuw ook zeer gewoon. Ha, ge en de 
nu zijn in overeenstemming met onze tegenwoordige dialecten; zoo 
is, in verschillende Zuidndl. dialecten, het praeterit. van hebben niet 
had, maar ha. De vorm is dus oud. 



Digitized by VjOOQIC 



r 



- 75 - 

Als wi sijn in die groote noet, 
En liggen in die bitter doot, 
O ingel vol genaden, 
Toent ons dan u wondeken roet 
45 Ghi sijt vol cantaten. 



XIV 

[3o vo] Ghi sijt daert alle tijt es mey, 

O minnere der drie persone, 
Verheven in der yngelen rey 
Met sonderlingen lone. 

5 Als ie aensie vore ende nae 
Alder heilegen leven, 
Soe en quam niegeen [te] soe hogen stae, 
Daer ie af vinde bescreven. 

Die ewangelist scrijft openbaer, 
10 Alsr wi lesen en singen, 

Dat hi sach, in der sonnen claer, 
Neercomen den anderen ingel. 

En quam nie heilich overwaer 
Tot soe grooter eeren, 
i5 Dat hi heymelic, oft openbaer, 
f3i T^] Die .V. wonden droech ons Heeren, 



Nr XIV. — V. 7 Stae is op te vatten als een substantief; het staat 
voor stade, en dit voor state, dat. van staet, d. i. « plaats, rang ». 
Vgl. Pro^a-Reinaert (uitg. Muller en Logeman, Zwolle, 1892), 
bl. iSg, aanteek. op 7,5 en bl. 211. Het voorzetsel, dat ontbreekt, 
is door mij bijgevoegd. 

V. 13 Hs. dan 



Digitized by 



Google 



- 76 - 

Dan alleen die ingelsche man, 
Franciscus als ie bekinne, . 
Uut den seraph die tot hem quam; 
20 Dat dede sijn groote minne. 

Die minne was seker groot, 
Die hi droech ten cruce ons Heren; 
Daerom, twee jaer vor sine doot, 
Wouden God hiermet eeren. 

25 O rosé roet, geeft ons u hant; 
O ingel der genaden, 
Trect ons in dat hemels lant. 
En wilt ons niet versmaden. 

O lielie wit, o claer fonteyne, 
[3i V*] 3o Ghi vloeyt tallen boerden, 
Ghi sijt suver ende re3me, 
Vol godliker woerden, 

O violette, doer u oetmoet, 
In u soe staet mijn hopen; 
35 Wi souden alle, waren wi vroet. 
Tot uwer genaden lopen. 

Al ons covent bevelic u, 
O bloeme scoen van goude, 
En can u niet volloven nu : 
40 U doget staet menichfoude. 



vv. 21-24 Een hiermede ongeveer gelijkluidende strophe treffen 
wij in het volgende stuk aan, vv. 21-24. Zie aldaar. 

V. 3o Tallen boerden d. i. tallen boorden^ tallen kanten; de fontein 
vloeit aan alle kanten over. 



Digitized by VjOOQIC 



— 77 - 



XV 



Franciscus in den beginne sijn sinne 
Gaf Gode al sonder waen; 
Hoge volmaecte minne daerinne 
Déde hem al volstaen. 

[32 r®] 5 Wat men Franciscus dede, 
Dat stont hem al gelijc; 
Hi wist der minnen sede; 
Hets recht, hi was seer rijc. 

Minne die hadden gebonden, 
lo Verslonden uut hem selven al; 
Hi bleef sonder sonde ten stonden 
Doen hi van minnen qual, . 

Die brant der hoger minnen 
Die hadden soe ontsteken, 
i5 Dat hi droech van binnen, 
Dat moeste ooc uutbreken. 

Dat was wel inschine 
Doen sijn herte was gewont; 
Hande ende voete die sine, 
20 Daer hi pine aen hadde menege stont. 

[32 vo] Tote den cruce ons Heeren 

Was sine minne groot; 
God wouden hiermet eeren 
Twee jaer voir sijn doot. 



Nr XV. — V. I Sijn sine staat aan den rand bijgeschreven. Met het 
oog op het middenrijm van w. lo, 20, 26, 28, 34, 36, 42 en 44 zou men 
met die woorden misschien r. 2 kunnen beginnen, en r. 4 met daer inne. 

w. 21-24 Cfr, de regels 21-24 van het vorige stuk, die hiermede 
een treffende overeenkomst vertoonen. 



Digitized by VjOOQIC 






- 78 - 

25 Nie man en was geboren, 
Te voren oft na in deser tijt, 
Die daertoe was vercoren : 
Wilt horen dat die scriftuere lijt. 

Hi was al sonder hebben, 
3o Want hi niet en besat; 
Ie wils seker seggen : 
Reyniche)rt was sijn scat. 

Daerom der mechden crone 
In den trone hi sonder twifel draecht, 
35 Daer hi heeft te loene 

Gods sone, dien hi wael behaecht. 

[33 ro] Dafgront sijnre oetmoedicheit, 

Die heeft dat vercregen, 
Dat hi es in der eewicheit 
40 Seer hoechlijc verheven; 

Daer hi met waerheiden 
Der weiden godlij es wesens pleecht, 
Daer hi moet, sonder beiden, 
Geleiden alle dat nu leeft. 



XVI 

Laet ons eeren ende loven 
Eenen hogen sant; 
Hi siert met edelen doechden 
Al dat hemels lant. 



V, 34 Hs. draget; lees draecht wegens het rijm op behaecht van v. 36. 
V. 42 De zin is : Hij gebruikt daar de weide, het veld, de plaats 
waar God is, d. i. hij is in den hemel. 



Digitized by VjOOQIC 



— 79 — 

5 En hi sal comen ten ordeel Gods 

Beteekent metten teeken 
Des eewichs n/oorts. 
Metten heiligen .v. wonden; 
[33 v<>] Dat wet voirwaer^ 

10 Dit selen wi daer scouwen openbaer, 

In erterike ende in hemelrike 
En vint men niet, 
Dat dese groote eere 
Yemende es gesciet. 
i5 En hi sal comen 

Hi heeft verlicht al kerstenheit, 
Dese hoghe man, 
Met drien heilegen ordenen 
Die hi stichte dan. 
20 En hi sal comen 

Hi es een vader der Minderbrueders 
Ende der Claren, dat wet, 
Ende ooc der Derder Orden 
Es hi een prinse geset. 
25 En hi sal comen 

[34 ro] Franciscus es een bloeme 

Der genadicheit gepresen. 
Die willen, mogent 
In sijn leven lesen. 
3o En hi sal comen 

Int hoechste willich armoede 
Soe was hi geraect, 



w. 5-10 Aan het «refrein» moet geknoeid zijn; ten opzichte van 
de versificatie is het blijkbaar niet in orde. 



Digitized by VjOOQIC 



— 8o — 

Van miltheden ende van minnen 
Was hi al volmaect. 
35 En hi sal comen 

Franciscus es een die meeste 
Geminde in hemelrijc, 
Want die almechtich coninc 
Tsierden hem selven gelijc, 
40 En hi sal comen 

In handen, in voeten, int herte fijn. 
Hi mach wel een claer spiegel sijn, 
Die al verblijt dat hemelsce hof; 
f34 vo] Des heefti eere ende lof. 
45 En hi sal comen 

Nu hulpt ons, heilege vader, 
Noch na deser tijt 
Onder u banieren, 
Want si es herde wijt. 
5o En hi sal comen 



XVII 

Nu laet ons sinte Franciscus loven 
Met overgrooter werdicheit. 
Want hi es int hof daerboven 
Alte blidelijc gemerct. 

5 In den alderoversten trone 
Es dander ingel nu geset; 
Daer ontfeet hi sinen lone 
Vor Gods aenscijn int rike, dat wet. 



Nr XVII. — V. a Hs. w dicht 



Digitized by VjOOQIC 



— 8i — 

[35 r^] Des conincs banieren sijn üutgesteken 

lo Anderwerf in desen sant, 

Daermet es dese ridder geteekent 
In dat rike vaders lant. 

Hierin en heefti geen gelike 
In al dat keyserlike hof, 
i5 Noch ooc hier op erterike; 

Dies moet hi hebben eewich lof. 

Dit beelde gelijct den levenden God, 
Men nemmermeer voleeren en can; 
Dat es Franciscus, ons heilege vader, 
20 Dees weerde, hoge vercoren man. 

Hi heeft drie ordenen hier gesticht, 
Ons heilege vader openbaer; 
Daer es al erterike mede verlicht, 
[35 vo] Ende ooc den hemel, dat es waer. 

25 Franciscus es die ander ingel, 

De levende Gods bullen dat hi droech. 
Want dander ingel was soe geteekent, 
Dat vinden wi in die scriftuere genoech. 

Nu helpt ons, suete heilige vader, 
3o In u orden soe wel staen. 

Dat wi, na dit broessche leven, 
In uwe baniere worden ontfaen. 



V. 10 Hs. sanc 

V. II Hs. geteeken 

V. 17 Beelde, d. i. «gedaante, gestalte»; cfr, d^ Inleiding, bl. 35, 
voor die ongewone opvatting. 

V. 21 Vgl. nr XVI, w. 18-24. 

V. 26 « Bullen » d. i, zooveel als de schriftelijke bewijzen der 
authenticiteit zijner zending. Cfr. de Inleiding, bl. 35. 



Digitized by VjOOQIC 



— 82 -« 

XVIII 

Tot sinte Cl aren. 

Laet ons sinte Claren loven, 
Die gloriose maecht; 
Si regneert int rike daerboven, 
Daer si haren lieve behaecht. 

[36 ro] 5 Si es int licht der heilicheit, 
Ende een lielye scone; 
Si blict in hoger weerdicheit 
Als een vergulden crone. 

Eerse haer moeder soude gebaren, 
10 Sprac God, dat si was een licht. 
Dat die werelt soude verclaren; 
In huer was sijn duecht gesticht. 

O edel violette, 
Vol der oetmoedicheit, 
i5 Een spiegel al sonder smette, 
Een bloeme der reynicheiti 

God woude haer vroude meeren 
Met grooter weerdicheit; 
Si sach die crebbe ons Heeren 
20 In harer allindicheit. 



Nr XVIII. — V. 5 Hs. int licht. Dat klinkt wel een weinig vreemd; 
zou men niet beter lezen een licht, en dien regel verbinden met 
den volgenden? Voor licht op een persoon toegepast, z\t Mnl. Wdb., 
IV, 469, en verg. hier v. 10, alsmede nr XIX, 10. 

v. 13-14 I" ^6t lis. op één regel; een dubbelpunt na violette. 



Digitized by VjOOQIC 



— 83 — 

[36 vo] Si was zeer gemint met trouwen 
Van al den roemschen hove, 
En geëert vor alle vrouwen 
Met wonderliken love, 

25 Het besochse in hare doot, 
Die vrouwe es van den trone; 
Met haer quam een geselscap groot 
Van meechden alte scone. 



XIX 

In die hoge weelde 
Laet ons vermeyen gaen; 
Wi vinden daer onser moeder 
Seere hoechlijc ontfaen. 

5 Van hoge geslechte geboren 
Es dese joncfrouwe fijn; 
Al van ridders arde ja, 
[37 r^] En mocht si niet eelder sijn. 

Dese joncfrouwe, eerse op erterijc quam, 
10 Een licht geheeten was; 

Dat heefse alleen vor alle vrouwe, 
Daer men noyt af las. 

Clara es die hoechste bruut 
Daerboven int sconincs hof; 
i5 Want van grooter heilicheit 
Soe heefse daer den lof. 

Clara, claer in haer begin, 
Noch claerder in haer middelt, wet; 
Claerst na haer verweende doot 
20 In den hoechsten troon geset. 



Nr XIX. — V. 7 Hs. ja achter aan het vers bijgeschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



J 



- 84 - 

Nu esse bi den coninc 
[37 V*] Aen der meechden rey, 

En heeft haer lief te haren wille 
Al in den eewegen mey. 

25 Doen Clara sterven soude, "^ 

Die hoge coninc quam 
Met scaren van jofFrouwen; 
In haren arm dat hise nam. 

Die coninginne vrouwe 
3o (Dit wonder es ongehoort), 

Die diende haer te stride daer, 
Al in haer weeldege doot. 

Wi bidden u, suete moeder, 
Ons vor u kinder ontfaet, 
55 En bidt uwen edelen bruygoem ^ 

Te vergeven ons mesdaet. 



XX 

[38 ro] Loeft alle die hier bi my sijn 

Een joncfrouwe edel ende fijn, 
Die scoenste van den troene. 

Wi en vinden niet in al die scrift, 
5 Dat eenich joffrou soe was begift 
Met duechden alsoe scone. 

Als ons lief moeder sinte Claer 
Wert geboren, dats openbaer, 
Es haer haer naem gegeven. 



V. 29 Hs. Der 



Digitized by VjOOQIC 



— 85 — 

lo Wat Cristus sprac met woerden soet, 
Al aen dat cruce daer hi stoet, 
Dat Clara haer naem soude wesen, 

Claer was si in dit gesticht; 
Veel claerder es si int eewich licht 
[38 v«] i5 Vor alle santinnen verheven. 

Dat bewijsde haer in dit leven 

Die Heere, daer hemel ende eerde vor beven, 

Doen si lach in haer crancheit groot, 

Daer si begeerde met herten zeere 

20 Aen te siene die crebbe ons Heren, 

Dat haer gesciede, claer ende bloet. 

Die coninginne van den trone 
Bracht haer een vergulden crone, 
Daer si lach in haer weeldege doot. 

25 Si sprac : « Ver ziele^ nu vaert gereet; 
tt Ghi en dorft ontsien rouwe no leet ; 
« Ontfaet den loon sonder genoot. 

[39 r®] « Want Cristus steet na u en beyt ; 

« Hi wilt u leiden daer men meyt, 
3o « Al in sijn eewich rike ». 

Daer ghi nu sit ter rechter hant, 
Hulpt ons, moeder, uut sviants bant, 
In vrouden sonder gelike. 

Gruet ons Franciscus onsen vader; 
35 Ons patroens sidi bey gader; 
Bevolen blive u al ons co vent. 
Amen. 



V. 20 Qr. Nr XVIII, w. 19-20. 
V. 22 sqq. Zie nr XIX, 29 vlgg. 



Digitized by VjOOQIC 



T 



— 86 — 

XXI 

Van sinte Berbelen. 

Congratulemur hodie 
Martin egregie, 
Devote mentis jubilo 
Unite Dei filio, 

[39 vo] 5 Hinc sacrate virgini 

Applaudunt cetus celi, 
Barbare vocate, 
Meritis omate. 

O beata Barbara 
lo Tui non est altera, 

Rubens velud rosa, 
Vultu speciosa, 

In te non fuit uUa fex; 
Idcirco companiavit rex 
i5 Candentem plus quam lilium 

In numero te milium. 

O castitatis speculum, 
Tu ducis omne seculum, 
Flos virginum, post Mariam 
[40 r®] 20 Ad veritatis viam. 

O lux mundi deifica, 
Es lucis trine nuncia, 
Fenestris iam paratis, 
Ad laudem trinitatis. 



Nr XXI. — V. i5 Hs. Gaudente 
V. 18 Hs. dicis 



Digitized by VjOOQIC 



- 87 - 

25 Hinc a patre impio 

Qui Dei iudicio 
Occideris et crudeli 
Consumitur igne celi. 

Tu vero supra sydera, 
3o Tibique celi curia, 

Ad spoDsum tuum scandis, 
Defertur honor grandis. 

Ibi pro nobis omnibus, 
[40 v®] Pie recolentibus, 

35 Ora semper Deum, 

Martiris tropheum. 

O virgo multipharia, 
Est nobis necessaria 
Tua miseratio, 
40 Egentibus solacio. 

Quam potens et quam pia es! 
Deus per te mirans res 
(Nequit lingua fari) 
Non cessat operari. 



XXII 

Barbara, die reyne maecht, 
Een edel bruyt ons Heeren, 
Haer leven dat heeft God behaecht 
Hets recht dat wise eeren. 



V. a8 Hs. igno 

Nr XXII. — V. I Hs. de; de i werd later boven den regel, tus- 
schen de d en de e, bijgeschreven. 

V. 2 Deze regel moet als bijstelling bij v. i opgevat worden. In 
proza zou het luiden : « Het leven van Barbara, die reyne maecht, 
enz., dat heeft.... behaecht». 

Dialect. 6 



Digitized by VjOOQIC 



— 88 — 

[41 r®J 5 Baptista, die heilege man, 
Boven al si minde, 
Wiens leven si anenam, 
Want si hem groot bekinde. 

Goet ende hoge edelheit 
10 Dat wou si al versmaden. 
En haer scone minlijcheit 
Keerde si in genaden. 

Gods wijsheit had si diep vercleert 
In der hoechster eenicheit, 
i5 Dat haer was geopenbaert 
Dat wesen der Drievuldicheit. 

Si es een reyn rosé roet, 
Want God sprac in haer liden, 
Dat van harer pinen groot 
I41 vo] 20 Die ingelen souden verbliden. 

God sant haer al overluut 

Een cleet, was minnelike; 

Hi sprac : a Nu comt, mijn scone bruut, 

« Hierboven in mijn rike ». 

25 Si heet der menschen toeverlaet; 
Van Gode heeft sijt vercregen. 
Die tot haren dienste staet, 
Haer sonden sal God vergeven. 



V. i3-i6 Si kan eerste nv. wezen; dat, van v. i5, is het conse- 
cutieve voegw. joodat {Zie Mnl. Wdb. II, 87 op dat, en Stoett, Mnl. 
Syntaxis, § 352). Doch het schijnt mij beter si als vierden nv. op te 
vatten, als bepaling bij vercleert; mij dunkt dat het natuurlijker is te 
verklaren : Gods wijsheid had haar, Barbara, «vercleert», d. i. verlicht 
met bovennatuurlijke kennis. Dit wordt gesteund door twee soortge- 
lijke plaatsen beneden, nl. XXVI, 25 sqq. en XXVII, i3-i6. Over 5z als 
accus. van het pers. vnw., c/r. van IIelten, Mnl. Sprkk., § 337 ^• 

V. 22 Over het uitlaten van het relatieve pron., zie Stoett, 
Syntaxis, § 193. Cfr. dergelijke constructie in IX, 10. 



Digitized by VjOOQIC 



- 89 



XXIII 

Kinder, al siwi in dit sneven, 
Wi selen Gods bruyt glorie geven; 
Si es soe hoechlic verheven, 
Dats sin te Barbara int eewich leven. 

5 Alle die heilegen die sijn daerboven, 
[42 r*J Die willen haer dogen eewelic loven; 

Si wilt dat wi daer met haer hoven; 
Die viant wilt ons al beroven. 

Van Gode was si groot geacht; 
10 Si hadde in haer die godlike cracht; 
Ons broescheit, dier heeft si gedacht, 
Ende ons remedie daerjegen bracht. 

Nu laetse ons dancken, want wi wel weten 
Dat si ons niet en heeft vergeten; 
i5 Si es nu in die weelde geseten, 
Haer giften die sijn ongemeten. 

Haer scoen gewaden die sijn bereet; 
Si draecht der coninginne cleet; 
Tot haren hoechsten dienste si steet, 
20 Want si altoes daer naest haer geet, 

[42 vo] Si es als een fijn gulden crone, 

Geset int scoenste van den trone; 

Si es daer van den hoechsten lone, 

Haer verdiente es soe scone. 



Nr XXIII. — V. 6 Het hs. heeft duidelijk dogen. Het gebruik van 
dit woord hier kan wel verklaard worden, maar men verwacht veeleer 
doget, dat beter in het verband past. 

V. 14 Hs. want si 

V. 18 Hs. dracht, met eene kleine e boven den regel, tusschen 
de a en de c, bijgeschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



mp^ 






— 90 - 

25 Die godlike eere die was soe groot 
Van harer pinen ende harer doot; 
Wi bidden haer hulpe in onser noet, 
Ende soeken genade in haren scoet. 



XXIV 

o Barbara, ons herte verblijt, 
Want ghi der werelt troestelic sijt. 

Reyn edel maecht, gi sijt soe fijn; 
Die coninc begeert u scoen aenscijn. 

5 Uwer werdicheit wi niet en connen 
Geliken dan der heiliger sonnen. 

[43 ro] Van beginne waerdi vercoren, 

Ende in die stat der sonnen geboren. 

O scone sonne, nu openbaert, 
10 Ende ons duysternesse die verclaert. 

Naest Gods moeder hier aen u staet 
Der armer zielen toeverlaet. 

O medecine, der zielen cracht, 

U eygen es dwingen des viants macht. 



XXV 

Wi vermanen harer doecht, 
Alderscoenste rosé, 
Die de werelt al verhoecht, 
Milde graciose, 



Nr XXIV. — V. 5 lïs. niet en connen. geliken 



Digitized by VjOOQIC 



— 91 — 

5 Vroude alder kerstenheit. 
[43 v«] Glorie in den trone, 

Dat een rosé ons geleit 
Tot soe hogen lone! 

Die dus suverlike blijct, 
10 Dats dese lielie reyne, 
Die de werelt al verlicht; 
Si es ons gemeyne. 

Si es scone ende minlijc, 
Suete violette, 
i5 Si heeft al te sterkelijc 
Gestoert des viants nette. 

Dese kersouwe, suet en goet, 
Miltheit es haer leven. 
Met harer salven dat si doet 
20 Ons wonden al genesen. 

[44 r^] Dese acoleye heeft ons bracht 

Sueten dau in deser tijt, 
En daernae der sonnen cracht, 
Die de eerde al verblijt. 

25 Dese goutbloeme wert bekint 
Metten guldene schine; 
Si heeft hoechleec gemint : 
Dat bewijst haer pine. 

Dese blau bloeme, hemels gedaen, 
3o Es edelijc vercoren; 

Int geslechte moet si staen 
Daer God af was geboren. 

Barbara, die dierbaer steen, 
God jonde haer der eeren, 
35 Dat haer doepte mensce negeen 
[44 VJ Dan die doeper ons Heeren. 



Digitized by VjOOQIC 



— 92 — 

Si minden meest in deser tijt 
Die dat lemmeken wijsde; 
Cristus wert sine herte verblijt, 
40 Als si sint Janne prijsde. 

Wi bevelen alle ons noet 
Uwer beider minnen; 
Hoet ons vor die haestege doot, 
Geeft ons claer bekinnen. 

XXVI 

Barbara, die clare sonne, 
Die doet ons leven, 
Want si mach ons hitte 
En haer claerheit geven. 

5 Ons allen die es wel gesciet 
Dat die Heilege Geest dat riet; 
I45 ro] Haer beede die en ontseit hi niet; 

Alle menschen tot haer vliet. 

Si es der werelt hope 
10 Ende gewaregen troest; 
Si heeft soe menege ziele 
Uter hellen verloest. 



vv. 37-38 De zin is : Zij beminde meest Joh. den dooper, die het 
« lemmeken m, d. i., Christus, «wijsde» d. i., aantoonde, nl. door 
de woorden : (c Ecce Agnus Dei », enz. (Joh. I, 29). 

V. 40 Hs. hi Uit het verband blijkt, dunkt mij, dat het sinte Barbara 
moet zijn die « sint Janne prijsde»; lees daarom si; hi van het hs. 
zou op Christus slaan, wat niet schijnt te passsn. 

Nr XXVI. — Met uitzondering van de tweede strophe, is dit heele 
stuk geschreven als een doorloopende tekst in proza. Elke strophe 
is over drie regels verdeeld, behalve de tweede en de laatste, die 
vier regels tellen. De aanvangsletters van elk eerste en derde vers, 
zelfs midden in den regel, zijn meestal rood doorstreepte hoofdletters. 

V. 7 Hs. ontsiet; lees : ontseit, d. i. « weigert », wat blijkbaar door 
den zin wordt gevorderd. 



Digitized by VjOOQIC 



- 93 - 

Die levende borne can si 
Geven ende scincken, 
i5 Alsoe vele als sijs begeert, 
Soe mach sijs drincken. 

Dese overscone, suete maecht 
Es ons gegeven, 
Dat si ons vercrige biechte 
io Ende eewich leven. 

Gewarich kinnesse ende rouwe 
Sijn haer giften; 
Het es haer eygen dat si 
Mach die ziele verlichten, 

[45 w^] 25 Haer was die hoge Triniteit 

Hier onverholen; 
Die eewege wijsheit was 
Haer meester in der scolen. 

Dese reyne lilie es 
3o Naest onser Vrouwen gelijc, 
Want si doet den sondaren op 
Dat hemelrijc. 

O scone rosé, u verdiente 
Es edel ende groot, 
35 Daeromme sijt daer jegenwoerdich 
In onser doot. 

O scone sonne, geeft 
Dat wi u licht ontfaen, 
Want wi dolen, wi en weten niet 
40 Werwert dat wi gaen. 



vv. 25-28 C/r. een soortgelijke plaats in nr XXII, i3-i6, en 
XXVII, i3-i6. 
V. 27 Hs. wijsheit, de sh is uit een g verbeterd. 



Digitized by VjOOQIC 



— 94 — 

Si hadde tot hoger minnen spoet, 
Die altoes in haer herte stoet; 
[46 r«] Sy dranc van der vollen vloet 

In dat overweselic goet. 
Amen. 

XXVII 

Dits pan sinte Berbelen. 

Scoender maeght, voer noch na. 
En was noyt geboren 
Dan die edel Barbara, 
Wonderlijc vercoren, 

5 Sy was van den geslechte 
Der coninginne Marien; 
Wy moetense wel met rechte 
Alle gebenediën. 

Sy was van allen consten wijs, 
10 Wel geleert al openbare, 

Van allen doeghden heeft sy prijs, 
[46 v^] Geen gebrec en was in hare. 

Bovenal, die Heilige Geest, 
Hy leerese van binnen, 
i5 Met sinen lichte aldermeest, 
Die Godheit claer bekinnen. 

Haer was gesonden herde snel 
Een ingel uten troone, 
Diese int gelove stercte wel 
20 Der hoger drie persone. 

w. 43-44 In moet met dranc verbonden worden (het is het praet. 
van het ww. indrinken). 

N«" XXVII. — Titel in rooden inkt. 

w. i3-i6 Zie het vorige gedicht, w. 25-28. 



Digitized by VjOOQIC 



- 95 - 

Ende sy sach ter selver stont 
Enen edelen jongelinc, 
Die aent cruce was doerwont, 
Dat haer diep int herte ginc. 

25 Barbara, die edel joncfrouwe, 
[47 fo] Heeft Gode boven al gemint, 

Ende hem gehouden vaste trouwe, 
Als men in haer leven vindt. 

Die minne was soe overgroot 
3o Als sy wel dede inscijne, 

Sy en ontsach torment noch doot, 
Noch geenderande pine. 

Gheen mertelarse en was soe gelijc 
Der passien ons liefs Heeren, 
35 Die nie quam op eertryc; 
Wine connense niet voleeren, 

Barbara, rosé ende lelie wit, 
Alder sielen vrouwe, 
Waer ghy onsen Heere voer bit, 
40 Gecrijcht van sonden rouwe. 



V. 37 Hs. wijt 

V. 40 Hs. Gecrijcht, aaneengeschreven, wat dan zou op te vatten 
zijn als de imper. van gecrigen. Doch een imperat. past hier kwa- 
lijk; door te lezen ge crijght d. i. gij (ver)krijgt wordt de zin dui- 
delijk : Wat gij ook vraagt, gij bekomt het, nl. van sonde rouwe, enz. 
Dat Prof. J. Verdam (Mnl. Wdb., II, 1943) den toonloozen vorm ge 
(voor gi) in goed Mnl. (althans in de schrijftaal) nog niet gebruikt vindt, 
dunkt mij geen voldoende bezwaar om hem hier niet aan te nemen. — 
Nog een andere verklaring kan gegeven worden. Gecrijcht nl. kan 
3« pers. enkelv. wezen van het praes. van gecrijgen, met verzwegen 
onderwerp hi; de zin zou dan zijn : « Voor wien gij onzen Heer bidt, 
de^e (hij bekomt van sonde rouwe, enz. ». Doch de eerste opvatting 
schijnt mij beter : met het oog op : i») het heele verband ; 29) de con- 
structie van V. 39 ; 3o) men in v. 43 ; 40) eene andere soortgelijke plaats, 
nr XXVI, w, 19-20. 



Digitized by 



Google 



- 96 - 

[47 ^] Ende sijn heilich sacrament, 

Ons Heeren lichame ende sijn bloet, 
Daer men ewich leven in vint, 
Ende oec overvloedich goet. 

45 O dierbaer steen van doodenrijc, 
Wilt ons te Gode leiden, 
Der maget Marien meest gelijc 
Van genedicheiden. 

Cristus sprac in sijnder doot : 
5o a Vergeeft dese sonde, vader mijn ». 
Also dat die in uwer noot 
Voer alle die in sonden sijn. 

XXVIII 

Ie hebbe een lief in minen sin gedaen, 
Ie wilder my aen houden, 
Ende die valsce werken uut my sluten 
Want sy es loos ende ongetrouwe 
[48 ro] 5 Heer God, nu staet ons allen by, 

Ende maect ons herte van allen sonden vri ! 



V. 45 Hs. dooden rijch; het eerste woord uit doeden veranderd. 

V. 47 Hs. gelijch 

V. 5o Hs. des 

V. 5i-52 Wat die twee regels moeten beteekenen begrijp ik niet ; de 
plaats schijnt verdorven. Men bekomt een zin, die in het verband 
past, wanneer men v. 5i aldus leest : 

Also daedi in uwer noot 
d. i. « evenals Christus op het kruis voor de vergiffenis der zonden bad, 
evenzoo deed Barbara voor ons allen, zondaren, in hare doodsure». 

Nr XXVIII. — Dit stuk begint zonder hoofdletter; cfr. de 
Inleiding, bl. 25. 

V. 4 Hs. Want sy es loos ende ongetrouwe, welke regel hier kwalijk 
past. Verder, v. 20, komt hij ook voor, en daar geschikt. Er is mis- 
schien een ander vers uitgevallen. Wil men toch den regel opnemen, 
dan kan men hem in het verband doen passen door in plaats van 
werken t in v. 3, werelt te lezen. 



Digitized by VjOOQIC 



— 97 - 

Soe wie dat creaturen gelooft, 
Hy dunct my sijn al buten keere, 
Ende dien edelen brudegom laet, 
10 Die heere is boven alle heeren. 
Ie hebbe een lief 

Soe wie dat dwingen wilt sijn natuere, 
Het sal hem costen vleesch ende bloet; 
Het is den menigen worden tsuere, 
i5 Eer hise heeft bracht al onder voet. 
Ie hebbe een lief 

Soe wie dat Cristus minne wilt hebben, 
Ende hem wilt houden trouwe, 
Soe sie, dat hy .... die valsce weerelt, 
20 Want sy es loes ende ongetrouwe. 
Ie heb J, lief 



XXIX 

[56 r®] Op de wise. Het is goet 

sijn int rijke daerboven, 

Kinder, nu zijt allegader vroe : 
Een nyeu jaer comt ons inne. 
God die gever ons geluc, 
Daermet sijn hoechste minne. 



V. 19 Aan het vers ontbreekt blijkbaar een woord : men lassche 
vlie^ late, schouwe^ of iets dergelijks, na hy in. 
V. 20 Hs. Want hi 

Nr XXIX. — De aanduiding van de zangwij ze in rooden inkt. 
V. 4 Hs. hoechte 



Digitized by VjOOQIC 



- 98 - 

5 Die hoge Godheit sy gelooft. 
Die van minnen hiemeder quam, 
En wert een clene kindekijn, 
Ende ons natuere in hem nam. 

Dit knechtken is soe overscone : 
lo Men vint aen hem niet dat messteet; 
En quam noyt mensce op eertrike, 
Die enige ontrouwe van hem weet. 

Hij es die overvloedige vloet 
[56v®l Vol weelden even rijcke, 

ï5 Hy vervult met sijnder doeght 
Hemel ende eertrijke. 

Hy es die veltbloeme ons gemeyne 
Ende dat suete hemelsbroot, 
Daermet die heylige weertscap houden; 
20 Die weelde is daer even groot. 

Dit es dat armste suete kindeken; 
Het leedt van coude grooten noot, 
En hadde noeyt so vele gemaecs 
Als in sijnder moeder scoot. 

25 Dees edel, scone jongelinc, 
Sijn herte is vol minnen, 
Hy sueght in siere moeder scoot, 
Der edele coninginnen. 

[57 ro] Al dat in den hemel es 

3o En men in der weerelt vindt, 
Dat en waer al te achten niet, 
En daet dat aldersuetste kint. 



V. lo Hs. mesteet 
V. 23 Hs. gemacts. 



Digitized by VjOOQIC 



— 99 — 

Lof ende danc ende eeuwige eere, 
Heb die hoige Drivuldicheit, 
35 Die ons den Sone hier heeft gesondpn 
Te dragen onze jammerlicheit. 



XXX 

Een kindeken es geboren, 

Een volle vloet; 

Die van hem es vercoren, 

Hy mach wel dragen hoogen moet 

5 Dit kint compt ons nu coopen 
Met grooter macht; 
Het was hem al ontloopen, 
f57 vo] Hij heeft ons weder bracht. 

En wien mach nu ontbliven 
10 Dese vuile vloet? 

Hy liet hem doch ontliven, 
Dees hoge minneer goet. 

Nu es hy nedercomen 
Ende seere gebeet, 
i5 Dit wonder es vernomen : 

Die Godssone is met ons gecleedt. 

Een kint es ons gegeven, 
Dat aensach onsen noet, 
Van sinen volke verdreven : 
20 Dat dunct mij jammer groot. 



Nr XXX — V. 5 Hs. besoeken; doorgehaald en vervangen met un 
coopen, 
V. 12 Hs. minneer aldus voluit geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



— lOO — 



Nu leit hy gebonden 
[58 ro] En weynet seere, 

In arme doexken gewonden : 
Genedich God, geweldich Heere! 



XXXI 

Die Vader in der ewicheit, 
Die heeft van minnen der menscelicheit 
Sinen enigen Sone gesant van boven; 
Daerom soe helpten my alle loven. 

5 Hy sprac totten engel Gabriël : 

« Doet my een bootscap (ende sijt snel) 

« Tot Maria in eertrijc; 

« Gnietse my seer ende ootmoedelijc. 

« Gruetse my seere al in den name mijn, 
lo a Ende segt haer dat hi wil sijn 
« Geboren van haren reynen live; 
« Nochtan soe salsi maget bliven ». 

[58 vo] « O Vader Heere, wat ghy gebiet, 

« Des en willic laten niet; 
i5 « Die bootscap die is wel bewaert, 
« Ie vaerse doen met snelre vaert n, — 

« God gruetu, overscone maghet! 
« Sijt vrolic ende niet versaget, 
« Want ghy sijt tot deser tijt 
20 « Boven allen vrouwen gebenedijt. 

Nr XXXI. — V. 9 Hs. m al 

V. 10 Hs. dat ie. Daar het de c< Vader in der ewicheit » (v. i), 
de « Vader Heere » (v. i3) is die spreekt, past ie niet; met hi wordt 
de a enigen Sone » (v. 3) bedoeld. 

V. 19 Hs. Wan t, de t met rooden inkt bijgeschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



— lOI — 

« U mach te moede sijn herde wel. 
« Ie ben die engel Gabriël; 
« Van Gode ben ie tot u gesint, 
« Als dat ghy ontfaen sout een kint. 

25 « Ontfaen suldi met deser spraken, 
a Sonder toeval van anderen saken, 
« Ende dat Idnt sal Jhesiis heeten. 
[59 ro] « Dit hebben voerseit die propheten ». — 

a Scoen bode van den paradijs, 
3o « Hoe geerne soudic werden wijs, 
« Hoet wesen mocht ende oec gescien; 
(( Dat wonder en wert nie gesien, 

« Noch gehoort, noch oec gelesen, 
« Dat een maget soude moeder wesen; 
35 « Want ie doch noeyt by man en quam. 
« Desgelijc, voerwaer, ie noeyt en vernam. 

« O scone bode, ie seggu dat 
cc Ie hebbe minen Heer, minen God 
« Gelooft te houden reynicheit; 
40 « Daertoe ben ie altoes bereit » — 

« Maria, blijft sonder ontsien, 
[59 V®] « Dit sal emmer aldus gescien : 

« Die Heilige Geest sal u omvaen, 
« Van hem suldi dit kint ontfaen. 

45 « Ghy sult des kints, dat seggic me, 
tt Genesen sonder enich wee 
a Jegen der natueren sede. 
« Dat noeyt vrouwe van kinde en dede. 



V. 23 Hs. gesent, lees a gesint » wegens het rijm op c< kint » in 
den volgenden regel. 
V. 43 Omvaen voluit aldus geschreven in het hs. 



Digitized by VjOOQIC 



— 102 — 

« Maria, blijft sonder vreesen; 
5o « Ghy sult sijn salige moeder wesen, 
« En hy u kint ende daertoe Godt; 
tt Maria, dits Gods gebodt ». — 

o Scoen ingel, na dat ie u sie, 
« Gods wil altijt in my gescie, 
55 a Minen dienst altijt te sijnder eeren; 
« Siet hier die dienstmaget ons Heeren. 

[60 ro] « God heeft my vaderiic versien ; 

« Na dinen woerde moet my gescien. 
« Tot nu was hy die vader mijn : 
60 « Nu salie sijn die moeder sijn ». 



XXXII 

Laet ons met vollen chore 
Singen nuwen sanc, 
Want God es ons geboren, 
Een kindekijn; 
5 Dies moet hy hebben danc. 

Wy mogen wel vrolic leven, 
Ie segge u wel waerof, 
Want God heeft ons gegeven 
Den Sone sijn : 
10 Dies moet hy hebben lof. 

Hy nam uut goeder minnen 
[60 v<>] Onse menscheit an; 

Hets recht dat elc met sinne 
Dit kindekijn 
i5 Loeft als hy best can. 

Nr XXXII. —V. 1 waerof. Zie boven, bl. 33 en de noot bij I, 48. 



Digitized by VjOOQIC 



— io3 — 

Wel hem, die suete ende sachte 
Dit kindeken antieren sal! 
Want wie met reynen gedachte 
Dit kindekijn 
20 Wiecht, hij lovet al. 

Wy willen dit kindeken wermen 
Met onser minnen gloet, 
Soe sal hy onser ontfermen : 
Huut minnen fijn 
25 Gaf hy doer ons sijn bloet, 

Laet ons dit kindeken baden 
[61 r®] Met onsen tranen nat, 

Ende bidden om genade 
Met herten fijn : 
3o Ons werdes wel te bat. 

O rosé sonder dooren 
Boven de leliën soeti 
God was van u geboren 
(Dats wel aensdjn) 
35 Doer u groet oetmoet. 

O Maria, lief moeder 
Ende maget reyn, 
By u wert God ons broeder; 
U kindekijn 
40 Verlost ons al gemeyn! 

O vrouwe, der doecht gewone, 
[61 vo] Wilt altijt sijn bereyt, 

Te bidden uwen sone, 
Dat sijn aenschijn 
45 Ons niet en werde ontseit. 



V. 18 Hs. wy 

V. 32 Hs. suet; lees soet wegens het rijm op oetmoet, v. 35. 
V. 37 Hs. reen ; lees reyn om het rijm te hebben op gemeyn van v. 40. 

Dialect. 7 

Digitized by VjOOQIC 



— !Ó4 — 



XXXIII 



Op Wie wilt horen sinj 
gen van enen tymmerman. 



De sancia Maria virgine. 

Wie wilt horen singen 
Van enen leeu seer gram, 
Hoe die maget Maria 
Aen sine minne quara, 

5 Dat vernam een bode, 
Die engel Gabriël; 
Hy was gesonden van Gode, 
Al toe der maget snel. 

[62 r^] « God gruet u, vol genaden » 

10 Sprac hy ter maget fijn, 

« Die Heere is van den trone, 
«Wilt sijn u kindekijn ». 



Nr XXXIII. Zangwijze en titel in rooden inkt. 

V. I Hs. \Vi, 

V. 2 De « leeu zeer gram » is natuurlijk Christus. Elders nog 
wordt Christus bij eenen leeuw vergeleken, zooals b. v. in het vol- 
gende gedicht tot Maria gericht (in het Gheesteliick Paradiisken der 
Wel'lusticheden, Antwerpen, 1619, 4e deel, bl. 16) : 

Ghedanckt / ghelooft / ghepresen / 
Moet zijn den weerden pant / 
U vreucht reyn uytghelesen / 
Jesus u kindt plaisant : 
Die als een Leeu vaillant / 
Heeft ontdaen den helschen bant. 

De oorsprong van die vergelijkingen moet in de bekende Bijbelsche 
uitdrukking : « de leeuw uit Juda » (S. Jans Openb. V,' 5) gezocht 
worden. 



Digitized by VjOOQIC 



— io5 — 

Ghy droecht negen maenden 
Der engelen coninc, 
i5 Van u soe was geboren 
Jhesus de jongelinc. 

Ghy leit dat kindeken cleyne 
Al in een crebbekijn, 
Al voer twee stomme beesten, 
20 Die ewege sone fijn. 

Hoe wel was u te moede, 
O moeder ende maget fijn, 
Doen u dat kindeken cleyne 
[62 v«] Boet sijn root mundekijn. 

25 Ghy moest van vrouden beven 
(Dat es wel openbaer), 
Doen op u sloech sijn Ogen 
Die ewige godheit claer. 

Ghy naempten in uwen arme, 
3o Ende gaeft hem in uwen scoot 
U meechdelike borste 
Al in sijn mundeken root. 

Sijn bruyn oegxken scone 
Sloech hy in u aenschijn; 
35 Hij was u eigen sone, 
Die ewige godheit fijn. 

Als ghy den kindeken cleyne, 
[63 ro] O moeder wel gedaen, 

Met uwen handen reyne 
40 Sijn voetken wilt gaen dwaen : 



V. 34 Hs. in sijn aenschijn. Het verband eischt u in plaats van sijn, 
V. 40 Hs. wil 



Digitized by VjOOQIC 



— io6 — 

Verleent my, scone vrouwe, 
Die ogen alsoe nat, 
Dat ie met minen tranen 
Bereiden mach dat bat. 

45 Als ghijt heft uten bade, 
Dat proper kindeken cleyn. 
Wilt hem van mijnder herten 
Maken een beddeken reyn. 



XXXIV 



Op Her esel ghy moet 
een esel sijn. 



De sancta Maria virgine. 

Die dageraet geet op ende fijn 
Daeruut soe compt des hemels scijn : 
[63 vo] Dat is der maget sone. 

Hy woude hier nedercomen tons 
5 En laten sinen troone. 

Die overscone bruet ende maegt, 
Sy heeft den coninc best behaecht; 
Daerom heeft sy sijn minne. 
Sy es gemaect ons advocaet, 
10 Der ingelen coninginne. 

Die coninc sach die scone sale; 
Sy beviel hem alsoe wale, 
Dat hi er in wonen quam; 
Boven alle creaturen 
i5 Ghenuechte hy in haer nam. 



" jjr XXXIV. — Titel en zangwij ze in rooden inkt. 

V. 9 Hs. sijn advocaet. Blijkbaar eene vergissing ; de zin eischt ons, 
Cfr. XXXVIII, 30. 



Digitizqd by VjOOQIC 



— I07 — 

Sy brachte dat suete, cleine kindekijn, 
Des Vaders Sone, een eeuwich scijn; 
[64 r^] Sy es soe wel geraect. 

Al woude hy suegen in haren scoot, 
20 Hy heeftse selve gemaect. 

Ghy sijt dat hemelsce paradijs; 
In u soe wies dat godlijc rijs, 
En quam in deser tijt. 
Die in dat paradijs mocht gaen, 
25 Hy waer te mael verblijt. 

O sterre der zee, ghy sijt soe scoone, 
Ghy verblijt daer al den troone. 
En, die te water sijn, 
Sy hebben hope en troost alleene 
3o Aen uwen scoenen scijn. 

O scone wingaertrancke, ghy sijt soe fier, 
U rueke verdrijft dat helsce dier 
[64 vo] Ende houtten in uwen bant. 

Edel vrouwe, ghy mochten dwingen, 
35 "Want hy ontsiet u hant. 

Ghy sijt die roose in Jherico, 
Ghy maket hemel ende eerde vro, 
Met uwer sueticheit. 
Hulpt ons, vrouwe, na deser tijt, 
40 In de eeuwige salicheit. 



V. 29 Hs. hebbe 



Digitized by VjOOQIC 



— io8 — 



XXXV 



[65 T^] Die metten sterren is opgegaen, 

Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen 
Uten troone, 

En hem boven al behaecht : 
5 Des draecht sy croone. 

Hy es eene fierder maget kint, 
Al uut des vaders hert gesint; 
Hets wonder groot, 

Dat hy woude suygen als een cleyn kint 
lo In uwen scoot. 

Sy es een edel coninginne; 
Haer oetmoet ende haer groote minne 
Die heeft ons bracht, 
Die hemel ende eerde alleyne 
i5 Heeft in siere macht. 

[65 vo] Sy es die overscone stadt, 

Die God seere minde en oec besat 



Nr XXXV — V. I sqq. De eerste strophe luidt aldus in het hs. : 

Die metten sterren is op gegaen 
Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen 
Moeder ende maget 
Des vaders sone quam uten troone 
En die hem boven al behaecht 
Des draecht sy croone. 

Die, in het voorlaatste vers, werd boven den regel in kleine letters 
bijgeschreven. — Dat er aan den tekst geknoeid werd, is duidelijk; 
ik heb de lezing gewijzigd in overeenkomst met den bouw der vol- 
gende strophen. 



Digitized by VjOOQIC 



— log — 

Als sinen troen; 
Si heeft daerboven in sijn rijc 
20 Den hoechsten loen. 

Sy es die borre en die fonteyne, 
Die overvloe}^! ons allen gemeyne, 
Dies es ons noot; 
Wy vinden overvloedich goet 
25 In haren scoot. 

O poorte des hemels, ghy sijt soe scone; 
Doer u soe comen wy in den troone 
Na deser tijt; 

Nu hulpt [ons], vrouwe, doer die scoen poorte, 
3o Die ghy selve sijt. 



XXXVI 

[66 ro] O eeuwige wijsheit, daer menich jaer 

Die oude vaders openbaer 
Om riepen met penitencien swaer, 
Ghy sijt ons nu gegeven. 

5 O Adonay, o Heere groot, 

Ghy hebt aensien ons groote noot. 
En sijt in eender maget scoot 
Als een cleyn kint gelegen. 



V. 19 Hs. Hi heeft, blijkbaar eene vergissing van de copiïste. 
Het verband eischt si, 

V. 20 De afschrijfster had eerst geschreven Den eewigen loen; 
de twee laatste woorden werden met rooden inkt doorgehaald, en 
vervangen door hoechsten loen. 

V. 22 Hs. gemeyne 

V. 29 Ons door mij ingevoegd ; het wordt door den zin vereischt. 



Digitized by VjOOQIC 



— IIO — 

o wortel van Yesse, ghy sijt 
lo Die suete, weerde, gebenedijt, 

Daer God af woude, in deser tijt, 
Mensceliker natueren leven. 

O sloetel, heer Davids ewich goet, 
Ghy hebbet uwen grammen moet 
iS Al gewandelt in oetmoet, 
[66 vo] En onsen val vergeven. 

O blickende raey des hemels troon, 
Ghy sijt die eeuwige sonne scoen, 
Ende eender puerder maget soen, 
20 Daer hemel ende eerde voer beven. 

O coninc des volcx, gelooft sydy, 
Dat ghij ballinge maket vri; 
Des moet u een yegelijc, wie hy sy, 
Ewige glorie gheven. 

25 O edel coninc Emanuël, 
Wy weten allegader wel, 
Dat ghy ons moecht ende niement el 
Die ewige glorie geven. 

XXXVII 

[67 ro] Hed es natuere met u solaes 

Wijslistich es u leere; 
Al heb ie u wijs noch gedient, 
Tot God wil ie my keeren. 



Nr XXXVI — V. 9 Hs. want ghy sijt Het eerste woord staat er te veel. 

V. 12 Mensceliker natueren; versta : volgens, overeenkomstig met de 
mensch. nat. C/r, voor derg. genitieven, Stoett, Mnl, Syntaxis, § 26. 

V. 14 Hs. En ghy 

Nr XXXVII — V. I Dezen regel begrijp ik niet; ik vermoed dat de 
plaats verdorven is, maar zie niet hoe ze in orde kan gebracht worden. 
Zou men niet aldus kunnen verbeteren : Uut est, natuere, met u solaes ? 



Digitized by VjOOQIC 



— III — 

5 Ie heb gemint, ie was verblint; 
Natuere en wouts niet laten; 
Doen ie tot minen gronde quam, 
Doe moest iet varen laten. 

Een knagen, een wroegen gine my an, 
10 Als ie mijns gronts neme ware; 
Dat ie met herten heb gemint, 
Dat wil ie laten varen. 

Oeh, dat ie van hem ye seiet, 
Die my soe seere minde, 
i5 En heb gedaen natueren raet, 
[67 v<>] Gevoleht mier dommer sinne I 

Soe warie ga, soe warie ben, 
Altoes soe moet ie dineken, 
Die God met al sier herten mint, 
20 Hem selven hy hem moet seineken. 

Ie hebbe gemint den eertseen troost, 
Daerop gerust met minnen, 
Gevoleht al mijnre sinlieheit; 
Hoe soudie God bekinnen ? 

25 Oeh Jhesus, alderliefste Heer, 
Ie en wil u niet verliesen; 
Voer al dat in die weerelt es, 
Wil ie u uutverkiesen. 



Digitized by VjOOQIC 



1 



— 112 — 

XXXVlll 

En baet egeen castten dese wise 

De sancta Maria. 

[68 r»] Met herten ende met sinne 

Sinden wy u ewige lof, 
Vri edel coninginne, 
Daerboven in u hof. 

5 Hiertoe sijn wy te cleyne, 
Als wy bedincken dat, 
Dat ghy sijt vrouwe alleyne 
Van al soe hoger stat. 

Die coninc es u sone, 
lo Dat vaderlike woort; 

Naest hem draeght ghy de crone. 
Want u dat rijc behoort. 

Die alle dinc heeft gescapen. 
Dat es u enich kint; 
i5 U meechden ende u knapen 
[68 \^] Sijnt al dat men daer vint. 

Ghy hebt alleene die eere. 
En sijt daermet verhoeght; 
Uwen stoel steet bi den Heere, 
20 Daer ghy gebieden moeght. 



N' XXXVIII. — De titel en de aanduiding der zangi^'ijze zijn in 
rooden inkt. 

V. II Hs. hem dragic de; stellig eene vergissing. 

V. i3 Hs. gescepen. Om het rijm te hebben met knapen van 
V. i6 lees ik gescapen. 



Digitized by VjOOQIC 



— ii3 — 

Ghy droechten, scone reyne, 
En waert sijn voesterkijn met, 
Want God hadde u alleyne 
Te selken dienst geset. 

25 Daerom moet u van rechte 
Al te dienste staen; 
Die ingelen sijn u knechten, 
Ende altoes onderdaen. 

Ghy sijt des hemels chierheit, 
[69 f*] 3o En ons een advocaet, 

Ende een vloet der mildicheit; 
Geeft ons tot duechden raet. 

Nu hulpt ons, scone vrouwe, 
Daerboven by u lief kint, 
35 Daer men sonder rouwe 

Gebruuct dies men daer vint. 



XXXIX 

Dat scoenste kint es ons geboren, 
Dat alresoetste mannekijn; 
Die sijn herte aen hem wilt keeren, 
Hy sal hem getrouwe sijn. 
5 Deus eterne tu püssime 

Die wilt goeden huwelic doen, 
Ons vrouwe sal hem beraden; 
Sy heeft soe sconen jongen soen, 
Die wilt sy alom bestaden. 
[69 v^^J 10 Deus eterne tu püssime 



Nr XXXIX — V. 5 Naast Deus eterne tu pijssime, dat met rooden 
inkt onderstreept is, heeft men rechts, aan den rand, met kleine letters 
de repeticie bijgeschreven. 

V. 10 Hs. tu, boven den regel in kleinere letter bijgeschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



1 



— 114 — 

Mach men goeden houwelic doen 
Aen een arm gesellekijn ? 
Het es van haven also bloot, 
Dat leet in een arme crebbekijn. 
i5 Deus eierne 

Al es dit soete knapelkijn 
Alte arm van goede, 
Hy es doch edel ende fijn, 
Ende alte fier van moede. 
20 Deus 

Sijn voetkens waren dicwile cout, 
Doen hy begonst te gane, 
Ende altoos was sijn helsken bloot, 
Ende luttel hadde hy ane. 
25 Deus 

Sijn groot armoede maect ons rijcke; 
Dat heeft ons sijn minne gedaen. 
[70 ro] Van liefden en consti niet gerusten 

Totdat hy hadde die doot ontfaen. 
3o Deus 

Die hemel vloeyde honechvloet, 
God vergaf den toren, 
Doen die ewige wijsheit weert 
In eenen stal geboren. 
35 Deus 

O ewich ende genadich God, 
Wat hebdi voer den mensce gedaen! 
Als wy te male niet en sijn, 
Wat suldij dan van ons ontfaen? 
40 Deus eterne tu piissime. 



V. 33 Hs. weert aldus voluit geschreven. 

w. 37-39 Versta : als wij in het geheel niets zijn, wat moet Gij 
dan van ons krijgen in de plaats van het vele dat Gij voor ons, 
menschen, gedaan hebt? 



Digitized by VjOOQIC 



- ii5 - 



XL 



Ie bidde den oversten Heere, 

Dat hy mijn sinne 

Volcoinelyc wil keeren 

Aen sijn minne. 
[70 y^] 5 Hy es een eewige weelde 

Sonder gelike, 

Van Gode moet hy vloeyen : 

Hy es soe ryke. 

Nemmermeer en wert verstaen 
10 Sijn ongemetenheit, 

Hy es soe oversoete 

Van rechter edelheit. 

Van minnen woudi oec sterven 

Die hy tot ons droech, 
i5 Op dat hy rechter trouwen 

Altoes waer genoech. 

Het es een hemelsce oone 

Daer hy met loonen sal, 

Soe wie die mach besitten, 
20 Hi heeft vercregen al. 

Ie bidde den oversten Heere. 



N^ XL — V. 2 Hs. sijn minne doorgehaald, en daarnaast verbeterd 
in mijn sinne. 
V. 7-8, 9-10, 11-12 op één regel geschreven. 
V. 17 Hs. Hy es — vv, 17-18 op één regel geschreven. 
V. 19 Hs. mah 



Digitized by VjOOQIC 



— ii6 — 

XLI 

Ie vruchte der weerelt gemeyne. 

Die godheit vant der gracien vont; 
Van enen behoudere es ons nu cont, 
[71 1^] Des hebbe God danc. 

Een maget sal ons een kindeken bringen 
5 Eer iet lanc. 

Ons boetscap es wel gedaen ; 
Her Gabriël is wel ontfaen; 
Des hebbe God danc. 



10 D 

Des selen wy alle sijn verblijt; 
Die coninc comt ons in corten tijt, 
Geloeft sy hy. 

Wy dancken u, Jhesus, soete vruecht, 
i5 Die ons es by. 

Des sijn verblijt der ingelen scaren, 
Dat een maget sal coii: gebaren; 
Gelooft sy sy. 
Wy dancken u, et cetera. 



Nr XLI. — De zangwij ze met rooden inkt onderstreept. 

V. I Der gracien vont beteekent, meen ik : « de gift, de schat der 
genade» (cfr.y voor die opvatting van vont, Maerlant's Martijn, I, 
358) ; en vinden is « scheppen » (c/r. o. a. Martijn, II, 86). 

V. 10 In de ruimte, tusschen strophen 2 en 3 (en die niet grooter 
is dan de ruimte tusschen de andere strophen), heeft men, op een 
regel afstand van v. 8, een D bijgeschreven. 

V. 19 Hs. dancke — «Et cetera » in dit vers en verder met de 
gewone afkorting geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



— 117 - 

20 Al gheet dese maget met kinde groot, 
[71 V®] Sy es ombesorgt van alre noot; 
Gelooft sy sy, 
Wy dancken u, et cetera. 

Dit kinderbedde moet hebben lof; 
25 Daer en es voirsien huys noch hof. 
Gelooft sy sy. 
Wy dancken u, et cetera. 

In armoeden wil hy sijn geboren, 
Die alle rijcheit soude behooren. 
3o Gelooft sy sy. 

Wy dancken u, et cetera. 

Her Josep heeft een goet geval, 
Dat hy dit kindeken voesteren sal. 
Gelooft sy hy. 
[72 r®] 35 Wy dancken u, Jhesus. 

Her Jhosep is ten dienst bereet, 
Sijn couse moet sijn des conincx cleet. 
Gelooft sy si. 
Wij dancken u, et cetera. 

40 Dese edele vrucht die moeten [wi] loven 
Metter moeder int rijcke daerboven. 
Gelooft sy sy. 
Wy dancken u. 

Die godheit vant der gracien vont, 
45 Van eenen behoudere es ons nu cont; 
Des hebbe God danc. 
Een maget sal ons een kindeken bringen 
Eer iet lanc. 



V. 21 Hs. ombesorgt voluit geschreven. 
V. 36 Hs. ihosop 
V. 40 wi ontbreekt in het hs. 

V. 44 Hs. heeft, doorgehaald en vant 'm kleinere letter daarboven 
geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



- ii8 - 

XLII 

[72v<>] Van den Kerstdach. 

Doen Cristus was geboren, 
Keerdi sinen toren 
Van menscheliken geslechte; 
Daertoe was vercoren, 
5 In ewicheit te voren, 

Een maget reyn van rechte ; 
Soe scone, edel creatuere 
Quam noyt in Gods gedechte. 

In den couden middernachte, 
10 Doen die maget haer soenken brachte, 
Sceen die sonne claer 
Van dat ongescapen licht. 
Dat hemel ende eerde heeft gesticht, 
Alst was gebootscapt daer 
i5 Van den ingel in der locht 
Den herdeken openbaer. 

[73 ro] Si leide dat kindeken in haren scoot, 

Ende (dies sy hadde deeren groot), 
Op hoeyken in der cribben, 
20 In doexkens naect gewonden, 
Al daeren die herdeken vonden, 
Soe ons scriftuere seggen. 
Ghebenedyt soe moet hy sijn 
Diet aldus woude hebben. 



Nr XLII. — Titel in rooden inkt. 

V. I Hs. xprisius, voluit aldus geschreven. 

V. 3 Hs. geslachte; lees geslechte wegens het rijm op vv. 6 en 8. 

V. 12 Hs. Want dat 

v. 14 Hs. gebaotscap 



Digitized by VjOOQIC 



— 119 — 

25 Op u herte woude hy buygen, 
Ende u soete borsten suygen, 
Daer die engel voer beven. 
Vloedege genade es u bewijst; 
Ghy hebt dat hemelsbroot gespij st, 

3o Daer wy alle by leven. 

En die levende fonteyne gedrinct : 
Dats u alleene gegeven. 

[73 vo] Die ingele van den troone 

Sy loefden den Gods sone, 
35 Doen hy was geboren; 
Sij songen nuwen sanc, 
Dat in den hemel clanc, 
Alst men wel mocht horen : 
« Allen goeden menscen vrede », 
40 Die nie en was te voren. 

Maria, hemels paradijs, 
In u wies dat vaderlijc rijs 
Ende die godlike fonteyne, 
Men mach geen milder vinden; 
45 Ghy vloeyt in allen inden 
Den creatueren gemeyne. 
Hoe uwen herten te moede was 
Bekinnedy alleyne. 

[74 r®] Desen soeten nacht ende dach 

5o Niement te vollen loven en mach 
Na sijn groote weerde, 
Doen dat soete hèmelslam 
In den scoot der maget quam 
Hier neder op dees eerde; 
55 Wy mogen wel oetmoedich sijn, 
Ende laten al hoverde. 



V. 48 De zin is : « Dat wist gij alleen; dat kon geen ander begrijpen ». 

Dialect. 8 



Digitized by VjOOQIC 



1 



— 120 — 

Dees coninc sonder gelike 
Quam uut sinen rijke 
In desen droeven dale; 
60 Hy ginc in een roxken bloot 
Van dore te dore om sijn broot; 
Hy en hadde huys noch sale; 
Maer als hy [te] sinte Maerte quam, 
Deedse hem alte wale. 

f74 v*^] 65 Doen Jhesus, dese jongelinc, 
In allen landen preken ginc, 
Versach hem een minnersse, 
Die hij boven al vercoes 
Om te bliven alletoos 
70 Der hoger minnen meestersse, 
Sente Marien Magdalene, 
Ende oec een groote leerersse. 



XLIII 

Van Jhesus Kerst Marien sone. 

Jhesus Kerst, Marien kint, 
Die nu was geboren, 
Hy heeftse boven al gemint; 
Daertoe essi vercoren. 

Hy nam raste in haren scoot, 
Hy soegh der maget borste, 
Die selve was dat levende broot 
Ende alder weerelt vorste. 



V. 63 te ontbreekt in het hs. ; door mij ingclacht wegens den zin. 
V. 71 Hs. magd, 

V. 72 Hs. leèresse; lees leerersse om een zuiverder rijm te heb- 
ben met vv. 67 en 70. 

Nr XLHI. — Titel in rooden inkt. 



Digitized by VjOOQIC 



— 121 — 

[75 r*] Noch beter, noch scoender, noch sueter en quam 

lo Nie in deser weerelt wijt, 

Dan Jhesus, dat hemelsce lam, 
Die ons van sonden heeft gevrijt. 

Hy quam uut sijns vaders herte 
Liggen in der crebben, 
i5 Daer hij coude ende groote smertte 
Van armoeden wouden hebben. 

Noch bedde, noch pueluwe, stoel noch banc, 
En waren in desen armen stal, 
Mer der heyliger ingelen sanc 
20 Was gehoort al over al. 

Die stomme beesten (dat is waer) 
Knielden voer onsen Heere; 
Sy bekinden dat God was daer, 
[75 vo] Ende boden hem lof ende eere. 

25 In deser hoger nacht 
Heeft die maget pure 
God ende mensce ter weerelt bracht; 
Daeraf vereyst natuere. 

In deser nacht, dat groote licht, 
3o Dat niemen en can begripen. 

Die sonne ende mane heeft gesticht, 
Hy woude hierneder blijken. 

In deser nacht es opgedaen 
Fonteyne der genaeden; 
35 Die dorstich sijt gaet drincken saen : 
God saelt noch al beraden. 



V. 14 Hs. cribben; lees a crebben» wegens het rijm op «hebben», 
van V. 16. 
V. 3o Hs. tan 

Dialect. 8 . 



Digitized by VjOOQIC 



— 122 — 

Die scone wijngaert es volvloeyt, 
[76 T<^] Die druve es gesneden, 

Daer der graden wijn uut vloeyt 
40 Op den dach van heden. 

O o o o o et o. 
Allen meghden vrode, 
Benedicant Domino, 
Van allen sinen goede. 

45 O o o o o et o, 

Die Gode willen minnen, 
Sy selen altoos wesen vroe, 
Ende dragenen int herte binnen. 



XLIV 

O edel coninghinne der hemelen cnde reyne maghet, / 

moeder alre ontfermicheit ende mildicheit, om / den 

bitteren rouwe ende groote bedroevenisse dijns / herten 

ende dijnre zielen, die ghy hadt doen ghy / saghet 

5 uwen lieven sone, Jhesum Cristum, hangende / aen 

den cruce jammerlike stervende, ende om / dat groote 

[76 V®] medeliden dat u lieve kint // met rechter minne tot u 

hadde doen hy u sach in grote / bedroevenisse, daer 

hij u beval sinte Jan ewangeliste / tot eenen behoe- 

10 der : soe waerlike biddic u, edel vrowe, / maghet Maria, 

dat ghij u ontfermetighe oghen ƒ ^'ylt keeren op my, 

arme sondighe mensche, ende ^^'ylt / mij trosten in 

allen minen bedroevenissen, ende hulpt / my uut allen 



V. 37 Volvloeyt klinkt vrij zonderling ; wellicht moet men volbloeyt 
lezen; ^ en j; kunnen gemakkelijk verward zijn geworden. 

V. 48 Na dezen regel staat, door een andere hand, in geschrift van 
jonger dagteekcning : Nota, waarop dan de prozatekst begint. 

Nr XLIV — r. I Hs. coninghe 

r. II Hs. Maria dat ghy wilt u; het ww. (wilt) werd door ver- 
gissing eens te veel geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



— 123 — 

mynen noden, want ghy een milde / moeder syt alre 

1 5 bedroefde herten. Daerom wilt mij / verboeren, o werde 
maght Maria, in mijnen noot, / in mijnen bedroevenisse 
ende myn scrien, ende mijn carmen; / want ie [met] 
groote zwaerheit in mjmre zonde bin, ende / ie en wet 
niet tot wyen dat ie vlien sal anders dan / tot u, lieve 

20 edel vrouwe Maria, moeder Jhesum Cristum, / want du 
best een troosterse, ende een vremakerse tussehen / den 
zondare ende uwen lieven soen. Daerom, kert uwe 
ontferm/herteghe ooren tot my, ende hoort mijn ghebet, 
ende bewerft mi / genade, om de ontsprekelike minne 

25 diens lievcs kint / die hij hadde 

tot allen menscen doen hij nederquam uut synere glo- 
rien, / ghesent van sinen Vader metten Heijleghen Geest 
in u, / Maria, menscelike nature aen te nemene ende 
op IX / maenden van u, edel vrowe, ons gheboren wert, 

3o doer / alle dat liden dat hy doer ons gheleden heft, / 
doer den groeten anxt die u lieve soene hadde opten / 
berch van oli veten, doen hy sinen lieven vader aen . . 



XLV 

[77 r®] In eenen boghaert quam ie ghegaen 

Des morghens voer der sonnen, 
Daer ie vant eenen edelen hert 
Omvaen met feilen honden. 

5 Die eerste, die hem volgde nae, 
Was Judas, die felle quade; 
Hy heeften in sijn doot ghejaeght 
Met sinen valschen rade. 



r. i5 Hs. o werde zeer onduidelijk, 
r. 17 met ontbreekt. 

r. 25 Na hadde een witte ruimte van anderhalven regel. 
Nr XLV — V. 4 Omvaen voluit geschreven. — Voor het rijm 
honden op sonnen, zie de Inleiding, bl. 33. 



Digitized by VjOOQIC 



— 124 — 

Doen slpeghen al die honden aen, 
10 Die daer waren comen, 

En hebben desen scoenen hert 
Sijn edel lijf ghenomen. 

[77 V*] Aen een calummen was dese hert 
Seer felleclich ghebonden; 
i5 Met gheeselen, met slaghen swaer 
Ontfinc hy diepe wonden. 

Dese overedel, scoene hert, 
Van eender maght gheboren, 
Hy was ghecroent al op sijn hoot 
20 Met tweenseventich doren. 

Op sijn scouder moest hy draghen 
God en creatuere, 

Dat cruce swaer, daer hy aen sterf, 
Als ons ghetught scryfture. 

[78 r®] 25 Al op dat cruce wert hy gheleet ; 
Met naghelen vast ghebonden; 
Daer liet hy hem sijn mijnlijc hert 
Met eenen speer doerwonden. 

Daer spronghen vijf rivieren claer, 
3o Die ons van sonden vrien; 

Diese sdaechs niet eens en gruet, 
Hy maechs hem wel vermien. 

Daeronder stont sijn moeder goet, 
Met liden swaer bevanghen; 
35 Sy liet dat s weert des rouwen swaer 
Al doer haer herte ganghen. 



V. 24 Hs. ghtught 

V. 29 Vgl. boven, XI, 3, en de noot aldaar. 
V. 36 Hs. herte, de laatste e in plaats van een andere, uitge- 
kraste letter (eene a?), geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



— 125 — 

f78 voj Neven haer stont sijn minnersse groot, 

Die droeve Magdeleene; 
« Sy heeft dat alderbeste deel », 
40 Sprac God van haer alleene. 

Cristus sprac aldaer hy hinc : 
« Wijf, sieter uwen sone » ; 
Tot sinen jongher sente Jan : 
« Siet daer dijn moeder schone ». 

45 O moeder Gods, o reyne maeght, 
Met uwen kinderen beyde 
Compt, in dure van onser doot, 
Onser zielen doen gheleyde. 



47 Hs. in, verbeterd uit int; de t is zwart doorstreept. 



Digitized by VjOOQIC 



ALPHABETISCH REGISTER 

DER LIEDEREN IN HET HANDSCHRIFT VOORKOMENDE. 



III Alder werelt heylant BI. 42 

Heeft ons sinen bode gesant 

I Alle creatueren willic ave gaen » 37 

Ende mijn herte in duechden keeren 

XXVI Barbara die clare sonne die n 92 

doet ons leven. Want si mach ons 

XXII Barbara die reyne maecht » 87 

Een edel bruyt ons Heeren 

XXI Congratulemur hodie » 86 

Martire egregie 

XXXIX Dat scoenste kint es ons geboren » ii3 

Dat alresoetste mannekijn 

XXXIV Die dageraet geet op ende fijn » 106 

Daeruut soe compt des hemels scijn 

XI Die dorstich sijt draecht bliden » 69 

moet. Men biet u drincken 



Digitized by VjOOQIC 



— 127 — 

XLI Die Godheit vant der graden vont BI. ii6 

Van enen behoudere es ons na cont 

XXXV Die metten sterren is opgegaen » io8 

Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen 

XII Die spiegel der genaden sijt » 71 

Helpt ons noch na deser tijt 

XXXI Die Vader in der ewicheit » 100 

Die heeft van minnen der menscelicheit 

XLII Doen Cristus was geboren » 118 

Keerdi sinen toren 

XXX Een kindeken es geboren » 99 

Een volle vloet 

IX Een kindeken es ons geboren » 62 

In Bethleem. 

XV Franciscus in den beginne sijn sinne » 77 
Gaf Gode al sonder waen 

V, X Geloeft soe si die maget Marie » 5i,65 

Van hemelrike 

XIV Ghi sijt daert alle tijt es mey » *]5 

O minnere der drie persone 

XXXVII Hed es natuere met u solaes » iio 

Wijslistich es u leere 



Digitized by VjOOQIC 



— 128 — 

II Het es daer in den sonnenscijn BI. 40 
Claer en fijn. 

XL Ie bidde den oversten Heere » ii5 

Dat hy mijn sinne 

XXVIII Ie hebbe een lief in minen sin gedaen n 96 
Ie wilder my aen houden 

XIX In die hoge weelde » 83 

Laet ons vermeyen gaen 

XLV In eenen boghaert quam ie ghegaen » i23 
Des morghens voer der sonnen 

XLIII Jhesus Kerst Marien kint 9 120 

Die nu was geboren 

IV Joachims ende sinte Annen bloet » 46 

Ave maria 

XXIII Kinder al siwi in dit sneven » 89 

Wi selen Gods bruyt glorie geven 

XIII (XLVI) Kinder loeft den ingel fijn » 73 

Hi vliecht soe hoge vor Gods aenscijn 

VII Kinder nu loeft die maecht Marie » 56 
Si heeft vervult die prophecie 

XXIX 'Kinder nu zijt allegader vroe » 97 

Een nyeu jaer comt ons inne 



Digitized by VjOOQIC 



— 129 — 

XVI Laet ons eeren ende loven BI. 78 

Eenen hogen sant. 

VIII Laet ons met herten reyne » 58 

Loven dat suete kindekijn 

XXXII Laet ons met vollen chore n 102 

Singen nuwen sanc 

XVIII Laet ons sinte Claren loven » 82 

Die gloriose maecht 

XX Loeft alle die hier bi my sijn » 84 

Een joncfrouwe edel ende fijn 

XXXVIII Met herten ende met sinne » 112 

Sinden wy u ev^ige lof 

XVII Nu laet ons sinte Franciscus loven » 80 
Met overgrooter werdicheit 

VI Nu laet ons singen het es tij t «Si 

Est puer natus hodie 

XXIV O Barbara ons herte verblijt » 90 

Want ghi der werelt troestelic sijt 

XXXVI O eeuwige wijsheit daer menich jaer » log 
Die oude vaders openbaer 

XXVII Scoender maeght voer noch na » 94 

En was noyt geboren 



Digitized by VjOOQIC 






— i3o — 

XXV Wi vermanen harer doecht BI. 90 

Alderscoenste rosé 



XXXIII Wie wilt horen singen 

Van enen leeu seer gram 



» 104 



LIJST DER VOORKOMENDE ZANGWIJZEN. 

En baet egeen castien . . . . N^ XXXVIII, bl. 112 

Her esel ghy moet een esel syn » XXXIV, » 106 

Het is goet sijn int rijke daerboven » XXIX, » 97 

Ie vruchte der weerelt gemeyne » XLI, » 116 

Wie wilt horen singen van enen 

tymmerman » XXXIII, » 104 



OPGEMERKTE DRUKFOUT. 

Nr IV, V. 81 (bl. 49), lees ongequets en schrap de 
noot bij dit vers. 



Digitized by VjOOQIC 



^-^r 

-J^ 






GUDRUN. 



8i, 4. 

De uitgevers hebben daardoor dat zij in 81, 4 lebeten in 
lobeten veranderden zelf nog eene a nichtssagende vierte 
Zeile » gemaakt. 

Aan 81, I « e\ ist só geschehen, 

da^ wirunser schenken / selten haben gesehen 
noch unser truhsoeien, / die uns solten tragen spise. » 
sluit zich : 

o si lebeten gotes güete j und wdren in ir tumben jaren wtse. » 
zeer goed aan. 

lebeny met den tweeden naamval, komt in het Mhd. zoo 
vaak voor, dat ik geen plaatsen moet aanhalen (i) (spise, 
trinkens, wes, des). Met een abstractum verbonden zooals 
giiete vind ik het in Willehalm, 340, 4-8 : 

Terramêr den stuol dd ^Ache 
wolt besit^n und dan \e Rome varn^ 
sinen goten prts alsó bewarn, 
die Jêsus helfe wolde lebn, 
dai die dem tóde wurde gegebn. 



(i) Over leben met den partitief-instru mentalen tweeden naamval 
(Genitif des Mittels) spreekt H. Winkler in zijne uitstekende Ger- 
manische Casussyntax, I, bid. 526-27. 

Dialect. 9 



Digitized by VjOOQIC 



— l32 — 



82. 



De Nibelungenstrophe 82 is zoo moeielijk te verstaan 
omdat degene die haar heeft overgeschreven enkelvoud 
en meervoud dooreen heeft gehaald. Als wij in 82, 4 
lezen : e^ was ein vremede sptse, die im diu junc- 
vrouwe truoc, dan moeten wij bepaald in 82, 3 lezen : 
des si dd lebeten (i, e. de drie jonkvrouwen in het alge- 
meen) des brdhtes im genuoc. Hier is Martin in de on- 
zekerheid, welke jonkvrouw bedoeld wordt; volgens den 
geheelen samenhang van het gedicht kan slechts Hilde 
bedoeld worden; vgl. 169, 4 : 

diu heteer^ogeninselben; jjd wuohserbt ir harte sor cliché; 
170,2 : sie het im ofte liebe / in groter nót getdn, 

dó er si aller êrste / vant in einem steine (vgl. ook 1 85, 3). 

In 82, 1-2 kan het meervoud blijven staan, omdat wij 
ons kunnen voorstellen dat die drie jonkvrouwen geneigd 
waren, Hagen op te voeden, en daarom voedsel voor hem 
zochten. Het vers 82, 2 a, zou men in bi in si nern wolden 
veranderen kunnen (vgl. Nibel., 141, i); kêrte : nerte vindt 
men al in Parzival, 6o3, 11-12; werte : kêrte in Wille- 
HALM, 82, 11-12. 



482. 



Martin houdt deze strophe « mit ihren verschrankten 
Construct ionen » voor een « Muster des Interpolatorenstils»; 
zooals allen, die deze strophe verklaren (i), ze opvatten, 
is zij even zoo weinig mooi als waar. Ik zou ze zoo lezen : 



(i) Ook Paul, Mhd, Gramm.^, § 382. 



Digitized by VjOOQIC 



— i33 — 

In guoten siten schone / grüe\en dó began 

diu stt bi im truoc króne / der woetliche man. 

die maget minnecliche / — des in wol geluste — 

er besl6\ mit armen; I der schoenen lip vil süe\ecltch er kuste. 

Over diu in 2 a vgl. Paul, § 343; buitendien nog 
Parzival, 109, lo-ii : 

wan si truoc in ir libe 
der aller ritter bluome wirt enz, 
ibid. 60, 16-17 : ^^^ ^ot !(wei lant unde ir lip 
swer da den pris be:j[alte. 

W. BANG. 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



OVERZICHT VAN TIJDSCHRIFTEN. 



I. NEDERLANDSCHE PHILOLOGIE. 

VERSLAGEN EN MEDEDEELINGEN DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE 
ACADEMIE, 1898. 

G. Segers, De ontwikkeling on\er taal, bl. 108-145. Onder dien 
titel, welke, zooals Schr. zelf opmerkt, meer belooft dan men beko- 
men zal, worden « eenige beschouwingen over het onderricht onzer 
Moedertaal in het Lager en Middelbaar Onderwijs » gegeven. « Eerst 
zij gezegd, dat, wil men uitslagen in het taalonderwijs bekomen, het 
vooral noodzakelijk is, dat de onderwijzers en leeraars volkomen op 
de hoogte hunner taak zijn ». Dit is wel het geval, maar « voor 
een niet gering aantal onderwijzers, [zullen] eenige wenken niet 
geheel nutteloos... zijn ». Die wenken bestaan hierin dat o. a. de 
onderwijzers de « letterkundige » taal moeten spreken, geen dialect ; 
dat zij den « taalschat » der leerlingen moeten uitbreiden; dat de 
« leesboeken » die zij gebruiken, « proeven van plaatselijk dialect » 
zullen opnemen; dat «de verheffing van de gewestelijke taal tot 
letterkundige, het hoofddoel der school hoeft te zijn », welk doel 
voornamelijk door « vertellen » zal bereikt worden. Verder wordt er 
op gedrukt dat, naast de moedertaal, men niet cc al te vroegtijdig 
een tweede taal zal invoeren » ; ck het wezen van het lager onder- 
wijs sluit [dat] overigens uit ». In het middelbaar onderwijs worden 
de meeste vakken in een vreemde taal onderwezen; Schr. wijst op 
de nadeelen van een dergelijk onderricht, en handelt daarna over 
het onderwijs van het Nederlandsch in de middelbare scholen, cc eene 
bij uitstek zware taak » voor den leeraar. Hij « aanziet » niet alleen 
het spreken van de taal cc als den grondslag voor alle taalonder- 
richt », maar ook het zingen, en inzonderheid letterkundige ont- 
ledingen van schrijvers, vooral van Vondel; verder zullen opstellen 
gemaakt worden, en ook cc het onderricht der spraakleer mag natuur- 
lijk niet ontbreken ». 

DiaUct. 10 



Digitized by VjOOQIC 



— i36 — 

In zijne « Lezing » Eene kortsrvijlige verhandeling over het partikel 
« Qp », bl. 377-385, zet D. Claes de verschillende beteekenissen 
en het gebruik van dit woordje « bij de spraakmakende gemeente » 
uiteen; het is een reeks van uitdrukkingen waarin dit voorzetsel 
aangewend wordt. 

Th. J.-I. Arnold handelt over Het Nederlandsch in de Gentsche 
dagbladpers, bl. 3o6-37o; eene lange lijst, in alphabetische volgorde, 
van allerlei barbarismen (meestal gallicismen), die Schr. « gegaard 
[heeft] in den lusthof der Gentsch-Vlaamsche dagbladpers », maar 
die vaak ook elders aangetroffen worden. Vooraf gaan eenige be- 
schouwingen o. a. over het belachelijke van Zuidnederlandsche 
dagbladen die bij de Noordnederlanders het gebruik van bastaard- 
woorden (inz. Fransche) wraken, terwijl zij er zelf zooveel (ofschoon 
andere) schrijven, en, wat erger is, door allerlei barbarismen hun 
« Vlaamsch » ontsieren ; over de « zuiveringswoede » bij sommige 
Vlaamsche dagbladen, enz. 

D' L. Simons, Een blik op Vondel, als wijsgeer, bl. 247-286. 
Het opstel werd geschreven naar aanleiding van den eersten Rei 
uit tt Lucifer». Schr.'s doel is «eenige beschouwingen in het midden 
te brengen over Vondels wijsbegeerte, die het breede en zekere 
spoor volgt der scholastieken ». Zijne denkbeelden heeft de dichter 
in twee gedichten neergelegd, schoon op verschillende wijze, nl. be- 
knopt in den beroemden rei van « Lucifer », en breed uitgewerkt 
in de Bespiegelingen van God en Godsdienst. Het eerste van die 
twee gedichten wil Schr. uit een zuiver wijsgeerig oogpunt ver- 
klaren, bij welke verklaring ook van de Bespiegelingen gebruik ge- 
maakt wordt, in zooverre die ter toelichting er van kunnen strekken. 
Na eene uiteenzetting van die algemeene beginselen van Vondels 
theodicea, welke in Lucifers rei van toepassing ?ijn, wordt dit 
laatste stuk regel voor regel — bijna woord voor woord — onder- 
zocht en verklaard, en als slot komt een overzicht van zang en 
tegenzang : in den zang wordt het onvolmaakt begrip van het on- 
eindig wezen ontwikkeld; de tegenzang antwoordt, dat het volmaakt 
begrip daarvan buiten het bereik der schepselen ligt. 

J. Broeckaert, Nog iets over on:^e oude liedjes:{angers, bl. 21-38. 
Het artikel bevat « nadere bijzonderheden.... eerst en vooral over 
Jozef Sadones » (biographische bijzonderheden, mededeelingen over 
zijne werkzaamheid, inz. over zijne liederen) en over zijn zonen 
Jan-Baptist en Hendrik ; verder over eenen Antwerpschen liedjeszanger 
uit de laatste helft der 18e eeuw, nl. J. B. Coesemans (kenmerkende 



Digitized by VjOOQIC 



- i37 - 

eigenaardigheden van zijne liederen, en uittreksels), alsmede over 
J. B. Van Werelijkhuizen en een paar andere, waarvan alleen de 
namen worden opgegeven. 

In een ander opstel handelt dezelfde schrijver over Elisabeth van 
den Hove, Nederlandsche dichteres (1666-1751), bl. 459-464. Zij is 
gesproten uit een Noordnederlandsche, katholieke familie, woonde 
eenigen tijd te Goes, vestigde zich, na den dood van haren echt- 
genoot, te Dendermonde, en overleed er. Van hare gedichten bestaat 
eene kopij in handschrift : 94 stukken van zedelijken en godsdien- 
stigen aard. Hoewel geen hooge dichterlijke vlucht verradende, zijn 
die verzen toch merkwaardig genoeg om aan de vergetelheid ont- 
rukt te worden. Schr. geeft echter thans geen ontleding van noch 
uittreksels uit die verzameling. 

A.-J.-M. Janssens, Verstrooide perels, bl. 411-428. Een ver- 
handeling over de versjes, die oude « beeldekens of santjes » ver- 
sierden. Schr. heeft 5oo dergelijke gedichtjes verzameld, deelt er 
eenige van mede, en wil er den oorsprong, ja, « den vermoedelijken 
dichter » er van opsporen. Hij meent dien gevonden te hebben in 
Pater Poirters, doch doet opmerken dat hij geen stellig bewijs 
daarvoor heeft : hij gist slechts. 

VERSLAGEN EN MEDEDEELINGEN DER KON. AKADEMIE VAN 
WETENSCHAPPEN. Afdeeling LETTERKUNDE, 4c reeks, D. II. (1898). 

A. Kluyver, Het artikel Mazapan in de v. Etymologische Un- 
tersuchungen » van Mahn, bl. 37-49. Schr. is van meening dat het 
artikel van Mahn over Mazapan er een voorbeeld van geeft, hoe 
onbewezen stellingen soms geloof vinden door het gezag van hem 
die ze uitspreekt. Mahn toch heeft zonder eenig eigenlijk bewijs 
aangenomen dat het Ital. woord mas[S(apane, waaruit in het Nederl. 
marsepein is ontstaan, oorspronkelijk eene verbinding is van Lat. 
ma:[a panis, eene afleiding die reeds eeuwen geleden werd uitge- 
sproken (voor het eerst in de i5e eeuw door den Venetiaan Ermolas 
Barbaro; ook Kiliaan kende ze), en in later tijd herhaaldelijk, hoe- 
wel er niets van door Mahn wordt gezegd. Volgens Schr. is dit 
de ware afleiding niet. De vormen van dit Romaansche woord in 
de verschillende Europcesche talen zouden terugwijzen op een Ital. 
vorm met r (mar:(apane), die reeds gewoon was in de 14© eeuw, 
terwijl Mahn van de bewering uitgaat, dat de oudste vormen van 
gezegd woord geene r hadden. Mar^apane nu, zooals blijkt uit vele 



Digitized by VjOOQIC 



— 138 - 

plaatsen, door Schr. aangehaald en besproken, was oorspronkelijk 
niet de naam van iets eetbaars, maar wel die van eene doos of 
kistje; het werd in dien zin vermoedelijk ontleend aan het Proven- 
9aalsche massapan (of een vorm uit een nauw daarmee verwante 
Romaansche taal); zeer spoedig werd er in het Ital. eene r aan 
toegevoegd, en de benaming ging over op eene lekkernij die men 
in Italië had gevonden, en die in zoodanige doosjes of kistjes ver- 
kocht werd. 

J. Verdam, Middelnederlandsche geestelijke poê\ie, bl. 145-174. 
In deze bijdrage handelt Schr. over de aanwinsten onzer kennis 
op het gebied der Mnl. geestelijke poëzie, vooreerst naar aanleiding 
van de uitgaven van De Gheldere {Dietsche Rime, 1896) en De Pauw 
(Mnl, gedichten en fragmenten), die veel overblijfsels van geestelijke 
poëzie voor den dag hebben gebracht, doch inzonderheid naar aan- 
leiding van twee hss. uit de boekerij der Koninklijke Akamedie. 
Die hss. werden voor zestig jaar door G. J. Meyer besproken 
(Werken van de 2» Klas van het Kon. Instituut, VI, 2), doch 
schijnen eenigszins vergeten te zijn geraakt. Geheel ten onrechte, 
meent de Schr., want zij zijn belangrijk genoeg om grondig onder- 
zocht te worden. Na de twee hss. beknopt beschreven te hebben, 
wordt door hem de inhoud er van geschetst. De verschillende stuk- 
ken, die er in voorkomen, behooren tot het lyrisch-epische vak; 
sommige zijn reeds bekend uit andere verzamelingen en worden 
gevonden o. a. in de boven vermelde uitgaven; eenige, van de 
best geslaagde, worden afgedrukt. Aan die mededeelingen worden 
de opmerkingen vastgeknoopt, waartoe die stukken aanleiding ge- 
ven : opmerkingen over de taal, bespreking van enkele voorkomende 
woorden, verbetering van verdorven lezingen, enz. De bijdrage ein- 
digt met een korte waardeering; uit een letterkundig oogpunt, van 
de behandelde teksten, waar de Schr. bondig uiteenzet waarom, op 
dit gebied, elke nieuwe vondst welkom is, en op welk standpunt 
men zich moet plaatsen om de middeleeuwsche dichters billijk te 
beoordeelen. 

HANDELINGEN EN MEDEDEELINGEN VAN DE MAATSCHAPPIJ 
DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE TE LEIDEN, OVer het jaar 
1897- 1898. 

In de afdeeling « Handelingen » komt eene rede voor van 
Dr J. Verdam over Sporen van volksgeloof in on^e ta3il en letter- 



Digitized by VjOOQIC 



- 139 - 

kunde, bl. 35-86. Spreker wijst er op dat de taaistudie het hare 
kan bijbrengen bij de studie der beschavingsgeschiedenis; in de 
taal immers worden allerlei overblijfselen van vroegere perioden 
bewaard, en die « taaloudheden » geven ons verrassende kijkjes in 
den beschavingstoestand van ons voorgeslacht. Ditmaal wil hij hande- 
len over verschillende spreekwoorden, vaste uitdrukkingen en woorden, 
die berusten op voorstellingen en begrippen welke aan het oude 
volksgeloof herinneren. Eerst worden door hem eenige spreekwoor- 
delijke zegswijzen verklaard (in de boonen zijn, den dans niet ont- 
springen, het haar van den hond, uit zijn vel springen, een kwaad 
oog op iemand hebben, enz.); daarna allerlei uitdrukkingen, ont- 
leend aan lang verouderde sterrekundige beschouwingen (als onder 
een gelukkig of ongelukkig gesternte geboren zijn; zijn gelukster 
is aan het tanen, enz.), of geneeskundige voorstellingen (als hard- 
vochtig, kwaadsappig, zwartgallig, kwaad bloed zetten, enz.), of 
natuurkundige begrippen (een ongelikte beer, blind als een mol, 
doof als een kwartel, krokodillentranen, enz. ; inz. uitdrukkingen 
ontleend aan de vogelwereld, als geluksvogel, fenix, grijpvogel, 
de raven zullen het uitbrengen, daar zal geen haan over kraaien, 
e. a.); ten slotte worden een viertal plaatsen uit schrijvers be- 
handeld, voor welker juist verstaan de wetenschap der volkskunde 
onmisbaar is, nl. twee uit Mnl. geschriften, waar Maria met een 
« uutvercoren nachtegale » vergeleken wordt (Maerlant's Clausule, 
V. 283-4), en Christus met een pelikaan (Profit, Liedeb., 254), en 
twee uit de 17e eeuw : een toespeling op het volksgeloof aangaande 
den ijsvogel in een sonnet van Hooft, en de bekende voorstelling 
van de tortelduif in den rei van den Gijsbrecht van Aemstel, die 
evenzoo een in den tijd van Vondel nog bestaand en hem bekend 
volksgeloof weergeeft, 

In de « Mededeelingen » staat van denzelfden Schrijver eene Herin- 
nering aan H. Hoffmann von Fallersleben (1798- 1874), bl. 8o-io3, 
waarin gewezen wordt op 's mans buitengewone beteekenis voor de 
herleving der studie van de taal en letterkunde uit de middeleeuwen. 
Schr. ontleent de meeste bijzonderheden aan des dichters autobio- 
graphie (Mein Leben, 6 dln., Hannover, 1868). Hij spreekt eerst 
over de verscheidene wetenschappelijke reizen, door Hoffmann in 
Noord- en Zuid-Nederland ondernomen; verder over zijne werken 
over Mnl. letterkunde, inz. over de Horae Belgicae, en wijst ten slotte 
op de onderscheidingen die hem, en met recht, te beurt vielen. 



Digitized by VjOOQIC 



— 140 — 

S. J. Fockema Andreae handelt over Spreekwij:[en en vormen 
aan het oude Recht ontleend, bl. 104-123, nl. de volgende : kiezen 
of deelen, woord houden, den handslag geven, handtasten, zijne 
eer verpanden, belofte maakt schuld, jaar en dag, voor de roode 
deur, den staf over iemand breken, (te pande) staan, godspenning, 
alle goede dingen bestaan in drieën, wie eerst komt, eerst maalt. 

TIJDSCHRIFT VOOR NEDERLANDSCHE TAAL- EN LETTERKUNDE, 
1898. 

J. Verdam handelt over Een nieuw fragment van den a Huge 
van Bordeeus », bl. 89-104. Uit de nalatenschap van Prof. Acquoy 
is door de Maatschappij der Nederl. letterkunde een perkamenten 
blad uit een Mnl. hs. aangekocht, ongeveer 340 verzen bevattende 
van den Huge van Bordeeus. Het is van een ander hs. dan dat 
waarin ons stukken van den Mnl. roman zijn bewaard, maar moet 
er ten nauwste mede verwant zijn. Schr. bespreekt den inhoud, die 
KalfTs meening (nl. dat de Mnl. vertaling een vrije bewerking 
van den Fr. tekst is) komt steunen, en drukt daarna de nieuwe 
verzen af. 

Verder, bl. 304-309, deelt dezelfde Schr. de afwijkende lezingen 
mede van Een onbekend afschrift van het Atretsche Couchy-fragment, 
dat in i859 door den Parijschen geleerde A. Guesnon gemaakt werd, 
toont aan dat verschillende der gissingen van De Vries daardoor 
tot zekerheid worden gebracht, en bespreekt een paar plaatsen waar 
dit nieuwe afschrift eene verbetering aan de hand doet. 

P. Fredericq, Nieuwe fragmenten der berijmde Fransche ver- 
taling van Maerlant's drie Martij ns, bl. 33-45. Van die vertaling 
had Schr. in 1884 reeds in het Tijdschrift eenige brokstukken be- 
kend gemaakt; de overige, die men wist bestaan te hebben, waren 
zoek geraakt. Onlangs werd door den heer L. Gilliodts-Van Severen, 
in zijn werk : V oeuvre de Jean Brito (1897) die vertaling afgedrukt, 
« maar vergezeld van een dertigtal geheele of verminkte onuit- 
gegeven strofen der Fransche venaling, niet alleen van den Wapene 
Martijn, maar ook van de twee andere Martijns ». Schr. deelt dien 
* nieuwen tekst mede, na hem nog eens met het hs. vergeleken te 
hebben. 

J. Bol te wijst er op, bl. 85-87, dat in de Universiteitsbibliotheek 
te Breslau Eine Verdeutschung von Coornherfs Schauspie! « Abrahams 



Digitized by VjOOQIC 



— t4ï — 

Uytganck » gevonden wordt ; ze werd door een onbekenden vertaler 
60 jaar na het oorspronkelijk drama (iSyo) gemaakt. 

M. Rudelsheim, Eenige onuitgegeven gedichten van Marnix, 
Marnix' :{elfcritiek, bl. 105-146. In een hs. van de Universiteits- 
bibliotheek te Gent komt de vertaling voor van vier psalmen, door 
Marnix in 1576 gemaakt; zij verschilt aanmerkelijk van de verta- 
lingen later (i58o, iSgi, 1617) uitgegeven. Zij zijn vergezeld van 
twee sonnetten, de eenige die wij tot nog toe van Marnix kennen. 
Aan de echtheid valt niet te twijfelen. Schr. deelt die sonnetten 
mede, en bespreekt dan de vertaling, die, te beter dan de drie uit- 
gaven, ons een blik in zijn zelfcritiek verleent, in zijn ontwikkeling 
als nauwgezet vertaler, in zijn dieper inzicht van de techniek van 
het vers, naarmate • hij het meer beoefende ». Marnix' vertalingen 
worden immer nauwkeuriger en vloeiender. In zijn eerste periode 
heeft hij, als alle rederijkers, moeite om de Fransche of classieke 
versmaat toe te passen ; woord- en versaccent verschilt vaak ; vreemde 
Woorden en stoplappen komen in menigte voor; maar al spoedig 
werden door hem die barbaarschheden geweerd, al spoedig besefte 
Marnix hoe wanluidend die valsche klemtonen klonken. 

W. L. de Vreese gaat voort met het uitgeven van Nieuwe 
Middelnederlandsche Fragmenten (Cfr. Leuv. Bijdr., II, 80). Dit- 
maal zijn het Drie nieuwe fragmenten van den « Spieghel Historiael » 
die hij mededeelt, bl. 200-222. Het eerste fragment zijn twee per- 
kamenten bladen, door den Schr. op de Kon. Bibl. te Brus.«-el 
weergevonden; het tweede is een strook perkament, afkomstig uit 
een register van de abdij te Eename, en thans op de bibl. der 
Gentsche Universiteit; het derde bestaat uit twee bladen perkament, 
aldaar thans ook. De tekst er van is reeds gedeeltelijk bekend; de 
onbekende verzen worden afgedrukt, en van de overige de afwij- 
kende lezingen medegedeeld. 

J. Franck, Aus der Komburger Handschrift, bl. 269-283. Het 
artikel bevat : 10) de collatie van den Reinaert, ter aanvulling van 
een collatie, door Boekenoogen in het ii* deel van het «Tijd- 
schrift » medegedeeld; 2°) de collatie van den Wapene Rogier; 
30) een reeks tot nog toe onbekende woorden, of bekende woorden 
met nieuwe beteekenissen of op ongewone wijze gebruikt, als bij- 
drage tot het Mnl. woordenboek; 40 twee korte prozateksten tot 
dusver onuitgegeven. 

Een paar fragmenten van den roman van « Limborch », door 
Prof. Gallée in een Lat. martyrologium uit het laatste der 14e of 



Digitized by VjOOQIC 



— t4i - 

het begin der i5o eeuw ontdekt, worden door G. Kalf f, bl. 297- 
3oi, medegedeeld. De tekst er van wijkt niet veel af van den door 
Van den Bergh uitgegeven. 

A. Kluyver, Sukade, bl. 46-48. Het w^oord komt ongetwijfeld 
van Ital. i'ucca = « kalebas », van waar Ital. :(uccata, en dit is het 
grondwoord, zoowel van Fr. succade, chucade als van Ndl. sucade 
en sucate. 

Van denzelfden komt nog voor Anjer en anjelier, bl. 147-160. 
Deze woorden — aan den Romaanschen oorsprong waarvan men 
niet moet twijfelen — luidden vroeger bij ons angier en angelier, 
angulier. Door verplaatsing van den klemtoon, en door verwarring 
met angelier, is uit het eerste anjer ontstaan; anjelier zelf is uit 
angelier voortgekomen, daar de g, eerst uitgesproken als een ge- 
wone Ndl. g, later vóór den toonloozen klinker in j overging (Vgl. 
b. V. orange, /range). Wat den oorsprong aangaat, het is moeielijk 
dien in het Fr. te willen zoeken, zooals men tot dusver deed ; 
Schr. meent dat de namen veeleer van dien der Ital. stad Angera, 
Angiera, Lat. Angleria, afkomstig zijn. — In Nog iets over Anjer 
en Anjelier, bl. 262-268, bespreekt J. W. Muller een plaats uit 
Spieghel's a Hertspieghcl », en wil aantoonen dat anjer niet onder 
invloed van anjelier ontstaan is, dat die vorm niet jonger is dan 
angier, dat de j van anjelier aan het voorbeeld van anjer moet 
toegeschreven worden; wellicht is dnjer rechtstreeks uit den Ital. vorm 
anghéra voortgekomen; wellicht werd anghéra bij ons als angjéra 
gehoord, en werd achtereenvolgens 'ang-jéer, anjéer, dnjer, 

A. Kluyver handelt nog bl. 241-254, over Kaliber. Na de 
verschillende voorgeslagen afleidingen besproken te hebben, in- 
zonderheid die, volgens welke het woord aan het Arabisch zou 
ontleend zijn, poogt hij te bewijzen dat het een Romaansch woord 
is, en waarschijnlijk het Fransch calibre; de oorsprong van dit laatste 
is aequilibrium, als term bij de artillerie. 

J. H. Gallée bespreekt, bl. 49-66, de volgende woorden : 
10) Drost, drossaert, drossatus. De verschillende vormen, die er van 
voorkomen, worden bijeengebracht, en op enkele kleinigheden in 
het verloop van de beteekenis en de ontwikkeling van den vorm 
wordt de aandacht gevestigd. Schr. neemt niet aan, dat men in 
het eerste lid met Ohd. ^«/rf = « dapes » te doen heeft; hij vat 
het op als « gevolg, schaar, krijgsbende »; Ohd. truht-sd^o (Os. 
druhtsdto), oorspronkelijk met den hoofdtoon op het eerste lid, be- 
teekent dan eigenlijk : « degene die de hoofdplaats had van, de directie 



Digitized by VjOOQIC 



- 143 - 

voerde over de druht y>, — 20) Hekse. Het is waarschijnlijk eene 
samenstelling; het eerste lid kan wezen Germ. haga, in beteekenis 
gelijk aan xaxd^, waar het mede verwant is; we hebben het nog «in 
Mnl. hagemunt = « valsche munt », haagtur/=i « slechte turf» ; daar, 
en in enkele andere samenstellingen, werd het tot nog toe uit haag = 
Lat. sepes verklaard ; het tweede is wellicht ontstaan uit Germ. teswja= 
« iemand die kwaad doet » (daarmede kan wel Mnl. tissen, tessen, 
uit teswian, samenhangen). 

G. A. Nauta geeft, bl. 67, eene plaats op uit een Engelsch 
gedicht van omstreeks i35o, waarin hij myke, ons mik, aantreft, als 
scheepsterm gebezigd. De oorspronkelijke beteekenis is « gaffelvor- 
mig voorwerp, waarop iets anders, vooral een dwarspaal, rusten kan ». 

J. Fr a nek, Mittelniederldndisch « allene », bl. 73-81. Schr. 
toont aan, dat Mnl. een, eene <( hetzelfde » kan beteekenen [cfr. 
Hg. « es ist mir alles eins », Mhd. « al ein »). Verbonden met het 
versterkend al, beteekent het verder « overeenstemmend, voortdurend, 
overal, geheel en al » (onder invloed van Fr. unimentf). Allene be- 
teekent ook « zelf, vanzelf »; omgekeerd komt jfe(f voor met de 
beteekenis « alleen » ; dat is uit allene = solus te verklaren. — In 
Eine Bemerkung über « nooiï », bl. 8i-83, wijst dezelfde Schr. op 
het volgende verschijnsel. In de levensbeschrijving van de H. Lut- 
gardis, door Prof. F. van Veerdeghem onlangs teruggevonden, hebben 
de verzen regelmatig vier heflingen met ééne daling er tusschen, uit- 
gezonderd die, waarin oit en noit voorkomen. Derhalve moeten die 
woorden als tweelettergrepige gelezen worden : ó-it en no-it; het 
eerste bestanddeel is Igm. auo « die »; het tweede, het toonlooze 
iet, zoodat ooit uit oorspronkelijk *au aiw wiht, later o éo wikt, door 
samentrekking ontstaan zou wezen. 

H. Kern bespreekt, in verschillende bijdragen, de volgende woor- 
den : 10) kantoor, quatuor, bl. i6i-i63. Deze twee zijn voorbeelden 
van eene en dezelfde klankontwikkeling ; nl. de e, die in keleur, kerant 
(van Fr. couleur, courant), enz. gehoord werd, vóór men kleur, krant, 
enz, zeide, gaat, in bepaalde gevallen, in een a over; aldus uit 
kentoor ons kantoor; evenzoo is de a in Lat. quatuor te verklaren, 
uit quetuör, — 20) Canis, funi, bl. 192. De a in Lat. canis is te 
verklaren als die in quatuor, dus uit een e (uit een oud cunis, eerst 
cenis, later canis, eindelijk cdnis). — 30) Boot, bl. 237-240. Het woord 
is in het Ndl. uit het Engelsch gekomen; men heeft aangenomen 
dat er, buiten het gebied der Germaansche talen, geene verwanten 
er van bestonden; Schr. toont aan dat Skrt. bheda of bhela ^v^hoot. 



Dialect. 11 

Digitized by VjOOQIC 



— 144 — 

vlot », er mede samenhangt. Oorspronkelijk beteekende dat woord 
« stuk hout, plank » ; boot moet in hoofdzaak dezelfde geschiedenis 
hebben doorgemaakt, en ten slotte uit denzelfden wortel gesproten 
zijn als beitel, bitter en bijten. 

A. Beets, Sjappetouwen bl. ZQS-aoo. Schr. handelt over de ver- 
schillende opvattingen van het woord, wijst op de oudste plaatsen 
waar het voorkomt (nl. in Alewijn's Jan Los, 1721), en bespreekt 
dan de afleiding, door prof. Veth voorgesteld : het zou een ver- 
bastering zijn van Mal. siapa toea; is dit zoo, dan moet het eerst 
om een « onverschillig mensch » te beteekenen gebruikt zijn. 

J. Verdam, Van noode hebben, van doen hebben, bl. 164-168. 
Het Mnl. van node beteekende «gedwongen, noodzakelijk, noodwen- 
dig »; het werd vaak verbonden met moeten, en moeten hebben. Dit 
van node moeten hebben nu werd als een tautologie opgevat; men 
liet moeten weg, en van node hebben alleen kreeg dezelfde beteeke- 
nis ; later nog beteekent het : <c noodig hebben » : en daarnaast komt 
van node j^ijn = « noodig zijn ». Door contaminatie ontstond, uit die 
uitdrukking, eene tweede, nl. te doene hebben, verbasterd tot van 
doen hebben, ook in dezelfde opvatting. 

In zijn Dietsche verscheidenheden, CXXII-CXXIV, bl. 3io-3i9 
[Cfr. Leuv. Bijdr., II, 193), handelt dezelfde Schr. over de vol- 
gende woorden : i») Baeshudich. Het woord werd, ten onrechte» 
door Schr. niet in het Mnl, Wdb. opgenomen. Een tweede voor- 
beeld wordt aangehaald (een bewijs dat het dus wel bestaan heeft), 
en de afleiding wordt besproken : tegen de door De Vries gegevene, 
nl. dat het eerste deel Mlat. ^o^^m^ =s cc pinguis » zou wezen, zijn 
bezwaren (vooral de a in het Mnl.); daarom vraagt Schr. of men 
wellicht geen Mlat. basus naast bassus mag aannemen? — 20) Oor- 
spronc. Schr. wijst op plaatsen, bij Mnl. schrijvers, maar het woord 
voorkomt, om de verklaring van het NederL Wdb, te steunen, nl. dat 
oorsprong" niet, zooals Franck en VercouUie* beweren, naar het 
voorbeeld van het Hg. gevormd is. — 3o) Onder — ende. Schr. 
stelt een nieuwe verklaring van die uitdrukking in de plaats van 
die door De Vries vroeger gegeven, en maakt door het aanhalen 
van vele plaatsen het gebruik en de beteekenis van de zegswijze 
bekend. 

G. J. Boekenoogen, Duimkruid, bl. 236, wijst op een plaats, 
in een officieel stuk van 1488, waar het woord reeds voorkomt; het 
moest toen reeds gewoon zijn. 



Digitized by VjOOQIC 



^ — 145 — 

D. C. Herseling, in zijn artikel over Bestekamer, bl. 292-296, 
komt op tegen de tot heden gangbare meening, dat dit woord een 
verbastering zou wezen uit Mnl. bassecamere, Fr. basse chambre; 
het is eene euphemistische, of liever schertsende uitdrukking. 

G. A. Nauta bespreekt, bl. 84-86, de w. i2-i3 uit den Spaan- 
schen Brabander, waar Jerolimo's woorden, van de Schelde gezegd, 
« (hem) supporteert tot over Meyr », beteekenen dat de Schelde 
doorstroomt tot voorbij Mere (dus niet : tot in \ee, en Mejrr is op 
te vatten als eigennaam). Beer, in den volgenden regel, was de 
naam van een Antwerpsche herberg in Bredero's tijd. 

B., Ferguut, vs. i852-53, bl. 88. De lezing van het hs. werd 
ten onrechte door Verwijs veranderd; men behoude ze, met wijzi- 
ging van de interpunctie; na v. i85i komt een punt; in v. i852 
verdwijnt het komma, en men vatte het vers aldus op : Een nog 
onervaren meester heeft u gelaten. 

C.^Bake, Nog eens a Dubbeluw y>, bl. 169-171. Schr. komt enkel 
op het woord terug (zie Leuv. Bijdr., I, 82) om te wijzen op eene 
plaats bij Langendijk {Don Quichot, 6* tooneel), waar Dubbelduw 
ongetwijfeld « duivel, booze geest » beteekent; wellicht heeft het 
woord diezelfde beteekenis bij Bredero. 

A. Hendriks, Palamedes . v. 796. De woorden : <( dat tref 
Laomedon » beteekenen : « dat verwijt treffe Troje ». Daarmede valt 
van Lenneps verklaring weg. 

J. Franc k weidt uit, bl. 283-285, over het Vyuergat in Rein. 
I, 1640. Hij wijst op het onduidelijke van de voorstelling, vraagt 
of men niet in muergat mag verbeteren (dat als uiuergat gelezen 
werd, vanwaar de schrijfwijze vyuergat)} misschien mag men ook 
aan vuyrstergat denken. — J. W. Muller, die, bl. 286-291, ins- 
gelijks de plaats bespreekt, weet geen raad met muergat, dat niet 
in het verband wil passen ; ook tegen vuyrstergat bestaan bezwaren : 
geen der beteekenissen er van geeft een goeden zin. « Zonder een 
beter hs., of een juister inzicht in den toenmaligen bouwtrant der 
huizen, zullen wij in dezen wel geene stellige uitkomst verkrijgen ». 

J. Verdam, De Griseldis-novelle in het Nederlandsch, bl. 1-18. 
De Griseldis-novelle, die tot de in de middeleeuwen meest verbreide 
romantische stoffen behoort, komt het eerst voor in den Decamerone, 
wordt verder in al de Europeesche litteraturen aangetroffen en is 
ook in de onze herhaaldelijk bewerkt geworden. Schr. vermeldt in 
het Ndl. de volgende bewerkingen : 10) een hs. van het «Museun\ 
Meermannianum » (Den Haag); het dagteekent van omstreeks 1400, 



Digitized by VjOOQIC 



— 146 — 

en werd geschreven door een «c bnieder van den prediker oorde »; 
het is een vrij getrouwe vertaling van Petrarcha's Latijnsch ver- 
haal ; de taal er van is Oostelijk getint ; 20) een hs. uit het begin 
der i5o eeuw, door Gallée ontdekt en uitgegeven {Tijdschrift, d. IV, 
1884); 30) een incunabel, te Deventer in het laatst der i5« eeuw 
gedrukt, en naar een 0£ra. bewerking vertaald; 40) Coomhert's 
vertaling in zijne a Vijftigh Lusthige Historiën oft Nieuwigheden 
Joannis Boccatii »; 5o) Dirck Potters bewerking in Der minnen 
loopt IV, 1095 sqq.; 60) eene berijming uit het begin der i6e eeuw, 
door zekeren Anton. Ghyselers; 70) het Historielied van de verdul- 
dige Griesella, waarschijnlijk uit het begin der 17e eeuw; 80) ver- 
schillende dramatische bewerkingen uit de 16e eeuw, en 90) volks- 
boeken uit de zöe-ige eeuwen. 

Dit opstel is eene inleiding tot de uitgave van den tot dusver 
onbekenden Griseldis- tekst, daareven onder lO) vermeld^ en die door 
Schr., op bl. i8-3o afgedrukt wordt. 

J. A. N ij land. Nog eens Jakobus Bellamy, bl. 3i-32. Schr. 
vond, onder de « Bellamiana » van het Zeeuwsch Genootschap, twee 
proeven van eene onafgewerkte critiek van het gedicht M, H. De 
Ruyter, door Loosjes (Haarlem, 1784) ; ze worden hier medege- 
deeld als getuigenis afleggende van Bellamy's « gezond oordeel op 
letterkundig gebied, zich zoo gunstig onderscheidende van dat van 
vele zijner tijdgenooten ». 

}. A. Worp, in zijn opstel De n Alfreda » van P, A, Codde 
en Lope de Vega's « La hennosa Al/reda », bl. 68-72, toont aan 
dat eerstgenoemd werk geen vertaling is van Rotrou's La belle 
Alfrède, welk naar het Spaansch van Lope zou bewerkt zijn. De 
inhoud van het Ndl. stuk is geheel anders dan het Spaansche; 
het Fransche stuk komt niet in aanmerking om de verhouding van 
Codde's werk tot dat van Lope te bepalen. Schr. zegt dat men 
van een « bewerking » door Codde niet mag spreken ; aan de Sp. en 
Ndl. stukken ligt misschien dezelfde kroniek uit de 12e eeuw ten 
grondslag; Codde heeft aan zijn drama een heel afwijkend slot 
gegeven. 

M. M. Kleerkooper, in zijn bijdrage Een vergeten catalogus, 
bl. 172-189, deelt de Catalogus ... bibliothecae ... jD. Samuelis Costeri 
mede, die thans in de Kon. Bibl. te Dresden te vinden is; er blijkt 
uit dat S. Coster in het Lat. en Fransch ervaren was, de geschie- 
denis bestudeerde, enz. 



Digitized by VjOOQIC 



— 147 — 

]. Hobma, Een veelbesproken blijspel, bl. 255-267. Is de Wa- 
renar van Hooft alleen , of heeft Coster er aan medegewerkt ? 
Schr. onderzoekt op zijne beurt dit vraagstuk {cfr, Leuv. Bijdr., 
II, 210), en schaart zich aan de zijde van D^ Stoett, tegen Coster 
als medewerker. Hij onderzoekt vooral, ter staving van zijn besluit, 
den uiterlijken vorm van het tooneelspel. 

F. Buitenrust Hettema, Namen en Zinspreuken, bl. 3oi- 
3o3. Kleine lijst, uit een werkje van 1810, van zinspreuken van 
dichters der i6e en 17e eeuwen. 

G. J. Boekenoogen, Concept van Bestedinge tot het bedijcken 
van de Assendelver meer, ao i553, bl. 223-236. Een stuk uit het 
archief te Assendelft; het bevat een aantal minder bekende uit- 
drukkingen, en is geschreven in de gewone schrijftaal der Zuid- 
hoUandsche eilanden, hier en daar wat Zeeuwsch gekleurd. Schr. 
deelt het mede, en geeft dan de beteekenis en verklaring aan van 
eenige waterbouwkundige termen, die er in voorkomen. 

NOORD EN ZUID, 1898. 

Dr A. Beets verklaart de volgende woorden en uitdrukkingen : 
10) Laars^enis, bl. 95 (het is eene omzetting van la;(ernis, d. i. 
« lazerheid, lazerij »); 29) Eene veer van den mond bla^^en, bl. 478- 
479 (daarin hebben we niet, een gelukkig gevonden beeldspraak, 
maar een uitdrukking aan de oude rechtspraktijk ontleend, zooals 
blijkt uit eene plaats uit de Statuten van Maastricht, a<> i38o); 
30) Een deuntje den hals breken, bl. 80-82 (« den hals breken » 
beteekent hier niet, zooals Leendertz wil : <c er een einde aan ma- 
ken », noch, zooals Stoett verklaart : cc opzeggen, nazingen », maar 
c( bederven, verknoeien, radbraken »). 

Dr. F. A. Stoett behandelt: 10) Door het bedstroo druipen, 
bl. 172-173. Schr. oppert zijn bedenkingen tegen de door Kluyver 
gegeven verklaring in het Ndl, Wdb,, II, 1247, en vat «druipen» 
hier op als a langzaam door iets heen vallen, vermageren »; het 
staat hier in denz. zin als in de uitdr. c< door de kleeren druipen »); 
20) Iemand eene loer draaien, bl. 243-259. Na te zijn nagegaan wat 
er reeds vroeger over den oorsprong van die zegswijze is mede- 
gedeeld, en na ze vergeleken te hebben met andere van gelijke betee- 
kenis, besluit hij dat het subst. loer, in 't Mnl. cc lomperd, botterik », 
oorspr. (c iets van geringe waarde, een lap, vod, lor » moet betee- 
kend hebben; het is identisch met luur, Ofri. lür{e), en de oe is 



Digitized by VjOOQIC 



- 148 ~ 

aan Duitschen invloed of aan een dialectische uitspraak van de ü 
als oe te wijten. 

G. A. Nauta weidt uit, bl. 354, over Hei Cambrijnsche vocht, 
d. i. c( bier », en over den oorsprong van de benaming (de naam 
van den Brabantschen Hertog Jan I, beschermer van het brouwers- 
gild, zit er in). 

Van de nog al talrijke, meestal korte en vaak niet onderteekende 
opstellen, die sommige woorden, uitdrukkingen, zegswijze verklaren 
of bewijsplaatsen (soms voor reeds gegeven verklaringen) bijbrengen, 
noem ik o. a. Lombard, bl. 20; in ge^^egende omstandigheden en laks- 
bl. 5i, mofy bl. 79, miniaturen, 85, een Mingo, bl. 187, laberlottig, 
heid, bl. 100 (door P. H. H.; ten onrechte, volgens hem, in de wdbb. 
labberlottig gespeld) ; een gek in quarto, bl. 377 ; men moet geen 
oude palen verletten, bl. 386; oog om oog, bl. 464; weerga, bl. 480 
(door C. B[ake]; het woord zou een opzettelijke vervorming zijn 
van « weerlicht ») ; de droes op Marken, bl. 583 (door K. P[oll]; 
Marken werd in vroeger tijd als een verblijfplaats van den duivel 
beschouwd, zooals blijkt uit verschillende plaatsen bij oudere schrij- 
vers). 

C. J. Vierhout zet zijne Stilistische overwegingen voort, bl. 
53-59 {cfr, Leuv. Bijdr., II, 204); ditmaal heeft hij het over ont- 
kennende zinnen, gebruik van voornaamw., gebrek aan samenhang 
tusschen de verschillende zinnen, verkeerd gebruiken van voorzet- 
sels, enz. — J. Bergsma gaat eveneens voort met zijn in vorigen 
jaargang begonnen bijdrage over De voorvoegsels der werkwoorden, 
bl. 184-187 (cfr. Leuv. Bijdr., II, 2o3); ditmaal wordt het voor- 
voegsel ge- besproken. — Opstellen over Synoniemen komen voor 
door Van der Mate, bl. 72-78; 177-183; 378-383; 53o-532. Na een 
inleiding over de beteekenis van het woord, het te maken onder- 
scheid tusschen grammaticale en lexicologische synoniemen, het doel 
der studie van de synoniemen en de te volgen methode bij de 
scheiding van zinverwante woorden (nl. etymologie, taalgebruik, 
spraakkunst en logica), behandelt hij, op de door hem aangewezen 
wijze, dertien groepen van synoniemen. — Ook C. J. Vierhout 
levert een opstel over Woorden van gelijke beteekenis, bl. 345-349. 

Andere bijdragen tot de spraakkunst zijn die van S., over de 
Verdeeling van de bijvoeglijke finnen, bl. 174-176; C. Bake, Eene 
kommakwestie, bl. 35o-353 (gebruik van komma's in «uitbreidende» 
bijzinnen); H. Slotboom, Afhankelijke vragen, bl. 362-374 (be- 
paling, soorten, woorden die tot inleiding er van dienen); primaire 



Digitized by VjOOQIC 



- 149 — . 

en secundaire buiging, bl. 375-377. Daarbij sluit zich aan het opstel 
van D' A. Kluyver, Over de methode van het taalkundig onder- 
focAr, bl. 321-332. Door eenige, goed gekozen voorbeelden, toont 
Schr. aan, hoe men, bij de studie van de etymologie der woorden, 
zich niet mag laten verleiden door uiterlijke overeenkomst in klank ; 
dat de taaistudie noodzakelijk historisch moet wezen; dat de goede 
methode bestaat in het juist en met tact te pas brengen van goed 
geordende kennis, en dat men moet beginnen zoo veel kennis mo- 
gelijk in zijn bezit te krijgen. 

J. Verdam, De werking der bijgedachte in de taal, bl. 413- 
448. De analogie of de invloed der uiterlijke overeenkomst is een 
factor die allerlei storingen in den levensloop der woorden teweeg- 
brengt. Nauw daarmede in verband, wat aard en werking betreft, 
is de macht of werking der bijgedachte in de taal, d. i. het bekend 
verschijnsel waarbij, wanneer door het gesproken woord in onzen 
geest eene voorstelling gewekt wordt, niet alleen die voorstelling, 
maar andere, in klank daarop gelijkende, levendig worden. Dit 
wekken eener bijgedachte kan opzettelijk geschieden : dan ontstaat, 
aan den eenen kant, de woordspelling, de kwinkslag; aan den 
anderen, de dubbelzinnigheid. Maar veel vaker geschiedt dat on- 
willekeurig, en dat juist is belangrijk voor de taal. Schr. schetst 
dan achtervolgens de machtige werking van dien factor als de 
oorzak van : 10) allerlei onlogische of onjuiste woorden, uitdruk- 
kingen, zinsvormen (b. v. iemand uitveteren ; voor twee jaar gele- 
den, ik ben moeten weggaan); 20) verschillende wijzigingen op het 
gebied der woordvormen (b. v. genitieven als des werelds; ik tijg 
aan het werk); 30) het in onbruik raken van woorden (b. v. engelsch= 
engelachtig; Oostenrijk voor het « aardsch Paradijs); 40) het aan- 
nemen van een inheemsch gewaad door woorden aan andere talen 
ontleend (b. v. armborst en hangmat); 5o) wijzigingen in de woord- 
beteekenis, ook onder invloed van de volksetymologie (b. v. Mnl, 
antwordt en antwerde; durven; geeuwhonger, enz.). 

Dr G. A. Nauta schrijft een reeks verklarende aanteekeningen 
bij de De drie Zustersteden van Ledeganck, bl. 59-71; J. La n ge- 
raap eene Inleiding tot de n Leekedichten n van De Genestet, bl. 
260-276; Taco H. de Beer handelt over P. C. Hooft, bl. 88-94 
(algemeene waardeering ; Hooft's karakter ; zijn stijl ; zijn betrekkingen 
met zijn tijdgenooten) ; over J. Cats, bl, 163-171 (Cats beteekenis; 
als dichter is hij al heel weinig meer voor onze dagen); over 
Bilderdijk, bl. 276-284 (hoe het komt dat Bilderdijk wel gekocht. 



Digitized by VjOOQIC 



— i5o — 

maar niet gelezen wordt ; zijn waarde voor onzen tijd : hij verdient 
in bloemlezing ernstig gelezen te worden); over Jan Van Beers, 
bl. 355-361 (levensloop van den dichter; blik op zijnen tijd; zijne 
waardeering in Noord-Nederland), en over C. Huygens, bl. 525-529 
(Huygens staat nader aan onzen tijd dan Vondel en Hooft, omdat 
bij hem het humoristische genre den boventoon heeft, inz. de on- 
deugende, Fransche humor; Huygens is ook belangrijker voor den 

taaibeoefenaar, omdat zijn woordenschat dien van bijna alle anderen 

« 
overtreft). 

P. Visser beschouwt Poot als natuurdichter, bl. 469-475. Poot 
had, in de dorre cc poëzie-looze » achttiende eeuw, twee hoedanig- 
heden, voor eenen dichter onmisbaar : gevoel voor klank en zin voor 
de natuur. Zijn verzen kenmerken zich door een prachtig rhytme; 
maanlicht en stilte voeren zijn hart de fijnste ontroeringen toe ; vaak 
heeft hij fantasietafereeltjes naar den klassiekerigen smaak van zijn 
tijd, maar overal komen er brokken waarneming van Hollandsche 
werkelijkheid in. Hij is eigenlijk é.è^ dichter, waar hij zich zelf 
is, en den wansmaak van zijn tijdgenooten niet involgt. — Eene 
andere, ongeteekende bijdrage, handelt ook over Poot^ bl. 465-468; 
Schr. geeft eenige biographische inlichtingen, beschrijft den kring 
waarin Poot verkeerde, en huldigt den dichter vooral als een kun- 
stenaar met groote oorspronkelijkheid, die niet door oefening en 
navolging zijn kunst had verkregen, en boven alles er naar trachtte 
eenvoudig en natuurlijk te zijn. Aan beide opstellen wordt door 
Taco H. de Beer een Naschrift toegevoegd, bl. 475-477, waarin 
Schr. wijst op de beteekenis van Poot voor onzen tijd, en de gebreken 
van den dichter vergoelijkt door er aan te herinneren dat zij grooten- 
deels aan Poofs tijd, en niet aan den dichter zelf, te wijten zijn. 

In een ongeteekend opstel, Mannenkarakters in den Hollandschen 
roman, bl. 333-344, worden de hoofdhelden van eenige der meest 
gelezen tegenwoordige Ndl. romans geschetst (« Een zwakke » van 
Fr. Coenen; de kroonprins uit Couperus' cc Majesteit », cc Bemard 
Bandt » van Herman Robbers, enz.). Zoo deze schrijvers dergelijke 
mannenkarakters kiezen en het publiek hen bewondert, toont dit dat 
zij beantwoorden aan een behoefte van het oogenblik ; maar daardoor 
wordt volstrekt niet bewezen de zoo vaak verdedigde theorie, dat 
het werkelijke leven zich weerkaatsen moet in de producten van de 
verbeelding, want tusschcn de mannenkarakters, door de phantasie 
van de schrijvers geschapen, en de thans werkelijk levende mannen 
bestaat een groot verschil. 



Digitized by VjOOQIC 



— i5i — 

J. R o es el ing' s Van een oudt liedeken, bl. 225-242, is een be- 
schouwing over het bekende « Het daghet in den Oosten ». Schr. 
wijst op de populariteit van dit lied, de « vergeestelijking » er van, 
de reis er van naar Duitschland en elders. 

W. K. — J, F. Olimans, bl. 34-47. Schr. is het niet eens met 
Jonckbloet, die Oltmans veel te ongunstig beoordeelt, en hem te 
hard valt voor het zwakke van de karakterteekening der personages 
in zijne romans; Ten Brink oordeelt meer waardeerend, maar drukt 
te zeer op Oltmans zoogen. afhankelijkheid van Scott, hoewel 
Oltmans zich geheel naar Scott vormde. Een invloed die veel 
nadeeliger werkte op de vrije ontwikkeling van Oltmans* gaven 
waren de denkwijze en de smaak van zijne tijdgenooten. Schr. 
erkent dat Oltmans geen schrijver van grooté beteekenis was. Merk- 
waardig is het dat hij, hoewel Protestant, zich kenmerkt door liefde 
voor kerkpraal en kloosterleven; die karaktertrek had hij gemeen- 
schappelijk met de Duitsche meesters van de romantische school. 

Aug. Gittée, in zijn opstel Van Eeden's vi Kleine Joannes», 
bl. 47-5 1, toont aan hoe dit boek een gesymboliseerde historie is 
van het zieleleven van den mensch; het werk wordt ontleed, en 
op eenige kenmerken er van gewezen : c< het is een parel aan de kroon 
van onze jongste Nederlandsche letterkunde ». 

D' A. S. Kok zet zijne Arenle^^ing voort, bl. 129-146 {cfr. Leuv. 
Bijdr., II, 207). Schr. deelt veel bijzonderheden mede aangaande 
Jacopo Sannazzaro, den bekenden humanist (i453-i53o), die een 
beroemd epigram in het Lat. dichtte (een lofspraak op Venetië), 
dat hem met zes honderd ducaten beloond werd. Het is het duurste 
epigram dat bekend is ! Driemaal werd het in het Ndl. vertaald, 
o. a. door Bilderdijk. Naar aanleiding van dit versje, wordt door 
Schr. uitgewijd over de geschiedenis van het epigram in onze let- 
terkunde. 

Ten slotte blijven nog te vermelden enkele bijdragen waarin eene 
of andere plaats van eenen schrijver besproken wordt; zoo handelt 
H. Slotboom, bl. 83-85, over de constructie van Hagar, v. 7; 
M. C. B[ake], bl. 259, verklaart «krenken» in Warenar, v. S67, 
als « schaden », en dan slaat hem niet op het voorafgaande bak= 
« baksel, beslag », maar op Rijkert; M. Tarf bespreekt, naar 
aanleiding van Nauta's boven vermeld opstel, eenige plaatsen uit 
Ledeganck's aAan Brugge yi, bl. 384-386 (vragen om nadere inlichting 
en terechtwijzigingen). 



Digitized by VjOOQIC 



xSa — 



TAAL EN LBTTBRBN^ 1898. 

J. Fr a nek. Schriften psr Limburgischen Sprache und Literatur, 
bl. 49-52; X05-109; 135-139; 337-341; 387-392; 415-421; 463-476; 
5o3-5i5. Schr. begint door er op te wijzen hoe de gunstige ligging 
van Limburg in de middeleeuwen het ontstaan van een letterkunde, 
op het laatste der i2« eeuw, bevorderde. Hoe echter die Limburg- 
sche dialecten, die toen een schrijftaal werden, waren, is nog niet 
genoegzaam onderzocht. Het Limburgsch vormt de overgang van 
het eigenlijk Ndl. tot het Duitsch-Limburgsch, en verder tot het Mid- 
delfrankisch ; maar daar 10) het Limburgsch — evenals het Vlaamsch, 
het Brabantsch, enz. — niet èén dialect, maar de benaming van 
eene reeks dialecten is, en 2») geen enkel Limburger zijn eigen 
dialect zuiver schrijft, maar steeds een min of meer conventioneele 
schrijftaal, zoo zijn het voornamelijk de nog thans levende gewesttalen 
die men moet bestudeeren om tot een antwoord op de gestelde 
vraag te geraken. Dit noopt Schr. een overzicht te geven over 
hetgene tot nog toe verricht werd met betrekking tot de letterkunde en 
de dialecten van Limburg. Hij bespreekt achtereenvolgens i®) « Het 
Roermondsch dialect » van Dr L. Simons (1889) [Bruikbaar, doch 
met veel voorzichtigheid te raadplegen; de methode laat te wen- 
schen over]; 2») « De klank- en vormleer van het Mnl. dialect der 
St. Servatiuslegende » van F. Leviticus (1892) [Duidelijk; de Schr. 
houdt echter niet uiteen, wat in de dialectische vormen op rekening 
van den dichter en op die van den afschrijver moet komen; vele 
onnauwkeurigheden bovendien] ; 30) Het cc Nederduitsch glossarium 
van Bern» door D' F. Buitenrust Hettema (1889) [Franck geeft er 
een rijke nalezing op]; 40) « De Limburgsche Sermoenen », door 
Dr J. H. Kern (1895) [De spraakkunst wordt geprezen, hoewel Schr. 
er toch veel aanmerkingen op te maken heeft ; de overgeleverde 
tekst is te conservatief behandeld] ; 5o) « De levens van Jezus in het 
Mnl. » door Dr J. Bergsma (1897) [Schr. spreekt daar geen oordeel 
over uit, omdat het werk nog niet af is]. — Ten slotte geeft hij, 
daartoe van den rijken voorraad van bouwstoffen gebruik makend, 
een systematisch overzicht over de eigenaardigheden van het Lim- 
burgsch, en doet opmerken hoe men die synthesis moet opvatten, 
na hetgeen hij in het begin van het opstel geschreven heeft. 

J. G. Talen zet zijne Beknopte spraakleer van 't beschaafde 
Nederlands voort, bl. 39-48, en handelt hier over « de comparatie • 
(cfr. Leuv. Bijdr., II, 210). 



Digitized by VjOOQIC 



i53 



Uit de nalatenschap van J. A. F. L. Baron van Heeckeren 
(cfr. Leuv. Bijdr.. II, 210) worden door T. N. van der Stok 
verscheidene stukken medegedeeld met Nog een en ander over Vondel, 
bl. i-i3; 401-408. Het eerste handelt over « de tendenz van den 
Lucifer ». Schr. bestrijdt de allegorische opvatting van Van Lennep 
en Jonckbloet, en stelt er een a theologische » voor in de plaats : 
Vondel nl., « een groot liefhebber van de zoogen. typische theologie », 
heeft een theologisch treurspel geschreven; de opstand der Engelen 
is hem « een voorspook van den opstand in de Kerk ; evenals de 
oproerige engelen uit den hemel, werden de afvallige zielen uit de 
Kerk geworpen ». Maar Vondel is niet bitter ; hij is integendeel tot 
zachten weemoed gestemd, omdat zoovelen zijner vrienden tot die 
afvalligen behoorden, zooals hij vroeger. — In het tweede stuk, 
« Vondel als lofdichter », verdedigt Schr. de stelling, door de verzen 
op 's mans beschermster, Mevr. van Vlooswijck, te bespreken, dat 
Vondel even groot lof- als hekeldichter was. — In het laatste, « Het 
tooneel, Vondel en de Kerk », wijst hij er op hoe de verschillende 
Protestantsche secten uit die dagen jegens het tooneel vijandig ge- 
zind waren, en inz. vijandig tegenover Vondel stonden. Vondel had, 
door middel van zijn bijbelsche drama's, stichting door het tooneel 
willen bekomen; maar een dergelijk plan moest mislukken, want 
de schouwburg had een al te zedelooze omgeving. Overigens, het 
Protestantisch mysticisme begreep niets van Vondels symboliek. — 
Vondel is meer een theologisch en zedelijk, dan echt godsdienstig 
dichter geweest. 

Ook J. Koopmans schrijft eene reeks Vondel'Studieén,\A. 257- 
278; 355-377; 481-502. — I. Vondels verchristeliking van de heidense 
didaktiek. Vondel beschouwde de heidensche fabel als een leerwijze, 
door God zelf voorgeschreven, tot verkondiging van het geopenbaard 
geloof. Zie zijn Vorstelijcke Warande der Dieren, zijn Gulden Winckel. 
Men meende dat God de gewoonten en levenswijze der dieren den 
mensch tot leering voorhield; dat was ook Vondels beschouwing. 
Hij was door en door mystisch, en onderwees gaarne door een 
verbloemde manier van zeggen; daarom trok hem de fabel aan. 
Hij is, Jn de 17e eeuw, als een geleerde monnik geworden, a dichter- 
lijke sermoenen schrijvend van kerkelïk-exegetiese inhoud, dierekt 
of indierekt ter ere van den allerhoog^ten God » ; op 84-jarigen 
ouderdom vertaalde hij nog de « fabelen », van Ovidius : dit geschiedde 
ook om de heidensche didaktiek dienstbaar aan het ware geloof te 
maken. ^^ II. De verchristeliking van de heidense epiek. Voor en na 



Digitized by VjOOQIC 



— i54 — 

de Renaissance heeft men er zich op toegelegd de heidensche 
mythologie christelijk te verklaren. Vondel, zooals zijn meeste tijd- 
genooten, zagen de Heidenen voor «verbasterden van Godt m aan; 
in hun iabelleer schuilden nog waarheden van goddelijken oor- 
sprong. Die opvatting bracht tot het allegorisch verklaren er van ; 
Vondel deed dat van den beginne af; hoe langer hoe meer wordt 
de heidensche historie en letterkunde door hem « verchristelijkt » ; 
de beteekenis van de Aeneis, b. v., ligt voor Vondel in de prophe* 
tische stelling van 't stuk : hij zag er de voorspelling in van den 
ondergang der oude wereld en de stichting van het rijk Gods. — 
III. Eerste wij:(gerige en theologiese invloeden. Evenals voor Spic- 
ghel en Hooft, was voor den protestanschen Vondel het Christendom 
veeleer een dichterlijk- wij sgeerig stelsel dan eene theologie; men 
zoeke in zijne werken geen innige vroomheid. In de godsdienstige 
twisten van zijn tijd is hij de kampioen van de verwonnen partij 
geweest (b. v. Palamedes, de gedichten over Bamevelt). Later betoont 
hij zich de trouwste letterknecht van Menno's rechtzinnige school; 
hij kant zich tegen de predestinatie-leer. Maar de grenzen van zijn 
oppervlakkig geloofsgebied heeft hij kunnen verruimen, zonder de 
dogmatische diepte van een specifiek eigen leerstelsel behoeven te 
begeven. 

Van denzelfden Schr. kom nog stukken over Maerlant voor. In 
het eerste, Maerlanfs « Alexander », bl. 93-104, wordt eerst gespro- 
ben over de opvatting van Alexander in de oudste bewerkingen 
der sage, daarna over de allegorisch-apocalyptische beteekenis, die 
in de middeleeuwen op den voorgrond treedt, en ook bij Maerlant 
te vinden is. Bij dezen is Alexander de eerzuchtige, die in het 
Oosten door Lucifer, in het Westen door God ten val wordt ge- 
bracht door zijn onverzadelijke eer- en heerschzucht, en door zijn ge- 
mis aan christelijken ootmoed. — Het tweede stuk loopt over Maerlant 
als Boetprediker, bl. 183-196. Schr. zet uiteen hoe Maerlant de 
wereld bestrafte, en haar op God wees. Betrekking daartoe worden 
inz. de Martijns beschouwd, waar Maerlant niemand spaart. Doch als 
hij de dienaren der Kerk gispt, ondermijnt hij niet de Kerk, maar 
strijdt in haren geest. Iets wat hem verheft boven zijn tijd, is 
a z'n mildheid in z'n beoordeeling van de vrouw », en het zelf- 
bedwang dat hij van den man eischt ; dat geeft hem cc een sterk 
Germaanse karaktertrek ». 

J. G. Talen, Iets over de Zwaanridder, bl. 287-294. Deze bij- 
drage — geschreven naar aanleiding van J. F. D. Blöte^s laatste 



Digitized by VjOOQIC 



- i55 — 

navorschingen — loopt over de Cleefsche zwaanriddersage. Schr. 
betoogt eerst dat ze een tijdlang in Kleef moet gebloeid hebben 
als slamsage van het regeerende huis (in de iS© eeuw moet er een 
ware !Zwaanridderkultus aan het Hof aldaar bestaan hebben), en wijst 
er verder op dat vroeger, in de i3« eeuw, ze in Brabant bloeide 
(Wolfram van Eschenbach heeft die Brabantsche sage in zijn 
Parifival overgenomen, met zekere afwijkingen). De Brahantsche sage 
zelve is ontstaan uit de Fransche (die van Godfried van Bouillon), 
en de Kleefsche werd naar de redactie van den Parpval gewijzigd. 

F. Buitenrust Hetteipa, Iets over Bredero, bl. 65-92. Bij . 
het beoordeelen van Bredero's cc Liederen », heeft men, volgens 
Schr., te weinig op de tijdsorde er van gelet; men heeft, in plaats 
van den tijd van vervaardiging zoo mogelijk eerst vast te stellen, de 
minder of meer ontwikkelde cc dichter-techniek » als criterium voor 
het dateeren van verzen beschouwd ; dat is een » petitio principii ». 
Schr. bespreekt een aantal verzen, waar men het jaartal van weet, 
om te doen uitkomen dat, in vele van zijne eerste minneliederen, 
Bredero reeds heerschappij over de taal bezat, en dat bijgevolg 
gezegd cïriterium hier tot geen uitkomst leidt. Verder wordt uitge- 
weid over Bredero's karakter ; hij was ernstig en komisch, realistisch 
van jongst af. Wij kennen Bredero lang nog niet; alleen iemand 
die cc dichter-intuietsie » heeft zou ons cc de dichter » kunnen schet- 
sen. 

J. A. Worp handelt, bl. 409-413, over de Nederlandsche Don 
Juan drama's. Ongeveer in 1620 werd te Madrid een drama ge- 
speeld, de El Burlador de Sevilla van Fra Gabriël Tellez (meer 
bekend onder zijn deknaam Tirso de Molina); het riep een reeks 
navolgingen en bewerkingen in het leven. In de Nederlanden ver- 
scheen het eerste Don Juan drama in 1669 : 't was een zeer slecht 
geschreven stuk, in 3 bedrijven, van A. Peys. In 1719 valt een 
bewerking door G. van Maater (vertaling van Molière' s Don Juan); 
toen kwamen die drama's in de mode; Schr. bespreekt de stukken 
van P. Seegers (i72o>, F. Rijk (1721) en J. van Rijndorp. Ook in 
het Friesch werd de geschiedenis gedramatiseerd, nl. dcx)r Yede 
Jurjens in zijn Trotsen Edelman (1709). 

J. Koopmans, Da Costa's ledeaal, bl. 545-55 1. Eenmaal 
Christen, is Da Costa even orthodox, als hij rechtzinnig als Jcxxi 
is geweest. Op de voorstellingen van de profeten en de rabbijnen 
bouwt hij de bekende chiliastische verwachtingen; hij wordt een 
profeet, en Nederland zal 't nieuwe Sion zijn, vanwaar uit de ware 



Digitized by VjOOQIC 



- i56 — 

Heilsleer zich over half de aarde zal verspreiden ; hij ent « 'n eigen 
nasieonale iedee op 't Profeties iedeaal»; maar.... hij heeft te lang 
geleefd voor zijn ideaal, en zag het door de feiten niet verwezen- 
lijkt worden. 

Jacob Ek Jzn., Van Hélène Swarth, bl. 433-456. De « schrij- 
vers-artiesten » streven naar het zuiver weergeven van de realiteit ; 
het lyrisch element wordt overwegend : men wil zoo volmaakt 
mogelijk zijn indrukken uiten. In hooge mate geschiedt dit bij 
Hélène Swarth. Zij heeft een ongelukkige liefde gehad; uit al hare 
gedichten spreekt cc de smart » over dat verlies ; eerst rouw, dan 
verteedering, later weemoed. Slechts in hare Aquarellen ontbreekt 
dit subjectieve bestanddeel; daar treedt zij op den achtergrond en 
zingt van de schoone natuur en van menschengeluk. Doch zij blijft 
daar ook de dichteres van den weemoed. Wat haar kenschetst is 
dat zij niet — zooals de litteratuur sedert 1880 — heftig optreedt 
tegen de « convensie » van de oude litteratuur van vóór 1880, 
maar zacht blijft. 

J. de Meester, Aug, P. van Groeningen en de Epiek, bl. 3o5- 
33o. Na op het subjectieve en individuëele karakter van de poëzie 
sedert 1880 gewezen te hebben, toont hij aan dat Aug. P. van 
Groeningen — was hij blijven leven — de epicus zou geworden zijn 
die in de jongste litteratuur gemist wordt. Hij bespreekt dan de 
verschillende werken van den schrijver, inz. Een nest menschen en 
Martha De Bruin, die hem ons best doen kennen. Van Groeningen 
was echter meer voortreffelijk epicus in details, dan in den bouw 
van zijn verhaal. Doch hij heeft niet kunnen geven wat wij moch- 
ten verwachten ; hetgeen overblijft van den te jong gestorven schrijver, 
is belangrijk, omdat het oorspronkelijk is. 

Dr. B[uitenrust Hettema], Inleiding tot dichter studie, bl . 209- 
338. Het oude idee is dat er een dichterstijl en een dichtertaal 
bestaan, die van de prozaische natuur moeten afwijken; verzen ken- 
merken zich ook nog door maat en rijm. Bovendien heeft men 
kunstregels bijeengebracht die tot het vervaardigen van gedichten 
behulpzaam zijn zullen : men leze ijverig de gebruikte a poëtische 
uitdrukkingen », zie anderen de kunst af, enz. Alles navolging, 
vooral van de klassieken! Kunst wordt alzoo gekunsteldheid. Het 
Romantisme kwam daartegen in verzet, en zocht eenen cc leiband » 
in de middeleeuwen; dat was ook nadoen-kunst. Echte dichters 
werpen zooveel mogelijk eiken leiband weg; natuur en waarheid, 
die aan veel dichter-uiting ontbreekt, moet terugkeeren. Tot het in- 



Digitized by VjOOQIC 



^ i57 - 

zicht van wat eigenlijk het cc dichterlijke » is, moet men komen 
door vergelijken, niet door definities. Men moet afkeer leeren krij- 
gen van dwaze beeldspraak en cc poëtische frazes », en trachten 
waar te zijn, zich zelven geven. 

In Nog eens de « Warenar^y, bl. 239-244, bestrijdt F. A. Stoett 
nogmaals Leendertz in zijn theorie over het ontstaan van het too- 
neelstuk (cfr, Leuv. Bijdr., II, 210), en geeft een andere verklaring 
van sommige plaatsen; in een Naschrift daarop, bl. 245-248, houdt, 
P. Leendertz zijne meening staande. — Ook W. van der 
Heide, bl. 295-296, verklaart anders eenige verzen, waarop, we- 
derom in een Naschrift, bl. 295-299, Leendertz antwoordt, en 
zijne uitleggingen handhaaft. 

A. Brants handelt, bl. 279-285, over de bekende Mnl. sproke 
Wisen raet van vrouvren (inhoud van het verhaal, grammatische toe- 
lichtingen; Schr. meent dat het gedicht geschreven werd naar een 
mondeling verhaal van Pieter van lersele, die dus niet de vervaar- 
diger zou wezen), enW. van der Heide geeft tekstverklaringen 
bij Starings Ivo, bl. 113-134. 

Dr W. F. Gombault, Holland = Hol-land f bl. 197-199. Prof. 
R. Fruin is in i885 tegen de toen algemeen aangenomen etymologie 
Holland^=Holtland opgekomen, en heeft Holland ^= Hol-land voor- 
gesteld. Schr. onderzoekt Fruin's bewijzen, en t(X)nt aan : 10) dat 
de vorm Holt-land reeds vóór 1200 bestaan heeft, en niet door 
scribenten in de 140 en i5e eeuw uitgedacht werd; 2°) dat het weg- 
vallen der dentaal vóór de / in het Mnl. een gewoon verschijnsel 
is; Holtlandy Holland is dus niet vreemd, en ten onrechte beweert 
Fruin dat we Holtland > Houtland zouden moeten hebben ; 3o) dat 
juist de rijkdom aan hout, en niet de laagte, het holle, het eigen- 
aardige van de landstreek was. Daarom blijft Schr. bij Holland = 
Holt-land. 

B[uitenrust] H[ettema] geeft, bl. 457-458, op grond van 
plaatsen uit oudere cc kluchten », eene eenigszins andere verklaring 
van Buiten-beentje dan Dr Kluyver in het Ndl. Wdb, i. v. been. 

P. H. van Moerkerken verklaart, bl. 458-459, Flatteren in 
Bemagie's «Studente-leven» als cc snappen», en, bl. 539-541 Hagen- 
develt, dat in verschillende oudere tooneelspelen voorkomt met de 
beteekenis cc voortreffelijk », niet, zooals tot nog toe algemeen aan- 
genomen wordt, als zijn ontstaan te danken hebbende aan den 
hoofdpersoon van een romantisch verhaal, maar wel aan zekeren 



Digitized by VjOOQIC 



— i58 — 

(c Hagendevelt », die te Amsterdam in de 170 eeuw woonde, en bij 
het volk als een uitstekend goochelaar bekend stond. 

W. L. de Vreese deelt, bl. 201, eene plaats mede uit de 
Lamentatie van den Bruggeling Zegher van Male waar Op :(ijn 
genevois beteekent : <c op zijn genueesch ». Dat steunt de door 
Dr Nauta vroeger gegeven verklaring {c/r, Leuv. Bijdr., I, 96^7). 

OUD HOLLAND, 1898 (afl, 1-3), 

P. Leendertz, Jr.. Een Middelnederlandsche Cisiojanas, bl. 
1 12-120. Schr. begint met er op te wijzen hoeveel moeite onze 
middeleeuwsche voorouders hadden om eenigszins nauwkeurig een 
datum aan te wijzen. Van de verschillende hulpmiddelen die zij 
kenden om dit gemakkelijker te maken, bespreekt hij in het kort 
de twee meest gebruikelijke, nl. de Zondagsletter en de Cisiqfanus 
(benaming van rijmpjes uitgedacht om de plaats der verschillende 
feesten in den kalender gemakkelijk te onthouden), en deelt daarop 
een dergelijken <f Cisiojanus » mede, in Mnl. verzen geschreven. 
Aan den eigenlijken kalender — die in een hs. der Hertogelijke 
bibliotheek te Wolfenbuttel te vinden is — gaan een dertigtal regels 
handleiding vooraf, die het stuk belangrijk maken. Schr. meent dat 
het gedicht binnen het gebied van een van de bisdommen Kamerijk 
of Doornik (meest waarschijnlijk dit laatste) vervaardigd werd. 

C. W. Bruinvis geeft, bl. 63-64, Eenige kleine mededeelingen 
naar aanleiding van de a Zeeusche Nachtegael 9 (cfr. Leuv. Bijdr,, 
II, 96). Het zijn bijzonderheden personen betreffende die aan den 
bundel hebben medegewerkt (nl. Anna Roemer Visschers echtgenoot 
en hare zonen; Francisca Duarte, enz.). 

DIETSCHE WARANDE, 1898. 

G . Segers' uitvoerige studie over Vondel en de Turken, bl. 66-78, 
127-133, 217-231, 287-302, werd geschreven met het doel cc eenig licht 
op eene nieuwe zijde van Vondels karakter [te] werpen »; Schr. vnl 
nl. doen uitkomen hoe Vondel niet alleen belang stelde in alles, 
wat er om hem gebeurde in zijn vaderland, maar nog zijn geest 
bezighield met wat daarbuiten odaging. Herhaaldelijk vestigt hij, in 
zijne werken, de aandacht op het gevaar dat het Christelijk Europa 
van de zijde der Turken bedreigde; ja, «het Oostersche vraagpunt» 
was de cc politieke aangelegenheid [die] hem meest bezighield ». 



Digitized by VjOOQIC 



— iSg — 

Dit staaft Schr. breedvoeriger door de gedichten te ontleden die 
Vondel vervaardigde ter gelegenheid van de krijgstochten, tegen de 
Turken ondernomen. De eerste maal liet hij zich tegen dit volk uit 
in 1639; zijne vrees voor de Turken straalt meest van al door in zijn 
Opdracht van « Joannes de Boetgezant» (1662); zijn laatste gedicht 
tegen de Turken werd geschreven na den val van Kandia, toen 
hij reeds in zijn tachtigste jaar was. 

I. Teirlinck, Hulsterloo in Reinaert de Vos, bl. 417-424, 
459-469. Dit artikel is, volgens de verklaring van den Sch., een 
gedeelte eener studie, die uitsluitend over de plaatsnamen in den 
Reinaert handelt. Na vermelding der verschillende plaatsen waar 
Hulsterloo voorkomt, en in welke schrijfwijzen, toont hij aan dat 
deze naam in de Middeleeuwen niet onbekend was. Hij bespreekt 
verschillende oorkonden waar hij in aangetroffen wordt (de oudste 
is van ii36), toetst de meeningen van Willems, Jonckbloet, Serrure 
e. a., en komt tot het volgende besluit : het Hulsterloo uit den 
Reinaert lag op Kieldrecht; het gehucht heet thans Kouter, Dit 
meent Schr. te mogen opmaken om de volgende redenen : i) Hul- 
sterloo lag in het cc oostende » van Vlaanderen; 2) in het land 
van Waas, « int soete lant » van den dichter ; 3) het was een ver 
maarde bedevaartplaats in de Middeleeuwen; 4) men vond daar de 
Kreke, eene beek, en het gehucht, de Krekelmuite, welke beide 
namen hij met het eerste deel van het Kriekeput uit den a Reinaert » 
identificeert; 5) in de iS* eeuw vond men de Kieldrecht drie stuk- 
ken land, Simon, Woestijne en Wildernesse geheeten, drie namen, 
die ook in de teksten van den c< Reihaert » voorkomen; 6) eindelijk, 
een oorkonde van 1269 vermeldt een zekeren Wilhelmus Clericus, 
die te Hulsterloo woonde. 

J. Broeckaert deelt, bl. 359-371, Twee spotdichten op Dender- 
monde door Willem Caudron mede. Beide komen voor in een 
onuitgegeven hs. der 17e eeuw; de schrijver, W. Caudron, was een 
Aalstersche poëet, in zijn tijd nog al beroemd. Het eerste stuk is 
een «zonderling mengelmoes van schimpscheuten en scheldnamen», 
het tweede acht hij üiet zonder belang als « eene bijdrage tot de 
geschiedenis ». 

Oude ^(angwij^en, door H. Roes, bl. 329-332, bevat, na een 
korte bespreking van een druk van i632 der « Geestelycke Harmonie » 
met het « Geestelyck Lusthoofken », de a beginsel-regels » der melo- 
dieën (van geestelijke en wereldlijke liederen) die in die bundels 
voorkomen (12 + 47). 

Dialect. 12 



Digitized by VjOOQIC 



— t6o — 



DË GIDS, 1898. 

In deel III, bl. i2o-i58, komt eene niet onderteekende bijdrage 
voor : Tollens. Documenten uit de jaren iSoy-iSSi, «Uit een paar 
honderd en meer briefjes en brieven door Tollens aan zijn uitgever 
Immerzeel geschreven, zijn hier enkele uittreksels bijeengebracht, 
die tot illustratie kunnen dienen van den man en zijn tijd ». Die 
briefwisseling is nooit intiem geweest; wat wij daaruit vernemen 
brengt ons niet veel verder dan tot de oppervlakte van het leven; 
alleen één ding moet ons daarbij troosten : zelfs al had Tollens 
zich in zijn brieven wat meer ontboezemd, wij zouden hem toch 
niet nader zijn gekomen. De brieven dagteekenen uit de jaren 
1807 en vlgg. Toen lag Tollens' opbruisende jeugd al achter zijn 
rug; hij was een bezadigd man geworden, bij wien de a zaken » 
vóór het verzenmaken gingen. Uit de brieven van Immerzeel ver- 
nemen wij niets aangaande zijn overgang van de Moederkerk tot 
de Remonstrantsche Gemeente (in 1827). Die brieven worden onder 
drie hoofdstukken gebracht : i©) brieven uit den tijd van het Ko- 
ninkrijk van Holland, bij de eerste herleving der letteren (1807- 
1809). Tollens krijgt al naam door heel het land. — 2°) Brieven 
uit de jaren 1818-1821, toen Immerzeel aan de dichters van Neder- 
land in zijn cc Muzenalmanak » een vereenigingspunt aanbood. 
Tollens, die aan het hoofd van het bestuur stond, veroverde in 
dit tijdperk zijn plaats onder de eersten van het Rijk door zijn 
Overwintering. — 3o) Brieven uit de jaren 1829-1832, tot Immer* 
zeel gericht; bovendien onuitgegeven gedeelten van W. de Clercq's 
dagboek (beeld van het leven der toemalige Rotterdamsche poëten) 
en nog onbekende brieven van W. Messchert (zij lichten ons in 
omtrent de crisis in Tollens' leven, waar zijn « bekeering een uit- 
vloeisel van was »). — Die verschillende stukken worden onderling 
verbonden door aanteekeningen, die het verband begrijpelijk maken ; 
evenzoo worden toespellingen op personen en feiten door een aan- 
teekening verklaard. 

HET BELFORT, 1898. 

W. de Vreese geeft, bl. 23 1 -235, Eene collatie van Jan 
Brinckerinck, nl. « Van swighen », die in het Brusselsch hs. als 
negende « collatie » voorkomt, maar door W. Moll niet werd op- 



Digitized by VjOOQIC 



— i6i - 

genomen, omdat hij het stuk voor een fragment hield, « van zeer 
geringde beteekenis en waarschijnlijk niet van Brinckerinck ». Schr. 
doet opmerken dat niets die uitsluiting wettigt (de acht overige 
<c collatiën » hebben eveneens een fragmentarisch karakter), en geen 
enkel ander bewijs heeft Moll bijgebracht om aannemelijk te maken 
dat het stuk niet van Brinckerinck is. Hij deelt het dus mede a om 
der vnliedigheid wille, en ook omdat het eenige woorden bevat 
waarvoor eene bewijsplaats te meer niet onwelkom kan zijn )). 

H. DeMarez, Studies van hedendaagsche Nederlandsche litera- 
tuur. Hélène Swarth, bl. 5-i3; 219-230; 386-396 werden naar aan- 
leiding van de twee laatste bundels Blanke duiven en Diepe wateren 
geschreven. Gansch het temperament van de dichteres is « samenvat- 
baar » in deze enkele uitdrukking : smartelijke liefde. De verschillende 
dichtbundels van de dichteres worden besproken met het doel 
a in groote, breede trekken de personaliteit van Hélène Swarth te 
schetsen»; Schr. houdt zich «vooral bij hare psychologische ont- 
wikkeling ; het « ik » is bij haar zoo overweldigend en zoo be- 
langrijk, dat men onwillekeurig daaraan het leeuwenaandeel geeft ». 
« Hare subjectiviteit ergert niet een oogenblik, omdat het gevoel, 
dat zij bezingt [nl. de liefde], niet beperkt is in de palen van 
haar enkel persoontje ». Zij heeft dat bezongen, cc nu eens als een 
eenvoudige mensch, dan eens als een half-god; zong zij haar leven, 
z ij zong ook zoo het leven van ons allen ». 

A. J. Oostdam, Katholieke letteren. III. N. H, C. Sloot, 
bl. Ii5-i24 (enkele biographische bijzonderheden, opsomming van 
en beknopt overzicht over hare werken); IV. J. A. Vesters^ bl. 
589-599 TNa het noodlottig uiteinde van Vesters geschetst te hebben 
[1881], worden de waardeerende bewoordingen door de Katkol. Illu- 
stratie t aan zijn nagedachtenis gewijd, aangehaald, waarop een kort 
overzicht over zijn voornaamste geschriften volgt)^ 

E. van Hove, Jan De Laet als letterkundige, bl. 366-376. 
Schr. wijdt eenige blz. aan De Laet als dichter, romanschrijver en 
journalist, drukt er op dat hij Conscienc's boezemvriend was en 
« trouw helper in het oprichten van het grootsche gebouw der 
Vlaamsche Beweging », en betreurt dat zulk een man wordt ver- 
geten. — Deze studie heeft A. Moroy genoopt in een korte 
bijdrage. Jan De Laet als letterkundige, bl. 617-621, « eenige be- 
denkingen in het midden te brengen ». Schr. meent dat de heer 
Van Hove « overtollig wierook heeft gebrand » voor De Laet; hij 
wijst er op dat De Laet zeer goed besefte dat hij noch een groot 



Digitized by VjOOQIC 



— x6a — 

dichter noch een groot romanschrijver was; eenige biographische 
bijzonderheden werden verder medegedeeld en eenige vergissingen 
verbeterd. 

J. Muyldermans, Over spreektaal en schrijftaal, bl. 21 3-2x8. 
Schr. betreurt den afstand tusschen gesproken en geschreven taal, 
en beweert dat, in Zuid-Nederland, de kloof dagelijks breeder 
wordt, «daar onder onze schrijvers eene drukking schijnt te bestaan 
zich meer en meer van de volkstaal opzattelijk te verwijderen » 
{d, j. zij schrijven niet meer cc zooals men spreekt », maar trachten 
.... Nederlandsch te schrijven). Het Zuiden is, in opzicht van taal, 
veel conservatiever gebleven dan het Noorden ; geef, « heden nog, 
eenen Rosweyde, eenen Poirters, 'nen de Swaen, ene, in handen 
van gewone lui », zij verstaan die taal nog zeer goed. Daaruit 
besluit Schr. dat wij die taal van de Zuidndl. schrijvers der i7« 
en i8e eeuwen niet mogen verwaarloozen ; wij moeten ze in eere 
houden, en wat er nog in de dialecten van voorkomt, gebruiken. 
Anders handelen, et uitdrukkingen en wendingen verwerpen, die 
onder ons volk nog klank en gang behielden, dat ware de taal 
wetens en willens verarmen, den afstand tusschen spreek- en schrijf- 
taal noodzakelijk verbreeden ». Wij moeten dan maar schrijven 
zooals het volk spreekt, m. a. w. dialect schrijven. Op het Noorden 
moet niet gelet worden : «zij het hunne, wij het onze ». 

ROMANIA, 1897. 

G. Hu et, Sur la rédaction néerlandaise de v Maugis d'Aigre^ 
mont », suivi de fragments inédits, bl. 495-516. De Mnl. vertaling 
van den Franschen roman « Maugis d'Aigremont n (bij ons onder 
den titel van Maleghijs of Madelghijs bekend) is slechts gedeelte- 
lijk tot ons gekomen. De heer Huet doet ons in dit opstel nog tot 
dusver onbekende fragmenten kennen, die thans in de « Bibliothèque 
Nationale » te Parijs bewaard worden. Naar aanleiding daarvan 
onderzoekt hij eerst uitvoerig de verhouding van de Mnl. vertaling 
tot het oorspronkelijk (voor de vertaling, dier zeer sterk afwijkt van 
de Fr. redactie, werden, gedeeltelijk ten minste, andere gegevens 
gebruikt; er werd aan het oorspronkelijk veel gewijzigd, veel bij- 
gevoegd en ook veel er van weggelaten ; vandaar het groote verschil), 
en deelt dan den nieuwen tekst mede (twee fragmenten, in een Lat. hs. 
uit het begin der 16© eeuw voorkomende; ongeveer honderd verzen, 
waarvan Schr. de plaats tusschen de andere bestaande fragmenten 
bepaalt). 



Digitized by VjOOQIC 



— i63 — 

J. P. Vogel, Het leemen Wagentje. Indisch tooneelspcl uit 
Sanskrt en Prakrt in het Nederlandsch vertaald {Academisch Proef- 
schrift der Amsterdamsche Universiteit). — Amsterdam, Scheltema 
en Holkema, 1897. 

Het « Leemen Wagentje » is een Indisch tooneelstuk, vermoede- 
lijk door zekeren Dandin, een dichter uit de 5« of 6« eeuw n. Chr., 
geschreven. Het is een van de voornaamste voortbrengselen van de 
letterkunde der Hindo's, en, zooals de heer Vogel het in zijne 
« Inleiding » zegt; « zoo voortreffelijk door karakterteekening en 
levendige handeling, door poëtische schoonheid en hoogheid van 
denkbeelden, dat velen [dit stuk] zelfs stellen boven KSlidSsa's 
wereldberoemd drama ». 

Na een en ander te hebben medegedeeld over den aard, den 
tijd van vervaardiging en den auteur van gemeld stuk, bespreekt 
de Schr. verder, in zijne « Inleiding », de Europeesche vertalingen 
die er van gemaakt werden, en zet ten slotte uiteen hoe hij zijne 
taak van vertaler heeft opgevat, Het kwam hem voor dat « noch 
een proza-vertaling . als van Böhtlingk en Regnaud, noch een 
geheel metrische, als van Fritze, den juisten indruk kan geven 
van het origineel, en dus de afwisseling van gebonden en onge- 
bonden stijl, zoo kenmerkend voor het Indisch drama, ook in de 
vertaling moest blijven bewaard; bij het weergeven der poëtische 
gedeelten was [zijn] streven de oorspronkelijke metra, zooveel mo- 
gelijk, te behouden ». Voorwaar, geene gemakkelijke taak, daar het 
Nederlandsch zich maar moeielijk leent tot het navolgen van de 
Indische versvormen. Schr. hoopt dan ook (bl. 184) dat men hem 
een paar lichte vergrijpen tegen de spraakkunst niet te zwaar zal 
aanrekenen. 

Op de vertaling, waarin Schr., zoo getrouw mogelijk, de Sans- 
krit- en PrSkritteksten naar vorm en beteekenis tracht weer te 
geven (bl. i-i63), volgen de tt noten » (bl. 164-182), die het noodige 
bevatten wat door den lezer tot goed begrip van het tooneelspel 
kan gevraagd worden, terwijl in de « aanteekeningen », waar het 
boek mede eindigt (bl. i83-2i6\ rekenschap gegeven wordt van 
alle plaatsen, waar de vertaling van andere, inzonderheid van 
die van Böhtlingk afwijkt, -of waar de Schr. eene andere lezing 
verkoos boven die van Stenzier, wiens uitgaaf van 1847 hij tot 
grondslag gebruikte. 

Wanneer men bedenkt dat, waar in de meeste landen van 
Europa van alle eenigszins belangrijke voortbrengselen der Indische 



Digitized by VjOOQIC 



— 164 — 

ktterktmde, ééne of meer vertalingen verschenen^ in het Neder- 
landsch zelfs de meesterstukken van die oude, rijke en veelzijdige 
litteratuur niet bekend werden gemaakt (i), dan zal men zeker den 
heer Vogel dank weten het « Leemen Wagentje » vertolkt te heb- 
ben, om dit stuk ook ten onzent die belangstelling te doen vinden, 
welke het ten volle verdient. C. L. 

J. Heinsius. Klank- en Buigingsleer van de taal des Statenbijbels, 
P. Noordhoff, Groningen, 1897. 

Twee jaar gelegen, op 28» April 1897. verdedigde de heer J. Heinsius 
het proefschrift waarvan de titel hierboven staat, ter verkrijging \'an 
den graad van Doctor in de Nederlandsche Letterkunde aan de 
Universiteit van Amsterdam. 

Enkele bladzijden inleiding gaan de behandeling van het eigen- 
lijke onderwerp vooraf. Schr. deelt erin beknopt mede hoe de Staten- 
overzetting van den Bijbel « in den tijd van bijna negen jaar tot 
stand werd gebracht door vier en twintig mannen van beteekenis 
in hunne dagen », wie die mannen waren en hoe ze te werk gingen, 
hoe ze, door hun afkomst, de verschillende gewesten van de Neder- 
landen vertegenwoordigden, en hoe, nemen wij dat alles in aan- 
merking, wij tot het besluit komen « dat het niet mogelijk is a priori 
te zeggen, welk dialect men in den Bijbel of eenig deel daarvan 
zal aantreffen ». 

In zijn proefschrift heeft Schr. alleen den tekst der Canonieke 
geschriften behandeld, en voor zijn onderzoek daarbij gebruik ge- 
maakt van den druk van 1657, « de beste editie des Statenbijbels », 
« de eerste van drukfouten gezuiverde uitgave ». De invloed door 
den Statenbijbel uitgeoefend op het latere Nederlandsch gaat ten 
andere vooral uit van deze uitgave, « die sedert altijd is.nagedrukt ». 

In zijn Klank- en Buigingsleer nu, vergelijkt Dr H. de taal van 
den Statenbijbel vooral (c met de schrijftaal van omstreeks 1600 » : 
de taal van Marnix* Byencorf, van een paar geschriften van Coorn- 
hert, en van Hugo De Groot' s Bewys van den waren Godsdienst, 



(i) Met uitzondering van enkele werken (de (^akuntala-veriaXing 
van Prof. H. Kern, 1862; die van het stuk Malavikagnimitra 
door Dr J. Van der Vliet, 1882, alsmede die van het Pancatantra 
door G. H. Van der Waals, 1895-1897) en eenige brokstukken 
(o. a. door P. A. S. van Limburg Brouwer in den Gids) is alles 
nog in het Nederlandsch onvertaald gebleven. 



Digitized by VjOOQIC 









— i65 — 

«Dat er zulk een taal bestaan heeft, (de Schr. duidt ze aan mèi 
c< O. N. S., d. i. Oude Nederlandsche Schrijftaal), zal wel niet 
« ontkend worden. Dit neemt niet weg dat zij enkele eigenaardig- 
« heden vertoont van het dialect des schrijvers, die zich van haar 
« bedient; ""vij mogen dit a priori onderstellen en 't blijkt dan ook 
« het geval te zijn. Soms hebben die idiotismen wortel geschoten 
« in den bodem der schrijftaal, en vinden wij een woord in twee 
« vormen naast elkaar; ik zal dan trachten na te gaan, tot welk 
«dialect de vorm behoort, w^elke door de Bijbelvertalers wordt 
« gebruikt en door hen dus als de echte algemeen-nederlandsche 
« wordt beschouwd. Waar ik de idiotica of andere werken niet 
« vermeld, waarop ik mijn uitspraak grond, heb ik de aanwijzing 
« der dialecten in den regel te danken aan Prof. Te Winkel. » 

Zooals te verwachten was, na de mededeelingen over de wijze 
van ontstaan der Vertaling, blijkt deze een mengelmoes te zijn 
uit de verschillende dialecten van de bewerkers, met, bijwijlen, 
twee verschillende dialectvormen van hetzelfde woord naast elkander 
(vremt, vreemt; effen, even, enz.), en meer dergelijke zaken. In de 
behandeling der e vóór gedekte r staat de Stb. vrijwel op 't stand- 
punt van het Vlaamsch-Brabantsch. « Afgezien van aerde, komen 
bijna geen woorden met a voor; en in de O. N. S. zijn de 
a-vormen, weder met uitzondering van aerde, bijna uitsluitend tot 
de Noordnederlandsche schrijvers beperkt j> (bl. 19). — Met betrek- 
king tot "tig in den auslaut acht Schr. als waarschijnlijkst. « dat de 
oudere uitspraak van gutturale ll-|-k en de jongere van gutturale D 
naast elkaar stonden n in de O. N. S. welke hij aanneemt in 1600 
als xoiv-i^ bestaan te hebben. In den Stb. wordt auslautende ng 
vrij algemeen door nek weergegeven, in de eerste uitgave; meest 
door ngh daarentegen, in de uitgave van lóSy (bl, 41). — Stb. 
heeft den Noordnederlandschen vorm gunste, niet den Vlaamschen : 
jonste ibl. 48). Enz. 

Wat de Buigingsleer betreft, « de hoofdvormen der sterke ver- 
voeging komen én in de O. N. S. én in den Stb. over 't algemeen 
natuurlijk overeen met die welke in het Mnl. en nog thans worden 
aangetroffen » (bl. 56). — Vormen « als leget, seget, teelt, in de 
160 eeuw nog niet ongebruikelijk » komen niet voor in de O. N. S. 
noch in den Stb. (met uitzondering van heeft). Enz. 

Deze enkele grepen, links en rechts, uit Klank- en Buigingsleer, 
benevens de aangehaalde plaatsen uit de Inleiding, mogen volstaan 
tot inlichting van doel en methode. De Klankleer beslaat bl. 10 tot 55. 



Digitized by VjOOQIC 



- i66 — 

De Buigingsleer, bl. 56 tot i65 ('t Verbum, bl. 56-84; verbuiging 
der substantiva. bl. 84-117; der adjectiva, bl. 117-132; der prono- 
mina, bl. i32-i57; des artikels, bl. 157-159; eindelijk, de telwoorden, 
bl. i59-i65). 

^ i63 tot 170 verdienen bijzondere vermelding (bl. 102-1x6); 
bijwijze van cc Aanhangsel » handelen zij over 't geslaöht eener reeks 
substantiva, in 't Mnl., in de i6e eeuw. in Stb., iA de 17e eeuw 
en in het tegenwoordig Ndl. 

In § 244 spreekt Schr. zijn Slotwoord uit : cc Hiermede is mijne 

« taak volbracht. Vooral uit de klankleer bleek ons, zooals wij reeds 

« van te voren onderstelden, dat het dialect der Staten- vertaling 

• een aantal Vlaamsch-Brabantsche eigenaardigheden vertoont. De 

« taal des Statenbijbels is een waardige vertegenwoordigster van 

« onze schrijftaal , maar bezit in nog sterker mate dan deze , 

a vormen die aan de tongvallen onzer Zuidelijke broeders zijn 

cc ontleend *. 

L. S. 



BERICHT. 

In de volgende afleveringen zal eene beknopte opgave van de 
verschenen tijdschriftartikels de ontleding dier artikels vervangen, 
ontleding zooals onder andere Noord- en Zuid er geregeld eene 

zeer verzorgde de belangstellenden aanbiedt. 

Ph. C. 



Digitized by VjOOQIC 



n 



/ 



Il r, o 



f ,f- 



LetLYeiiscbe 

Bijdt^aget) 



OP HET GEBIED VAN DE 

GERMAANSCHE PHILOLOGIE . 

EN IK -T BIJZONDER VAN DB- 

NEDERLANDSCHE DIALECTKUNDE 

ONDER HET BESTUUR VAN Ph» CO LI NET, EN MET DE MEDEWERKING VAN 

W. BANG, L. GOEMANS, C. LECOUTERE. L. SCHARPÉ, 



ENZ. 



in<»e JAARGANG. — 2de EN LAATSTE AFLEVERING. 



INHOUD. 

L. GoEMANS. Antonius Sexagius' Üe Orthogtc^hia Lin- 
gvce Belgicce, herdrukt en met inleiding en aanmer- 
kingen voorzien (I«te deel). Blz. 167. 

C. Lecoutere. Beatrijs. Blz. 247. 

Boekaankondiging : L. G. : Te Winkel, De Noord- 
nederlandsche Tongvallen. — A. Vermeylen, Leven 
en Werken van Jonker Jan Van der Noot. Blz. 273. 



1900. 

ANTWERPEN, DE nederlandsche boekhandel. 
LEIPZIG, Otto harrassowitz. 



Gbd&vkt bu J08BPH VAN IN & Cie, TE Lier. 



Digitized by VjOOQIC 



De Leuvensche Bijdragen verschijnen op onbepaalde tijd- 
stippen; i5 tot 20 vel druks vormen eenen jaargang. 

De inschrijvingsprijs per jaargang is 10 fr. (6,60 gulden, 
9 mark). 

Brieven, boeken ter bespreking (2 exemplaren) of ter ver- 
melding (i exemplaar), tijdschriften in ruiling, en alle andere 
stukken voor de Leuvensche Bijdragen in te zenden bij den 
heer L. Goemans, Justus-Lipsiusstraat, 68, te Leuven. 



Digitized by VjOOQIC 






ANTONIUS SEXAGIUS' 



De Orthographia Linguae Belgicae 



HERDRUKT EN MET INLEIDING EN AANMERKINGEN VOORZIEN. 



In den loop der XVI« eeuw, vooral ten gevolge van de 
verspreiding der drukkunst, ziet men, zoowel bij de Duit- 
schers, Engelschen en Nederlanders als bij de Italianen, 
Spanjaarden en Franschen eene neiging ontstaan of weder 
opkomen om de schrijftaal eenvoudiger te maken en met 
de gesproken taal in nauwer verband te brengen. 

In de Nederlanden was, gedurende de tweede helft 
der XVI® eeuw, de spelkwestie aan de orde van den dag. 
Geleerden en schrijvers hielden er zich druk mee bezig, 
en in tijd van ongeveer dertig jaar, kwamen er ten minste 
vijf pogingen tot stand om de spelling te verbeteren. De 
drie eerste werden in *t werk gesteld door Zuid-Neder- 
landers : den Gentenaar Joos Lambrecht (i), den Brugge- 



(i) Néderlaiidsche /ƒ Spellynghe / uutghesteld by vrdghe / ende 
andwoorde / duer Joas Lambrecht jj Lettersteker, Tot onderwijs der jj 
Jonghers voor haar earste beghin, jj Gheprent te Ghend in Haar // 
M, D, L., uitgegeven door de Maatschappij der Vlaamsche Biblio- 
philen, 4e reeks, n' 3 (Heliotypisch facsimile van het eenig bekende 
exemplaar berustende in de Bibliotheek der Gentsche Hoogeschool). 
Gent, C. Annoot-Braeckman, 1882. 

Dialect. 13 



^^•«^ 






Digitized by VjOOQIC 



— i68 — 
ling Adriaen Vander Gucht (i), en den Brabander Antoon 



(i) « Desgelycx» schrijft de Heuiter «heeft noh korter {dan van 
t'Sestich) deze zake gehandelt Adriaen Vander Gucht, schoolmeester 
tot Brugge / zoukende plat Bnix die zinen te leren schriven / dwelc 
mede mijn voornemen contrarij / zult u ijnsgelijx niet verwonderen 
van onse verscheidenheit. Ie wilde wel dat hem geliefde int liht 
laten te komen zijn grote Orthographie / daer hij af vermaent in 
zijn Korte abusive Orthographie (zo hij den Titel geeft) zo zoude- 
men hem beter in veel zaken verstaen / dat nu mits kortheit een 
weinih te doincker beschreven staat. » {Nederduitse Orthographie^ 
bl. 3o.) 

Het schijnt wel dat het boekje waarvan de Heuiter gewaagt 
spoorloos verdwenen is. Vander Gucht schreef nog menige andere 
werken, waaronder het volgende ons bewaard gebleven is : 

Cijfer-bouck, inhoudende vele nieuwe Ifraye endc gherieuighe Prac- 
tijeken van Arithmetica... vergadert ende ghemaect bij Adriaen vander 
Gucht in- gheboren Poorter der Stede van Brugghe / ende schoolmeester 
aldaer in de Rudder straete / daer men de :(elue vijnd te coopen. 

Gheprent te Brugghe inde Peerde straete bij mij Pieter de Clerck / 
Ghe^woren Drucker der Co. Ma. wonende inde Synagoghe — Int 
jaer ons Heeren / iS6g, • 

In het Previlegie dat het Cijfer-bouck voorafgaat is er ook sprake 
van een boek over de Vlaamsche spelling : 

« De Coninglicke Maieste3rt heeft ghegont ende gheconsenteert 
Adriaen Van der Gucht te mogen doen prenten by eenen ghezworen 

prentcr diet hem believen zal dese 6 naervolghende boucxkens 

Het vierde : De Vlaemsche Orthographie, by de welcke men alle 
Nederladsche talen op haerlieder natuerlicken wt-gagh ofte pronun- 
ciatie magh leere spellen, schryve, pronunciére en stellen, alsoock 

daer va dweersche brieve ordonneren Ghegheven tot Brusel 

den elfsten dach February. Anno i567 onder des Co. Maiesteyts 
zeghele van rooden wasse. Ende ondertcekent, De Langhe. » 

Is De Vlaemsche Orthographie hetzelfde werkje aU de Korte abusive 
Orthographie door de Heuiter aangehaald en heeft de schrijver, bij 
het uitgeven, alleen den aangekondigden titel veranderd } Ofwel, zou 
de Vlaemsche Orthographie niet de Grote Orthographie zijn van welke 
de schrijver, volgens de Heuiter, in zijn eerste boekje melding maakt, 
en is die ooit onder de pers gebracht geworden? 



Digitizedby Google 



— 169 — 

VAN t*Sestich (i); de twee andere door Pontüs de Heuiter 
of DE HuYTER (2) CH de Amsterdamsche Kamer In Liefde 
bloeyende (3), welke in hunne hervorming meer eene alge- 
meene taal bedoelden (4). 



(i) De Jl Orthographia // Linguae Belgicae jj sive // De recta die- 
tionum Jj Teutonicum scnptura, secundum // Belgaimm, praesertim 
BrabantO' jj rum, pronuntiandi usita- jj tam rationem, // Lovanii jj 
Excudebat Joannes Masius Typogr. // Jurat, Anno iSyó. / 

(2) Nederduitse // Orthographie^ jj Dat is : // Maniere houmen op- 
rekt Nederduits spellen ende jj schriven :j[al / niet alleen nut ende 
nootelic die op- jj rekt begeren te schriven j maer al die i(ulx de H 
ioincheit :j[ouken te leren, jj By een vergaert door Pontus de Heuiter 
van II Del/tl Canonic van Gorinchem, // 7" Antwerpen, // By Christoffel 
Plantijn. II M. D. DXXXI. 

(3) Twe-spraack // vande /ƒ Nederduitsche Ij Letterkunst jj ofte // 
Vant spellen ende eyghenscap // des Nederduitschen taals; II uyighe- 
gheven by de Kamer jl in Liefd Bloeyende, // f Amstelredam // Tot 
Leyden, // By Christoffel Plantyn, // M. D, LXXXIV. 

(4) « 't Nederlants » zegt de Heuiter, op bl. g3 en volg., « een 
gemeingelde Tale makende/ volg' ie die nature van alle lants spraken 
die 't zuverste hunder talen/ niet juist in dit of dat lant stellen 
(hou wel deen Lant en Stat beter spreect dan dander) maer inder 
verstandihsten en meest der geleerden gewente/ ende ooc ufenijnge 
des Edeldoms/ die in alle talen altoos zeer gezoht heeft die haer 
te zuveren/ ende uit des gemeens slijm te helpen. Mede heb ie 
exempel ande Grieken genomen, die vier lants goude talen in ufening 
hebbende/ te weten : lonicaj Atticaj Doricaj Aeolical die vijfste noh 
daer uit gesmeet hebben/ die zij nommen Gemeen tale : aldus heb 
ie mijn Nederlants over vijf en twintig jaren gesmeet uit Brabants/ 
Flaems/ Hollants/ Gelders en Cleefs/ dwele diet gelieft mag mij 
helpen beteren en riker maken : diet niet gelieft bij tzijnbliven/ 
want mijns veranderijnx oorzake is geweest/ merckende t' Flaems 
allene te zeer gevalst wezen/ door d'oude hanterijnge en bestier 
der Fransoizen/ t' gemeensehap van t* lelie Zeus en ontellicke 
vermeerderijnge der letteren en sijllaben/ int begin/ middel en 
einde der woorden : 't Gelders/ Cleefs/ en Gulix door handelijnge 
Hoohduitsen/ die deze gelanden na te blazen frai du i net. t* Bra- 
bants door t' gestadih gewoon der Duitse en Bourgonse Princen, 



Digitized by VjOOQIC 



— I70 — 

In zijne inleiding deelt ons Joos Lambrecht op ken- 
schetsende wijze mede hoe men destijds over de heer- 
schende wanspelUng dacht : 

« Om dies wille/ dat ie binnen acht of tien idren 
haarwaard/ by verzoukijnghe ghewaarworden ben/ tmes- 
bruuc/ d'onuougheligheit/ d'ouerhoapmijnghelijnghe/ ende 
tonachtzaam verschil/ twelc alle schoolmeasters/ schriuers 
ende boucprenters ghebrüken/ in haar spellen van veel- 
derley Nederlandsche/ als Vlaamsche/ Brdbantsche/ Hol- 
la/idsche/ Gheldersche/ Cleefsche/ Vriessche/ Gullicsche/ 
ende Zeausche taalsilleben/ of uutganghen van spreken/ 
waar duer menighmaal de zin qwalic/ ende tot verkearden 
verstande ghetrocken werd/ tzelue dicmaal met diuserschen 
claerken ende ghelearde persoanen onderurdghende/ argu- 
wérende/ ende daar van disputerende : om ten ndsten datt 
mógheligh wezen moghte/ daar in te voorzien/ ende be- 



heeft mede een vreemde heuike omgehaingen/ en zonder dat ist niet 
te prizen/ mits t' lelie gegaap der diphthongen/ bina in alle woor- 
den plaets eissende/ en t' lainc gelei der vocalen daer zij gout 
buitens lants door te kennen zijn/ gelijc die Hollanders door tge- 
blaet en eigen woorden af bijtsel en half eetsel/ dwelc niemant nemen 
zal of ie met einge lants tale genuihte name te schimpen 

Anders 't Flaems (maer zuver plat Flaems) heeft in veel woorden 
zijn eigenheit/ en zahte uitspraec/ mits t' klein en zaht gebruic der 
diphthongen by Brabant en Hollant te geliken. t' Brabants is in 
duitspreken vol van geluit/ en kraktig bizonder die de diphthongen 
wat matigen. ThoUants lerende kort spreken en ongestaart en ge- 
breect geen minnelicheit » 

In de Twe-spraack wenscht men ook de spelling eener « algemene 
Duytsche taal » tot stand te brengen : 

« Nopende onze spelling/ die is met de ghewoonlyke niet heel 
ghelyckstemmigh/ nochtans de zelve naarder ghelyckende als eenighe 
andere des spellings niewe herstellinghen. Doch de wyl een ghoede 
eenpaartighe spelling/ als een grondvest is van een welgheboude 
spraack/ ende dat in onze ghewoonlyke wyze misbruyck van elck 
daar iet oplettende ghevonden word/ hebben wy raadpleghende met 
verscheyden luyden hem dies verstaande/ zo in zonderlinghe steden 



Digitized by VjOOQIC 



— 171 - 

terijngh te vinden : ende ghemaerckt dat tot noch toe/ 
niemand treffelic daar in ghewrocht hebbende/ iet an den 
dagh ghebraght en heeft : Zo ben ie van den zinne ghe- 
worden.... dit bouxkin van der Spellijnghe an den dagh 
te brijnghe/i : op dat van nu voord an/ tzelfde in alle 
scholen van Néderlandscher sproke/ den jonghers zoude 
móghen voorghehauden ende onderwezen werden » (i). 

Lambrecht was een voorstander van de phonetische 
spelling. Hij zet niet alleen de orthographie van zijnen 
tongval uiteen, maar zoekt ook de klanken van de voor- 
naamste andere Nederlandsche dialecten zoo nauwkeurig 
mogelijk weer te geven (2). Daarom kon zijn boekje 



,m 



van Holland/ als in Braband ende Vlaanderen/ oock op heel oude 
ende verscheyden niewelyck veranderde spellinghen scherpelick let- 
tende/ :{ulck€n voet ghenomen die de ghemeen spellingh f o na komt 
als doenlyck, ende nochtans in {ich selven eenpaartigh en gelyck/ormigh 
is; zo elck int overlezen van deze twespraack zien magh. » (A 4.) 

Doch die algemeene taal is niet zooals bij de Heuiter, eene ver- 
standhouding tusschen al de voornaamste dialecten. Dit denkbeeld 
wordt er zelfs bespottelijk gemaakt : « G(edeon). Wiens wyze van 
spreken zoud' ick u Neefken dan leren ? R(oenier) de beste. G. hier zal 
't gheschil zich wydlustigh delen ; de Brabander zal zegghen de vrin- 
delyckste taal te hebben/ de Hollander de zuyverste/ de Vlaming 
zal oock de zyne willen voorstaan/ de Stichtse en Gelderse des- 
ghelyken omdat zij het Hooghduyts wat naarder komen, de Vries 
zal zyn spraacx oudheid by brenghen. R. Ofmenze al te hoop by 
een riep om t' gheschil te eflfenen. G. Dat doet/ lust u te horen/ 

hanen krayen/ hennen kaekelen/ katten maewen/ ende al dezen 

hoop/ ghelyckelyck een duivels muzyck voort brengen. » (BI. 63.) 

(i) Op. cit. A ij. 

(2) B. V. : « ei of ey, werd ghenomen, in de naaruolghende ende 
dierghelike silleben ende woorden, als :{eik, op zijn Brdbants, van 
:(eikin, voor ^eaken {de uitspraak en spelling van Lambrecht' s dialect) — 
eu zalmen nemen in de naaruolghende ende dierghelike silleben ende 
woorden, als Heu, meutmaker,... op zijn Brébants. — laei of iaey 
werdt alleane van den Hollanders en Zealanders ghebruukt... » enz. 
(D I, vo, D II.) — Zoo komt het dat zijn vocalisme een veertigtal 
vocalen, diphthongen en triphthongen telt. 



Digitized by VjOOQIC 



— 172 — 

« in alle scholen van Néderlandscher sprdke » voor *t 
eerste leesonderricht dienen en den titel voeren van 
Nederlandsche Spellijnghe. « Niet, zegt hij, dat mijn 
meanijnghe of verstand zy/ dat de Hollanders/ of Bri- 
banters haar eighen manieren van uutsprake, op de Vlaam- 
sche wize/ of de Vldmijnghe/i ende Vriezen haar pro- 
nunciacië/ op de Brdbantsche/ of HoUandsche uutsprake 
veranderen zullen : maar dat elc in tsine zulke termen 
of silleben van sprdken/ als hy in zijnder moeder tdlen 
ghebruukt/ de zelue déghelic/ ende met zulken letters 
alsser toe dienen/ spellen magh. Exempel : zo waar de 
Zealander pronunciëerd Jae/ daar en behoard hy in tspellen 
van den zeluen woorde den Vldmijngh noch den Brd- 
ba«ter niet te volghen/ aldus Ja : of hy moeste oac zoa 
spreken (i). 

Dat zelfde beginsel van taalparticularisme werd toege- 
past op het Brabantsch dialect door Antoniub Sexagius 
of VAN t'Sestich. De overeenkomst van beide werkjes de 
Nederlandsche spellijnghe en de Orthographia in het toe- 
gepaste beginsel en in menige bijzonderheden, als de 
schrijfwijze der lange vocalen aa^ enz., der au (NI. ott, 
au)^ der ou (NI. oe), enz. zou ons tot het besluit voeren 
dat Sexagius zijn voorganger heeft geraadpleegd en diens 
wenken te nut heeft gemaakt. Hij verklaart echter uitdruk- 
kelijk dat hij niemand in België kent die vóór hem eene 
soortgelijke onderneming op touw zette (2). Die derde 
proef tot het scheppen eener degelijke orthographie is wel 
is waar beperkt tot het phonetisch schrijven van een dialect; 
maar dit dialect had het grootste aandeel in de definitieve 



(i) Op, cit. Inleiding. 

(2) « Neminem tarnen video qui ex professo id (d. i. de verbe- 
tering der spellinp;) in Belgico nostro, eoque Teutonico idiomate, 
hactenus facere tentarit. (Op. cit. A 5, vo.) 



Digitized by VjOOQIC 



- 173 - 

vorming van het Nederlandsch, zoodat de schrijfwijze die 
voor den tongval kon gelden, ook aan de beschaafde 
schrijftaal ten goede kon komen, en dat zij voor de latere 
hervormers meer belang opleverde dan vander Gucht of 
Lambrecht. Onrechtstreeks ten minste zal dan ook Sexagiüs* 
werkje wel invloed op onze spelling uitgeoefend hebben. 

PoNTUS DE Heuiter heeft het geraadpleegd (i) en wel- 
licht heeft de schrijver van de Twe-spraack die in zijn 
voorbericht van des spellings nieipe herstellinghen gewaagt, 
het ook in de handen gehad (2). 

Door dit werkje werd de naam van den schrijver bij 
zijne tijdgenooten zeer bekend. Sedert is hij in vergetel- 
heid geraakt en de uitgevers van Joos Lambrecht zijn 
de eerste, meen ik, die hem opnieuw eene plaats onder 
de spellinghervormers hebben ingeruimd, zonder nochtans 
in bijzonderheden over hem te treden. Zoo ook D^ Te 
Winkel, die hem alleen door Pontus de Heuiter schijnt 
te kennen (3). 

't Is niet enkel om in die leemte te voorzien, en 
Sexagiüs zijn rang onder de Nederlandsche orthogra- 



(i) « Meester Anthonis Tzestih advocaet inden hogen raet tot 
Mechelen heeft over aht (sic) jaren int Latijn van deze zake zeer kort 
geschreven : maer want zijn voorneme alleen is te leren plat Bra- 
bants : t' mijn opreht Nederlants/ of elc lant zijn uitsprake/ zult u 
niet verwonderen dat wij altemet verscheiden spreken en oordelen/ 
aangezien van ouden tiden vriheit gebleuen is/ tot den dage van 
heden/ onder alle die haer oit gemouit hebben met die Vrikonsten/ 
verscheide gevoulen te mogen hebben/ zonder tegens vrienschaps 
wetten en geboden, enihsins te zondigen/ want den lezer van als 
lezende/ mah volgen in dusdanigen twist/ zonder noot van zielver- 
verlies/ of te quetsen die gemeen ruste/ dat hem gelieft en best 
behaeht. » (Nederduitsche Orthographie, bl. 29 en 3o.) 

(2) Zie de nota, bl. 170. 

(3) Hij noemt hem Anthonis T:^estich evenals de Heuiter doet. 
Cfr. Grundriss der Germ, Phil., 2e uitg., I, bl. 783, 794. 



Digitized by VjOOQIC 



- 174 - 

phisten terug te schenken dat thans in de Leuvensche 
Bijdragen de vrij zeldzaam geworden tekst met de noo- 
dige inlichtingen over schrijver en inhoud wordt afge- 
drukt (i). In de eerste plaats wilden wij daardoor op 
't groote belang der phonetische poging van Sexagius 
naar behooren de aandacht vestigen. En voor vakmannen 
zal het wel niet noodig zijn veel woorden te verspillen 
om te doen uitschijnen welk groot belang pogingen als 
deze opleveren, bij de nauwkeurige studie van de ont- 
wikkeling der dialecten en der taal in *t algemeen. 

Wel is waar hebben de waarnemingen van Sexagius 
enkel eene betrekkelijke waarde. Daar hij nochtans de 
klanken van zijn dialect bijna overal met die van *t Latijn 
en *t Fransch vergelijkt, is zijn arbeid voor ons een kost- 
bare bijdrage tot de kennis der Brabantsche uitspraak op 
't einde der XVI« eeuw. 

Wij laten hier den herdruk der Orthographia door eene 
korte inleiding over persoon en doel van den schrijver 
voorafgaan en door een commentaar over zijn werk volgen. 






(i) Volgens de vriendelijke mededeeling van den H. F. Vander 
Haeghen, hoofdbibliothecaris aan de Hoogeschool van Gent, bezit 
de bibliotheek dier stad drie exemplaren van de Orthographia; 
twee, verneem ik uit dezelfde bron, zijn er na den dood van 
Serrure uit diens boekerij verkocht geworden respectievelijk voor 
20 en 3o frank. De bibliotheken van Brussel en Luik bezitten het 
werkje niet; bij die van Leuven berust een zeer wel bewaard 
exemplaar, dat ons bereidwillig ter beschikking in gesteld geworden 
om dezen herdruk te verzorgen. 



Digitized by VjOOQIC 



- 175 - 






Antoon van t' Sestich (i) of Sexagius — zooals zijn va- 
der naar het heerschende gebruik zich reeds liet noemen — 
stamde af van Tieleman van t' Sestich (2) die te Leuven 
den 6 November 14 19 overleed en de stichter was eener 
familie die aan ons land veel mannen van beteekenis heeft 
geschonken. Tieleman's zoon Jan, te Leuven geboren, liet 
drie dochters na, en een zoon, Ghislenus (3). Deze had 
drie zoons"» waaronder Jan van t'Sestich of Sexagius (4), 
den vader van onzen schrijver, die zich te Brussel ging 



(i) Het meerendeel dezer inlichtingen over de genealogie van de 
familie van t' Sestich heb ik te danken aan de welwillendheid van 
Mevr. DE Mentock, geboren Barones Snoy, wier overgrootmoeder 
Dorothea Francisca Josepha, de laatste der van t' Sestich's (1721- 
1793), de achterkleindochter was van Antoon, den schrijver der 
. Orthographia. Voor de andere bijzonderheden over deze familie 
raadplege men in de eerste plaats Edw. van Even, Messager des 
Sciences historiques, Jg. 1877, bl. 166 en volg., en Louvatn Monu- 
mental, bl. 3g en 3o5 ; verder A. Wauters, Histoire de Bruxelles, 
ï, bl. 492 en UI (Liste biographique) ; Reusens, Analectes pour 
servir a l' histoire ecclésiastique de la Belgique^ série II, T. XI ; 
Valerius Andreas, Bibl. Belg.; Molanus, Hist. Lov,, édit. De 
Ram, I, bl. 482 en II, bl. 769. 

(2) Tieleman oefende het ambacht uit van hoefsmid en kwam 
door taaie vlijt tot rijkdom. Zijn zoon Jan, te Leuven den 8 Maart 
1467 overleden, wist met hetzelfde bedrijf het vaderlijk erfdeel nog 
te vergrooten. 

(3) Ghislenus werd te Leuven licenciaat in de rechten en over- 
leed aldaar den 4 Augustus i5o8. Hij was het die het Sestichen 
huys op de Naamsche straat te I-euven liet bouwen, dat later 
't College van Utrecht werd, bijgenaamd « van den Hoogen Heuvel » 
(Collegium Alticolense) en nu nog, onder den volksnaam van Hoogen 
Heuvel, ten deele tot lokaal voor 't Koninklijk Atheneum dient. 

(4) Den 9 Februari 1495 te Leuven geboren en te Brussel den 
3 Juni i558 gestorven. Hij was licenciaat in de rechten, vermaard 
advocaat aan den Soevereinen Raad van Brabant, Geheime Raad 
van Karel V en Algemeene Ontvanger der domeinen in 't kwartier 



Digitized by VjOOQIC 



— 176 — 

vestigen en in i53o in het huwelijk trad met Elisabeth 
BoisoT van Mechelen. 

Antonius Sexagius zag omstreeks i535 te Brussel het 
licht. Hij werd te Leuven tot licenciaat in de rechten 
en daarna te Orleans tot doctor bevorderd. Later be- 
noemd tot advocaat bij den Grooten Raad van Mechelen, 
trouwde hij in die stad met Margaretha van Overbeke, 
edelvrouwe van Damme, dochter van Willem 'van Over- 
BEKE, secretaris en later griffier van den Grooten Raad (i). 
Hij stierf te Mechelen den 10 September i585, waar hij, 
zooals ook zijne echtgenoote, in de kerk van Sinte Katharina 
begraven werd (2). 



Breda. In i53o trad hij in het huwelijk met Elisabeth Boisot 
(geboren te Mechelen in i5i3 en gestorven te Maastricht den 
21 April iSSg, dochter van Desiderius Boisot, Tresorier-Generaal ' 
van Karel V en van Margaretha van Oosterwij k), en werd de ge- 
zegende vader van 18 kinderen. De oudste was Desiderius, te Brus- 
sel in i53i geboren en te Leuven den 9 Maart i585 gestorven. 
Hij werd advocaat zooals zijn vader en bekleedde onder andere 
hooge ambten dat van Voorzitter van den Raad van Brabant (iSyS) 
en van Kanselier van Brabant (i58o). Hij was vroeger door Karel V 
in den ridderstand verheven geworden. 

(i) Uit dien echt sproten 8 kinderen, waaronder : 

10 Jan Antonius, geboren in iSyS, doctor in de beide rechten 
van de Leuvensche Hoogeschool, tot kanunnik van de S* Pieterskerk 
van Leuven benoemd en later tot professor aan de Universiteit, 
waar hij tweemaal, in 1617 en 1623, het ambt van rector bekleedde. 
Hij werd in 1628 voorzitter van 't Academisch College S* Donatus 
en stierf te Leuven den 10 November 1634. 

20 Willem, pastoor van de S* Quintinuskerk te Leuven. 

30 Ridder Philippus Antonius, die in zijne jeugd als kapitein 
diende, het beleg en de inneming van Oostende bijwoonde en tot 
zeven maal toe, tusschen de jaren 1624 en i65o, het burgemeester- 
schap der stad Mechelen waarnam. 

(2) Een Fransch grafschrift waarvan ons de tekst bewaard is 
gebleven, herinnerde aldaar beider afsterven, 't Luidde als volgt : 



Digitized by VjOOQIC 



— 177 — 

Onze Sexagius was een ontwikkeld man. Hij was be- 
slagen in het Nederlandsch, Fransch en Latijn en blijkt 
niet onbekend geweest te zijn met de Duitsche en Ita- 
liaansche talen. Buiten de Orthographia kennen wij nog van 
hem eene verbeterde uitgaaf van een werk over burgerlijke 
rechtspleging door Philips Wielandt, raadsheer bij den 
Grooten Raad van Mechelen in *t Nederlandsch opgesteld 
en in i558 te Antwerpen verschenen (i). De eerste uit- 
gaaf, door Sexagius bezorgd, zag het licht in i573 onder 
den titel van Practycke Civile des Edelen Heer e M, Philips 
Wielandty Raedt ons gheduchts Heeren Philippus Eerts- 
hertoghe van Oostenryck, Hertoghe van Bourgongie, etc. 
President in Vlaenderen ende naderhandt hooft van synen 
Hoogen Rade neffens hem residerende. Van nieus over- 
sien, ghecorrigeert ende ghesuppleert by Ant. van f Sestich, 
advocaet voor den voorschreven Raedt tot Mechelen. Ghe- 
print T Antjt/erpen by Hans de Laet, in de Cammer- 
strate^ in de Rapé, i5y3. Dat boekje beleefde een zeker 
getal uitgaven : in i5gS te Antwerpen, in i6o3 te Rotter- 



Cy gist ANTOINE DE SESTICH. Escuier, Sr 
d'Ophem et Damme, & D. 
MARGUERITE D'OVERBEKE. 

Mourut Ie X sept. i585. 
Elle Ie 25 Feb. i63i. 
(Cfr. Provincie, Stad ende district van Mechelen opgeheldert in 
haere kercken, enz. alsoock alle op-schriften^ enz. Tot Brussel. By 
B. Jore^, 1770.) 

(i) Practique, maniere van procederene, gemaect duer Meester 
Philips Wielant, heere van Eversbeke, voortyts President in Vlaen- 
deren, ende Raetsheere in den grooten Raedt te Mechelen. Gheprint 
T Antwerpen by Hans de Laet, in de Cammerstrate, in de Rapé, 
MCCCCCLVIII. 

(Titel aangehaald door Paquot, Mémoire pour servir a Vhistoire 
littéraire des dix-sept Provinces des Pays-Bas, enz. T. XV, bl. 54 
en volg.) 



Digitized by VjOOQIC 



- 178 - 

dam, in 1606 te Amsterdam, weer te Rotterdam in 1622 
en 1642, eindelijk te Antwerpen in 1646 (i). 

Drie jaar na de eerste uitgaaf van de Practycke civile 
liet hij zijne Orthographia drukken. 

In de Cronycke van Mechelen van Azevedo lezen wij, 
onder 't jaartal 1576, het volgende bericht : 

« Op den 12 November heeft den Heere Antonius van 
7 Sestich Advocaet in den grooten Raedt tot Mechelen, 
opgedragen aen den Heere Jacob Suys inwoonder tot 
Mechelen, seker boecksken in de Latijnsche taele, rae- 
kende de Brabantsche letterkonste geseyt Ortographia ge- 
druckt tot Loven by Jan Maes in 't selve jaer, ende 
goed-gekeurt door den Heer Jan Van Loe, geseyt Loèus, 
Penitentier der Metropoli tane tot Mechelen, ende Licentiaet 
in de Godts-Geleertheyt. 

In deze opdragt verhaelt den Heere van V Sestich hoe 
den Heere Jacob SujrSt gewoon was ten synen huyse (in 
de Nonne-straete) te ontfangen vele geleerde persoonen, 
die op reyse zynde by geval door Mechelen passeerden, 
als hy nog syne goederen besat, ende syne erfgoet niet 
vermindert en was, welcke aen hem nu door de droeve 
tyden ontbraeken, ten deele door de plunderinge van dese 
stadt ontnomen (2), ende ten deele, door de verwoestin- 
ge van 't Vader-landt ende afval der tegenpartye, ten 



(i) De uitgaven van 1606 en 1646 trof ik op de Bibliotheek der 
Hoogcschool te Leuven aan. Voor de andere vgl. Paquot, loc. cit. 
en de Bibliographie des Pays-Bas. Die van 1606 is opgedragen aan 
Nic. MiCAULT : Clarissimo Viro Dn. Nicolas Micault Domino ab 
Indevelt, Phylippi II, Hispaniarum Regis in privato suo consilio 
Conciliario gravissimo Antonius a Tsestich 5. — Volgt een in 't Latijn 
geschreven bericht. 

(2) In 1572 werd Mechelen drie dagen lang door 't leger van 
Al va geplunderd. Cfr. J. David, Geschiedenis van Mechelen en 
Vaderlandschc Geschiedenis. 



Digitized by VjOOQIC 



- 179 — 

grootsten deele ontrocken (sic) ende onthouden, ende ten 
deele verteert, waer door hy gedwongen wirt syne libe- 
raelheyt te verminderen... ») (i). 

Sexagius die een weetgierig en helder verstand bezat, 
stond ongetwijfeld in druk verkeer met geleerden. Een 
van die mannen wiens gezelschap hem het dierbaarst schijnt 
geweest te zijn was Jonkheer Jakob Süys of Susius (2), 
een geboren Hollander, als geleerde hoog aangeschreven (3), 
die zich vooral bezig hield met de studie van de Oudheid, 
doch ook met poëzie, — in i5oo gaf hij zelfs Latijnsche 
gedichten uit waaronder hekel verzen en berijmde psal- 
men (4) — en wien, zooals we gezien hebben, Sexagius 
zijn boekje opdroeg. 



(i) Vervolg der Cronycke van Mechelen ten tyde der RegeHnge 
van Philippus II Coninck van Spaignien. Tot Loven. By J. B. Van 
der Haerty in den Gulden Helm, IV, bl. 25. 't Eerste deel voert 
tot titel : Korte Chronycke van vele gedenckweerdige Geschiedenissen 
soa in de principaele steden van het Hertoghdom van Brabant als 
in de stadt ende Providcie van Mechelen. 

(2) Zijne voorouders waren van Dordrecht, alwaar een Allard 
SuYS {i3g3-i473) het burgemeesterschap had waargenomen. Zijn 
vader Daniël, was de oom van Cornelius Suys, Heer van Rijswyck 
en President van den Hove van Holland en Zeeland in i55g. Hij 
zelf had uit zijn huwelijk met Margaretha van Berchem, uit Ant- 
werpen, twee zoons : Daniël, Heer van Laer en jonkh. Jakob. Uit 
Mechelen, waar hij langen tijd verbleef, trok hij naar Luik, waar 
hij in 1592 op 72-jarigen ouderdom stierf. (Cfr. D'Oude Chronycke 
ende historiën van Holland (met. West-Vriesland), van Zeeland ende 
van Utrecht door W. van Goethoeven. In 's Gravenhage, By Hille- 
brant van Wouw, i636.) 

(3) D'Oude Chronycke noemt hem « een seer geleert man » en 
de schrijvers van 't Itinerarium per nonnullas Galliae Belgiae partes 
zeggen van hem : cc Jacobus Susius noster, reconditae Vir eruditionis » 
(Cfr. Abrahami Ortelii et Joannis Viriani Itinerarium, enz. Leuven, 
Van der Haert, 1757, bl. 2.) 

(4) Valerius Andreas, Biblioth. Delg. 



Digitized by VjOOQIC 



— i8o — 

Aan welke omstandigheden dankte de Orthographia 
haar ontstaan? 

Sedert dat Sexagius vader geworden was, en voor 't 
onderwijs zijner jongens te zorgen kreeg, was het hem 
onredelijk voorgekomen het taalonderwijs met het Latijn 
te laten aanvangen, zooals meestal gebeurde. De kinderen 
ondervonden natuurlijk veel moeilijkheden in 't werktui- 
gelij k lezen dier taal. 

« Telkens als ik over het eerste onderwijs der kinde- 
ren nadacht, » zegt hij in zijne inleiding, a is het mij 
gebleken, dat de beste weg tot de kennis der beginselen 
hierin bestond, de jeugd welke aan de school is toever- 
trouwd, in hare reeds van moeders schoot af gekende en 
gemeenzame spraak, alvorens in het Latijn — eene gansch 
onbekende en vreemde taal — het leesonderricht te ver- 
strekken. Het tegenovergestelde heeft gewoonlijk plaats. 
Trouwens, dat het meerendeel onzer schoolmeesters, 
en ja, al degenen die zich gelasten met de opleiding der 
jeugd in het hanteeren der Latijnsche taal, het tegen- 
overgestelde doen, daarvan geven ze deze reden : onze 
Dietsche taal gaat tot nu toe mank aan zulke gebrekkige 
en bedorven spelling, dat, de jonge leerlingen, die de 
eerste beginselen der leeskunst bij haar gaan putten, geen 
anderen uitslag zullen verkrijgen dan, wanneer zij met 
het leesonderricht in het Latijn zullen beginnen, op- 
nieuw alles te moeten afleeren en al de vruchten van den 
geleverden arbeid te verliezen. Waarom? Omdat de klin- 
kers en tweeklanken gewoonlijk op eene heel andere wijze 
uitgesproken worden in de volkstaal dan in 't Latijn, men 
weet het bij ervaring.... » 

Het doel door den schrijver beoogd wordt verder even 
duikelijk omschreven : 

a Daar moet dan eigenlijk », gaat hij voort, « een weg 
gezocht worden, een middel, waardoor onze moedertaal, 



Digitized by VjOOQIC 



— i8i — 

dank zij eene gezuiverde spelling, kan verstaan en uit. 
gedrukt worden, zoodat ze nergens in strijd komt met 
de uitspraak van *t Latijn, maar er overal volkomen aan 
beantwoordt. Ja, ze moet zoozeer zelfs met de goede en 
echte uitspraak der Latijnsche taal overeenstemmen, dat 
de kinderen, die eerst op gemakkelijker wijze in de moe- 
dertaal onderwezen zijn, daarna van zelf en zonder moeite 
ook in het Latijn goed en volgens den regel kunnen lezen. » 
*t Is dus een paedagogisch beginsel dat Sexagius* werk 
overheerscht. De jonge leerlingen moeten, volgens zijne 
zeer redelijke methode in de eerste plaats hunne moeder- 
taal kunnen lezen en slechts later tot het Latijn overgaan. 
Doch de orthographie der moedertaal is niet vastgesteld 
en wijkt zoodanig van de Latijnsche af, dat dergelijke 
methode voor de leerlingen tot veel verwarring en tijdver- 
lies aanleiding kan geven. Ook hoeft men met de rege- 
ling van de spelling te beginnen : dezelfde klanken moeten 
in beide talen zooveel mogelijk door dezelfde letters uit- 
gedrukt worden. 

't Lag dan ook op den weg van den schrijver de 
klanken (vooral *t vocalisme) van zijn dialect te bepalen 
en ze met de Latijnsche in vergelijking te stellen. Daarin 
bestaat voor ons, zooals we het reeds zeiden, het grootste 
belang zijner onderneming, en *t is dus voornamelijk dat 
punt, dat in den commentaar zal besproken worden. 



* 
* * 



Wat de wijze van uitgaaf van den tekst betreft, wij 
hebben getracht zooveel mogelijk de physionomie ervan 
weer te geven. 

De pagineering en *t onderscheid tusschen elzevier, cur- 
sief en gothisch blijven behouden. De eenige toegebrachte 



Digitized by VjOOQIC 



— l82 — 

wijzigingen bestaan in het vervangen van ^ in den Latijn- 
schen tekst door ae, en in het oplossen in cursief der 
verkortingen a, e, o enz., qz en q; {'^que) en '(=«5). 
Voor 't gemak der verwijzigingen van den commentaar, 
worden in den tekst de regels op den rand genummerd. 



L'-. 



Digitized by VjOOQIC 



DE 

ORTHOGRAPHIA 

LINGYiE BELGIC^, 

SIVE 

DE RECTA DICTIONVM 

Teutonicarum scriptura, secundum 

Belgarum, praesertim Brabanto- 

rum, pronuntiandi vsita- 

tam rationem. 

AVCTORE ANTONIO SEXAGIO. 



LOVANII 

Excudebat loannes Masius Typogr. 
lurat. ANNO 1576. 

CVM GRATIA ET PRIVILEGIO. 



Digitized by VjOOQIC 



1.^', 



^.^ 



Hic liber nihil continet quod ca- 
tholicam fidem offendat, vel 
Christianis moribus aduersetur : 
Quod attestor loannes Loeus 
S. Theologiae Licentiatus, nee- 
non Ecclesiae Metropolitanae 
Mechlinien. Poenitentiarius. 



Digitized by VjOOQIC 



DN. lACOBO SVSIO, 



VIRO INCOMPARABILI, 



Antonivs Sexagivs 



S. D. 



5 "^Ijj^ "T ON solum scire aliquid ar^ 

I ^^^ iis est V, C. sed ars etiam 

I ^^L qucedam quce comprcehende- 

I ^H| ris docendi est, vt ait Cice- 

1 ^ rOf quae sanè maximam par- 

lo tem in eo posita est, vt d Jacilioribus ac magis 

notis ad difficiliora paulatim fiat progressio, 

minusque vulgo nota : quemadmodum non vno 

in loco id summus docendi ac disponendi arti- 

f ex Aristoteles disertè trader e atque incul- 

i5 care pene voluisse visus est, Vnde mihi sem- 

per de prima puerorum institutione rationem 

in animo versanti, ea optima via esse atque 

ingressio ad primam elementorum doctrinam 

apparuit, qua videatur vt iam ,scholce traditi 

20 pueri prius legere docerentur vernaculce lin* 

guoe iam illis ab vbere sinuque nutricio notum 

ac familiare idioma, qudm, quod ferè fit. La- 

tinas linguas prorsus ignotum atque alienum. 

Coeterüm quod plerique apud nos scholarum 

25 magistri, omnesque adeo qui pueros ad Latince 

A 2 linguas 



Digitized by VjOOQIC 



~ i86 - 

linguce vsum comparandum erudiendos susce- 
pere, contra fadant^ hac se causa tuentur 
quöd Vernacuïum nostrum Teutonicumve idio- 
ma tanto in viüo scripturce atqxi^ deprauatione 
5 positum hactenus iaceat , vt si legendi in eo 

principia pueri ponerent, nihil aliud conseque- 
rentur^ qudm vti turn, quum ad LaHna le- 
genda accederent, multa rursum dedocendi 
Jorent, omnique peracti laboris fructu excide- 

lo rent, propterea quöd alio longè sono pronuntia- 

ri literas atque diphthongos vulgo vernacula 
in lingua solere, qudm nunc in Latina fiat, 
compertum sit : nee id modo si reputes rectum 
Latina proferendi modum ac rationem, ve- 

\5 rum etiam in pervulgata hodie quoe obtinet 

pronuntiationis deprauatione. Itaque id inde 
consequi necesse, vt magna' ex parte, ea quoe 
non nisi longo vsu ac studio imbibissent, Ion- 
giore il lis tempore postea dediscenda omnia, vt 

20 de integro formari os, atque alia illis inseri . 

pronuntiandi forma atque addisci possit, non 
absque graui & indigna tenellorum vellica- 
tione ingeniorum, nee paruo temporis dispen- 
dio^ ne dicam prceceptorum molestias maxi- 

25 mas, atque ingrata tcedia, Veriim hic ego me 

illis opponere, ac fortiter occlamare soleo : 

Quce- 



Digitized by VjOOQIC 



- 187 - 

Qucerendam ergo aliquando tandem viam ac 
rationem qua idioma nostrum ita possit casti- 
gata scriptione comprcehendi atque exprimi, 
necubi cum Latina pronuntiatione planè pu* 
5 gnet^ sed ad vnguetn vbique respondeat, adeoque 

etiam cum recta illa atque genuina quam 
dixi consentiat, quö inuenta illa denique, pue- 
risque proposita, faciliore primum ratione ver- 
naculum idioma edocti, vltro dein ac sine ne- 

10 gocio per se ipsi quoque rectè riteque Latinum 

legere queant, Neque tarnen tam de prcecepto- 
ribus mirari subit, quod nihil eius generis ag- 
gressi tentauerint hactenus, posteaquam illis, 
vti de illorum querimonijs cognoui, non cum 

i5 yno imperitice monstro rem esse sciam, qudm 

nullum vel patrem extitisse qui curam hanc 
liberis suis impenderit, Equidem ex quo me 
susceptis liberis Deus patrem fecit, nihil pa- 
terni d me alienum esse existimaui, nee planè 

2o piguit inter grauiora studia etiam hunc pro li- 

beris subire laborem, vt huic malo remedium, 
quod mihi videretur commodissimum adjerri 
posscy indagarem, inuentum describerem, illudque 
deinde in publicum ederem : non sanè vllius 

25 gloriolcp aucupio (quum ex humili hoc scriptio- 

nis argumento magis mei detractionem metuam 

A j qudm 

9, lo negotio 



Digitized by VjOOQIC 



— i88 — 

qudm laudem sperem) sed vt in commune rem 
consulendam proponerem, & his velut initijs 
doctiores ad eandem hanc exactius tractan- 
dam prouocarem, quó recta tandem via com- 
5 munis omnium puerorum institutio procédé- 

re inciperet, Quod si fiat, tametsi interim etiam 
maleuolus seu dicax aliquis existat qui re- 
prcehendendi studio ista vellicet magis qudm 
ipse meliora depromat, communem scripto- 

lo rum fortunam cequo animo ferre statui, stu- 

diumqne meum erga rem nostratum tanquam 
indice ostendisse contentus ero, eaque fne mea 
in publicum consulendi beneficentia contra 
omnia inuidice coniecta spicula tuebor. 

\5 Tu qui animi mei propositum scopum, stu- 

diaque omnia penitius perspecta iam diu habes, 
de ijs testificari etiam apud alios fadlimè po- 
teris, qui literarum doctrina capti ac prieel- 
lentes ad te prouisent, Etenim iam olim ex 

20 quo te noui, doctos plerosque & accuratos ho- 

mines hac iter fortè facientes ad tuam do- 
mum memini crebro diuertere solitos, téque 
illos benignè liberaliterqxie accipere, turn quum 
integrce tuce opes^ atque intacta manebant pa- 

25 trimonia. Quibus nunc quidem, calomitosis- 

simi temporis iniuria difficillimè cares par- 



tim 



17 facttlime 



Digitized by VjOOQIC 



— iSg — 

Hm illis dudum huius in oppidi direptione ac- 
cisis, partim patrice vastatione atque iniqua 
partium discessione maximam partem ereptis 
atque detentis, tibiqne tantisper decoctis; quo 
5 tuce jam benignitatis antiquce tanquam inhi- 

beri liberaiitatisque claudi cursum non alius 
quam tu ipse multö omnium Jerre moiestissi- 
mè iibi sum conscius. Sed tamen si te mea il- 
lis literati sermonis collationibus exponere & 
lo probare studia contingat, magnum turn mihi 

per te laboris mei tulisse prcemium videbor, 
eoq\xe etiam facilius posse imperitorum, 
atque horum semidoctorum nasum, 
sannasque contemnere. Vale 
i5 Machlinia, pridie Idus 

Novembris 



A4 DE OR- 



6, 7 alius quam tu ipse werd in den tekst zelf met 
zwarten inkt verbeterd in alios quam ie ipsum ... 



Digitized by VjOOQIC 




DE ORTHOGRAPHIA 

SEV RECTA DICTIONVM 

Teutonicarum scribendi ratione, secun- 

dum Belgarum, pr cesertim Braban- 

torum pronuntiationem. 

EPRAVATAM esse multa- 
nim literarum ac diphthon- 
gorum apud Latinos pronun- 
tiationem, multi passim viri 
literati ssspè conquesti sunt : 
ex quibus nonnuUi quse singu- 
larum literarwm, turn apud Latinos, turn apud 
Grsccos, vera ac natiua deberet esse pronun- 
tiatio, conati sunt demonstrare. Neqi/e tarnen 
i5 eo profecerunt vt eos, qui ad Latinas literas 

se conferrent, emendatis vitijs quae turn ex 
corruptela vernaculi sermonis, turn aliunde 
contraxerant, ad priscam, veram, ac genuinam 
Latini sermonis pronuntiationem planè re- 
20 ducere potuerint ; tantum abest vt singulas 

nationes scripturae vitia, quse ex deprauata 
Latina pronuntiatione contraxerant , in suo 
quamqi/e idiomate vt corrigerent aliquousque 
impulerint : vel etiam vt crassissimos illos er- 
25 rores, quos nullo exemplo, atqi/e adeó contra 

receptam vel inuectam Latinam pronuntia- 
tionem, ipsse sibi adsciuerant non paucos, in 
vniuersum sustulerint. Tolerari enim potuis- 

set si 



Digitized by VjOOQIC 



— 191 — 

set si quselibet natio in scribendo idiomate 
suo, Latinorum tantum errorem secuta fuisset, 
& in hoc sibi constitisset, vt vnius literae eun- 
dem vbique, saltem quem apud Latinos ha- 
5 bet, sonum seruasset : verum eó. res processit, 

erroremque error traxit, pr^psertim apud Bel- 
gas nostros, & in illis apud Brabantos (quibus 
haec potissimum scribimus), vt non solum non 
vtantiu- ijs litehs, quibus turn Latinos, turn 

10 eorum exemplo alias nationes, interdum 

rectè, aliis vti perperam vident, verum con- 
tra omnem rationem alias illis substituant, ni- 
hil minus quam id quod volunt exprimentes : 
turn deinde vni eidemqi/e literi non ad vnum 

i5 tantum vel duos, verum ad tres vel quatuor 

interdum sonos, eosque diuersos, vtuntur, 
prout ex his qu^ in progressu dicentur, singu- 
latim apparebit. £x quo & aliud malum ma- 
nauit vt iuuenes nostrates, dum se ad Latina- 

2o rum literarum lectionem conferunt, eosdem 

abusus errataqwe retineant, quse ex proprio & 
vernaculo idiomate antea imbiberant. Quod 
si fuisset, vt primo pueri rectè in suae & natiuae 
linguse prolatione instituti ad Latina legenda 

25 discendaqi/e accessissent, vltró profectó atqwe sine 

negotio rectam Latin^r pronuntiationem quoqu^ 
postea compraehendissent. Et licet plerasque 
nationes in id incumbere videamus vt cras- 
sissima illa errata passim eliminent atqi/e exo- 
rent, quod libri apud illas editi & descripti 

A s satis 



Digitized by VjOOQIC 



— 192 — 

satis contestentur, neminem tarnen video qui 
ex professo id in Belgico nostro, eoque Teu- 
tonico idiomate, hactenus facere tentarit. 
Res prima facie satis ardua vel inde apparens 
5 quod plurimos in eo audias sonos, quos in La- 

tinis verbis nullos sentis, ac protinus Latinis 
literis notisque scribi posse diffidas. Quod vt 
omninö inficias ire nolim, sicuti neque illud in 
idiomate nostro plures repcriri diphthongos 

lo quam vel in Gallico, Hispanico, vel Italico, ita 

spero tarnen me id demonstraturuw, vniuersum 
nostrum idioma rectè posse scribi si non ijsdem, 
saltim totidem literis quot in vulgari alphabeto 
Latino nobis exhibentur, modo mihi conce- 

i5 datur in locum earum, quas vt superfluas tol- 

lam, vel saltem in alium vsum transducam, alias 
supponere : deinde ex vocalibus tot diphthon- 
gos conficere, quot necessitas exiget. 

DE VOCALIBVS, earumque numero, ac 

20 longarum d breuibus discrimine, quceqne 

apud nos longa, quce breuia scribenda sint. 

Proinde vt a vocalibus initium faciam 
planè indubitatum esse constituo vocali nos 
vna destitui, qua; medium sonum reddat inter 
23 a & e, nempe ea qua^ referat ouium balantium 

vocem : & ne magnam, in qua olim assueuimus 
scriptura mutationem faciam, existimaui il- 
lam commode hac quae sequitur figura nobis 

non 



Digitized by VjOOQIC 



- 193 - 

non insueta scribi possë, nempe g, cui si prac- 
ponas b, signatus constabit ouium belantium 
sonus bg. Ex altera autem parte vocalis Grae- 
ca y, qua Latini vtuntur, a nobis vt superflua 
5 relinqui poterit, neque enim video vbi in idio- 

mate nostro necessaria accidat. Erunt igitur 
vocales qu^ nobis in idiomate nostro vsui sint 
hae tantummodo, a. ^. e. i. o. u, quarum vis ac 
vsus turn in producendo ac corripiendo, turn 

10 in conficiendo ex illis diphthongos, vbi de- 

monstratus fuerit, paululum erit, quod restabit 
operae. Ac in primis non animaduersum fuisse 
a vulgo quantum discriminis sit inter vocalem 
longam & breuem, quamqi/e diuerso sono distingui 

i5 debeat vocalis longa k breui, minimè esse mi- 

randum duco, quum nee in lingua Latina id 
hactenus vix perpensum, nunquam certè in 
vsum, etiam a doctissimis, quos quidem audi- 
uerim, adductum sit. Quum tarnen in eo mag- 

20 num vertatur momentum, consistatque non 

solum nostmm, atque adeó castéra vulgaria 
idiomata aptè scribendi, verum & Latina rectè 
pronuntiandi ratio. Neqi/e enim existimandum 
est Latinos olim sine vllo discrimine pronun- 

i5 tiasse vocalem longam & breuem, non solum in pe- 

nultimis, verum etiam in primis & vltimis sylla- 
bis, sicuti hodie consueuimus, sed vocales longas 
ut minimum in duplum longiore mora enuntiasse 
quèm breues. Quod ipsum vt clarius meliusqMC 

3o percipias, deque illo iudicare queas facilius, fac 

scribas 



Digitized by VjOOQIC 



- 194 — 

scribas vnius longae vocalis loco duas vel tres 
omninó vocales, tumque dictionem ita pro- 
feras vt singulis vocalibus suum tempus tri- 
buas, iudicabis continuo quis longarum vo- 
5 calium debeat esse sonus, quamque is sit diuer- 

sus k brevium sono. Exempli gratia : Notum 
est quo apud nos modo bal pronuntiari so- 
leat in Hannibal, & Hasdrubal, idque rectè, 
' quód scilicet breue sit : Verum in sal, non aequè 

lo rectè, quod longum sit : ac proinde vt sonum 

illius discas, scribe per geminum vel trigemi- 
num a, hoc modo saai, vel saaal : quod si ef- 
ferre coneris vt cuique vocali suum tempus 
tribuas, audis verum sonum productae voca- 

i5 lis, non dissimilem ab eo quem in Gallico, 

quum male, dicere volunt, mal, vel etiam in 
nostro idiomate, quum manticam dicere vo- 
lumus, maaL Perinde quis, bis, mis, tis, rectè 
quoque pronuntiare solemus, vtpote correpte : 

ao at vis, is, glis, lis, productas voces, non item. 

Proinde si scribas duplici vel triplici i, viiis, 
iiis, gliiis, liiis, ad eamque scripturam pronun- 
tiationem conformes, vno tamen tractu, ve- 
rum efferes sonum, audiesque in viis, quod au- 

25 dis in Gallico, vi^ d vi^, quod eregione signi- 

ficat : in liis, quod in Gallico, /i;f , quum lilium 
dicunt. & simile quiddam in sexcentis alijs 
per te ipse animaduertas. Os quoque quando 
habet in genitiuo ossis, rectè i nostris pronun- 

3o tiari solet, nempe correpte : at os oris quod 

produ- 






Digitized by VjOOQIC 



productum, pronuntiandum est vt Galli £a- 
ciunt quum plura ossa dicere volunt, des Of[ : 
Vltimas syllabas in forsan, forsitan, pecten, 
crimen, exin, dein, iubar, hepar, pater, mater, 

5 murmur, turtur, Pallas, Arcas, miles, teres, 

tempus, pecus, rectè item pronuntiare sole- 
mus. At in tytan, hymen, delphin, far, lar, par, 
crater, ver, cur, fur, foras, musas, Anchises, 
Chremes, rus, thus, ius, virtus, productiore 

lo sono, ac velut geminata vocali pronuntiand^ 

sunt : quod si facias in par (vt vnum aut alte- 
rum exemplum dedarem) audies eum so- 
num quem in Teutonico reddimus, quum 
idem exprimere volumus, nempe paar : quod 

i5 si idem in iu^ facias, audies eum sonum quem 

in Gallico, wf, quum dicunt, mettre iu^, depo- 
nere : si denique idem facias in crater & ver, 
eos sonos accipies, quos in vltimis syllabis 
percipis, quum Gallicè dicis, fricare & deli- 

20 rare, grutter & resuer. Qnce pronuntiandi ratio 

quum hactenus non fuerit in Latinis dictio- 
nibus vsitata, non potuerunt nostri homines 
diiudicare quid tantam sonorum k Latino di- 
uersitatem in idiomate nostro efficeret, neqt/e 

25 porró quibus Latinis illa literis, quas tantum 

nouerant, depingenda erat. Quum, si attente 
aduertas, comperies maxima ex parte diner* 
sitatem illam non aliunde prouenire, quim 
ex diuersa longarum vocalium k breuibos 

3o pronuntiandi ratione, Secundüm quse plurimae 

dictio- 
20 Quce,.. — 3o ratione. Secundüm.,, 



Digitized by VjOOQIC 



— 196 — 

dictiones quse hactenus perperam per diph- 
thongos alitérve Belgica nostra in lingua scri- 
bi soleant, scribendae sunt per vocales longas 
* seu duplicatas. ld enim, nempe per geminas esse 
5 scribendas potius quèm, ut nunc apud Latinos, 

accentu circumfiexo notandas censerem, turn 
quod minoris laboris, turn quod minus nostris 
hominibus nouum id erit, quippe qui vel simile 
in multis dictionibus, siue rectè, siue perperam, 

10 factitarunt, vel etiam 4 Germanis superioribus , 

quibus affines sunt, factitatum videruHt, veluti 
quum nostri scribunt vccl multum, gcctt dat, 
beeft tremit, steelt furatur : item quum Ger- 
mani per duplex aa (de hac enim vocali quod 

iS ea in serie literarum prima sit primum nunc di- 

cere instituo) scribunt baat quod crinem sig- 
nificat, baab opes, baal pendulam, baacft vn- 
cum^ ftaal caluum, scbaat ouem, raacb vltio- 
nem. Ad horum igitur exemplum duplici aa 

20 scribendas censeo eas quse sequuntur dictiones 

nostrates : maat sed, maat mensura, waat vbi, 
merx, verum, maart ancilla, aan ad, baart bar- 
ba, aart ingenium seu indoles, baat feretrum, 
gaan ire, staan stare, taart placentae genus, 

25 vaan vexillum, maal mantica, conuiuium, & 

vice, baan planicies, vel callis, baat odium, 
debaan factum, mtóbaan delictum, taat consi- 
lium, laat sero, gaat vade, btaac draco, baat 
commodum, 3aal aula, wtaacft vindicta, maacbt 

3o virgo. Neque enim pleraque ex ijs quae dicta 

sunt. 



Digitized by VjOOQIC 



— 197 — 

sunt, nempe vaan / daat / laat / baat / maal / raat / 
alió crediderim difFerre a van ab, gat fora- 
men, lat tigillum, bat plus, vel melius, mal fa- 
tuus, rat glis, vel rota, quèm sola prolatione 

5 vocalls. Solebant autem nostrates haec om- 

nia & similia quae duplici aa superius scripta 
sunt, per Latinam diphthongum ae scribere, 
quum ea longè aliam pronuntiationem ha- 
beat, ad quam ipsam designandam, alias etiam 

lo illa ipsa rectè vti consueuerunt, vt in laet sine, 

maelt molit, maet metit, macnt mensis : ex qui- 
bus sanè, vel ipsis testibus, patet eam diph- 
thongum alium habere sonum quam quae su- 
perius duplici aa scripta Sunt , sicuti haec co- 

i5 piosius suo loco dicentur, tum cum inter 

diphthongos de diphthongo ae agemus. 

De Vocali g. 

Seqvitvr vt de vocali g nouiter a 
me ascita, nonnihil dicam, qua quando desti- 

20 tuti fuimus hactenus è nostris turpiter erra- 

tum fuit, dum non distinguere nossent in- 
ter illam & alteram vocalem e. Hoc tamen 
rectè ab illis factum, quód eam quae breuis, 
per simplex e , quaeque longa erat gemina- 

25 to ee perscripserint : tametsi ne id quidem 

perpetuó, vt quum se^t pro dicit scribunt, 
va^cn pro tergere, claer pro clarus ; quum 
ista huius vocalis ^ apud nos sonum habe- 
ant. Illud veró mirari subit, non eos statim 

animad- 



Digitized by VjOOQIC 



— ig8 — 

animaduertis$e quim longo interuallo inter 
se distent, wecb apage, & w^cb via : Item 
spel ludus, & 0pfl acicula; belt imago, & b^lt 
^ ooncute nolam. Item veel multum, & g^l 
5 luteus seu flauus : Item geeft dat, & b^tt ha- 

bet, wecften excitare, & w^fte hebdomada : vt 
ita sine discrimine ha3C omnia & plurima his 
similia nostrates ijsdem literis, nempe e turn 
simplici, tum duplici scripserint, quum tamen 

lo eorum dispar (vt dixi) sit pronuntiatio. Neqi/e 

hic solum abutuntur duplici ee, quum scili- 
cet pro duplici f^ scribunt, sed etiam in alijs 
multis, vt quum eodem modo scribunt fteeteit 
vertere, & fteeteu verrere, meet plus, & meel 

iS farina, vt suo loco, quum de vocali e dissere- 

mus, dicetur aptius. Et quamquam ex iam me- 
moratis liquido constare posset, ijs qui aurium 
iudicio aliquo praediti sunt, qu^ dictiones no- 
strates scribendae sint per hanc vocalem f 

20 tum simplicem tum duplicem, tamen non 

grauabor hic syluam quandam vtrarumque 
Sttbijcere, conscius pra?sertim quam a nostris 
hic A turpiter & crebró erretur, dum in La- 
tinis dictionibus pronuntiandis , ex consuetu- 

25 dine, hac vocali ^ persaepè abutantur pro vo- 

cali e, idque tum maxime cum sequitur eam 
r vel S; vti perspiaium magis euadet, dum ea 
quae de vocali e dicemus cum his compara- 
ueris. Simplici itaque ^ inprimis scribenda 

3o censeo pfper piper, tr^ften doli, ft^ften obgan- 

nire. 



Digitized by VjOOQIC 



— 199 — 

nire, dt^cft baculus, ftngcbt famulus, v^tct 
compes, v^Qcn tergere, mgtfien cras, 6pf l / 
epgllen aciculae, gl vlna, ^^It pecunia, v^lt 
campus, n^c ceruix, bgl tintinnabulum , wgcb 
5 via, wgöcn viae, w^telt mundus, t^gen pluuia, 

pgtee torcular, ft^tfiet carcer, mgrt forum, 
w^tm calidum, Y^grent superiori anno, tgren 
expendere, Y^ert^ten consumere, VCtV^vcti 
terrefacere, g^XB gramen, vcxQ^tcn coUige- 

lo re, bedaren cupere, fikren verrere, wgrcYi opus, 

t^tgctif irritare, bgruen carere, Iguen viuere vel 
vita, t^tbcn gradi, v^VBCb recens, tgrscbe pera, 
0Cbgrp acutum, vgt pingue, flebgt precatio, 
bgt quo pro articulo vtimur, vt quum dici- 

i5 mus, bgt I^uen vanben m^ndcbe : t^cbt ius, 

t^Cbten iura. In quibus rursum notanda no- 
stratium culpa, dum eodem modo scribunt 
peper piper, gecften irridere, atque pepel pa- 
pilio, & becYien peluis, quum tamen diuer- 

20 sum sonum habeant, & priora duo per ^ scri- 

benda sint. Duplici autem ^^, vtpote longa, 
scribenda sunt qu3e sequuntur, pggr pirum, 
b^bel^gr mendicus, fi^^t carrus, Cl^t clarum, 
V^^x taurus, procul, l^gt corium, b^gt vrsus, 

25 t^gt viscus, mg^rt cessat, bg^tt ardet, vcxQ^^Xt 

colligit, beg^^tt cupit, vcxt^^xt consumit, 
b^^tt habet, l^gtt viuii, fig^B caseus, 3^^t di- 
cit, l??t iacet, W^^C septimana. Non ignoro 
nonnulla ex istis paulo diductiore quam alia 

3o ore pronuntiari, sed quia nisi k crassioribus 

B primum 

Dialect. 15 



Digitized by VjOOQIC 



m^' 



: il.-" 



primüm erroribus vulgus nostratum reuo- 
care constitui, consulto abstineo ab exactiore 
horum inter 'se distinctione ; sufficitque si in 
praesentiarum commonstrauero quAm longo 
interuallo eoram pronuntiatio a vocalis e, 
qua scribi solent, pronuntiatione distet. 



jij,-'- 



t^>' 



y. 



De Vocaii e. 

Pro tertia vocaii posita fuit e, de qua 
nunc dicere instituo, ac ostendere quèm 

lo inscitè in pronuntiatione illius etiam apud 

Latinos erretur, quum saepè pronuntient 
per ^, quod nonnihil mitius & exilius per 
e, quo scribitur, pronuntiandum erat. 
Quod quó manifestius fiat, è re duxi si pri- 

i5 mum ostèndero verum huius vocalis vsum, 

tum in nostratibus, tum in peregrinis vel 
Latinis etiam dictionibus, quo cognito fa- 
cilè erit cuique ad imitationem horum & 
in alijs quoque rectè formare suam pronun- 

20 tiationem. Ac in primis rectè scribunt ac pro- 

nuntiant nostrates vecbten pugnare, wccb 
apage, becbt manubrium seu capulus, trect 
trahe, wect excita, melc lac, tel crudelis, 
Btclt pone, belt imago, apel ludus, quellen 

25 vexare, geit valet, tellen numerare, tempst 

cribrum, water aqua, biiBter inops, ïiert dica, 
bauet auena, merrie equa, bamer malleus, 
errfen arare, beste optimus, vesten moenia, 
wespe vespa, gcspe fibula, nestel ligamen, 

wet 

I nostratium 



Digitized by VjOOQIC 



— 20I — 

wet lex, wetten acuere, btó lectus, met cum, 
besmet poUutus, 6pet veni. Ad quorum imi- 
tationem Latinos oporteret pronuntiare e, 
quod est in his quae sequuntur vocabulis, quae 

S praedictis conformia selegi, tempus, nempe 

pater, mater, merces, verbum, bestia, vestio, 
vespa, Nestor, omnes, &, debet, habet, & 
similia. Infinitum enim esset singula prose- 
qui, atque adeö superuacuum, quum ex his 

lo paucis facilè sit cuique, qui modo non habeat 

Midse aures, de similibus simile iudicium pro- 

ferre. Sequuntur porró nonnulla quae rectè 

k nostris duplici ee scribi consueuerunt. qui- 

/ bus subijciam & aliqua quae non rectè : Ac 

i5 in primis quidem rectè scribunt per duplex 

ee, veel multum, neet humilis, beecft riuus^ 
^eeft dat, üeett tremit, BCbeen videbatur, steel 
manubrium, ree3 gygas, speelman tibicen, 
smeet percutiebat, weecbscbaal libella, neep 

20 pungebat, genereert / corrumpeert / boceert / & 

similia verba quibus passim ex Latinis deduc- 
tis ad istoruw modum vtimur. Quae veró non 
rectè k nostris per duplex ee scribi consueue- 
runt, in primis sunt ea quae superius ostendi 

2S per duplex ^^ scribenda. Extra qua2 sunt & 

alia quae perperim per duplex ee, scribi di- 
uersitas soni satis indicat, nempe beest pro 
bestia, meet plus, beet dominus, fteeten vertere, 
weet nodus, beel integrum : quae quomodo 

3o scribenda sint suo loco demoHstrabitur, tamen 

B 2 hic 

18 gigas 



Digitized by VjOOQIC 



- ioi — 

bic obiter admonuisse sufficiat, vt plurium 
coUatione, veto vsu duplicis ee penitius cog- 
nito, falsus relegetur ac eiculet. 

De Vocali i. 

5 Proximvm est vt de litera i dicamus, 

quae nunc longa est, nunc breuis, ut caeterae 
vocales; ac eam quse longa est Galli nullo 
signo distinxerunt, vt quum vil vilis dicunt, 
liet lectus, cuit coctus, cuir corium, vomir vo- 

lo mere, captif captiuus, saisir occupare, seruir 

seruire, & habit vestis. Reddidi veró superius 
rationem quare mihi videatur consultius, vt 
pro longa vocali geminam scribamus; k Gal- 
lis interim discamus vocalem hanc quum 

i5 longa est nulla extranea vocali addita deno- 

tare, sed potius illam geminare, ac proinde 
si non placeat vltimam illius dictionis seruir 
syllabam quae nobis significat ignem vel qua- 
tuor, ita nude pro eo significato ponere, sed 

20 distinguere a Latino vir quod breue est : scri- 

be sanè per duplex il viil, relicta inepta qua 
hactenus vsi sumus scriptura vict : sic pro vl- 
tima syllaba illius dictionis fourbir, quae apud 
nos cereuisiam denotat, scribe biil, Ad eun- 

25 dem modum pro vltima in saisir quae pedi- 

cillum significat, scribe 3lir : & pro vltima 
in vomir, quae formicam significat, scribe : milt : 
& sicut Galli scribunt vil vilis, sic nos wlll 
rota, item Mlp profundus, brilt epistola, ÖUt 

fur, 



Digitized by VjOOQIC 



— 2o3 — 

fur, wilfl cunae. 3Un videre, niit nihil, Mfr ani- 
mal, Ificbt mentitur, ac infinita similia, quse 
omnia nostri scribere consueuerunt per diph- 
thongum ie, contra omnem tuin rationem, 
5 tum aliarum gentium morem. Videre enim 

licet apud Gallos rectum huius diphthon- 
gi ie vsum in sien, tien, mien, hier, miei, fiel, pre- 
mier, dernier, quum suum, tuum, meum, heri, 
mei, fel, primum , secundum, dicunt. Rursum 

lo patet hinc, & ex ijs quae superius de longa- 

rum vocalium prolatione ac scribendi ratio- 
ne dicta sunt, quam inscitè nostrates abusi 
sint duplici hac vocali ii, ad denotandum diph- 
thongum quae auditur apud nos cum meum, 

i5 mihi, nos, vos, vel suum Teutonicè dicimus : 

qua de re inter diphthongos dicam latius, 
quum caeteras vocales absoluero. 

De Vocali o, 

VocALis O, de qua nunc dicendum , 
20 breuis auditur in 30n sol, mol talpa, & clO0 

globus, cui opponitur longa quae auditur in 
300n filius, COOI carbo, & in Gallico clo{, quod 
clausus significat : quas tres dictiones postre- 
mas si cum tribus praecedentibus conferas, 
25 facilè iudicabis quomodo & quatenus voca- 

lis o longa faciat differre dictionem alteram, 
ab altera quae breui o profertur. Auditur 
item o longum in üelOOtt / Y^eclooft promis- 
sum, Bpoot calcar, voor sulcus, woort verbum, 

B 3 moort 



Digitized by VjOOQIC 



— 204 — 

mooct homicidium. Quae omnia & his simi- 
lia scribunt nonnulli per diphthongum (B, 
& vice versa quae per diphthongum (b scri- 
benda erant per duplex oo scribunt : alij pro- 

5 miscuè vtraque, & illis longè diuersa, per 

diphthongum CB scribunt, promiscue scriben- 

. tes 30e sic, boert audi, bOC quomodo, boet me- 

retrix, 30cn filius, boet rusticus, & boet tere- 

brum ; quum tarnen tres diuersi soni in his 

10 audiantur, praesertim vt in plerisque Belgiae 

• locis pronuntiantur. Scio • enim Antuerpia- 
nos aliter pronuntiare moett & boett quam 
Bruxellenses , verum agimus hic tantum quo- 
modo suam quisque pronuntiationem ijs qui- 

i5 bus oportet literis scribat, ne quum moott 

pronuntiet, tnoett scribat, vel contra. 

De Vocali u. 

Circa vocalem u non minimus error 
commissus est a nostratibus, quippe qui ea quae 

20 hac vocali eaqwe simplici scribenda erant, scri- 

pserunt per duplicem, eamqwc maiorem (vt vo- 
cant) w / ut dum BVO^Ct grauis, bwaes fatuus 
scribunt : quum tamen ad exemplum Latino- 
rum, quum suadeo, persuasus, & consueui di- 

25 cunt & scribunt, vel etiam Gallorum, quum 

suiure sequi, duict conuenit, induit inductus, 
suys sum, nuict nocet» dicunt & scribuwt; potius 
scribendum erat 3uaat & buaas per simplex u; 
& ad horum exemplum alia illiusmodi com- 

plura 



Digitized by VjOOQIC 



— 205 — 

plura, veluti 3uac fragile, sugtt niger, tutót iur- 
gium, 3uellcn intumescere : Neqwe enim video 
quid hic faciat duplex illud w. Quód si ad de- 
notandum hanc coalescentiam vocalis u cum 
5 sequenti vocali, superaddere velis signum quali 

apud Latinos signatur accentus circumflexus , 
vel aliud si quod commodius reperias, rectè 
mihi facturus videberis, pr^psertim ne quis fal- 
latur dum putabit separare syllabas, vti etiam 

10 alias apud Latinos separantur, nempe in> sua. 

suauis, & suis. Vocalis autem haec u de qua 
agimus, interdum breuis est, qualis passim au- 
ditur in murmur & turtur, quum ea ex more 
communi pronuntiantur : alias longa est, qua- 

i5 lis auditur in Gallico futur quum futurum, 

but scopum, dur durum, pur purum, dicunt, 
item quum nos murum dicimus : pro quo, se- 
cundum dictam superius rationem, muut scri- 
bere nos oportet, Similiter 3ttUt acidum vel 

20 acetosum, dtuut asper, buut locatio, buttCt du- 

rat, vuurt vehe, bcötuutt tristis vel constrista- 
tus, vtuucb mane, vel tempestiue, ^tuun vi- 
ride, 3UUt dulce, quae omnia diuersimodè 
apud nos scripta réperiuntur, nunc per ae, 

25 nunc per en, alias per oe. Quin etiam non- 

nuUa quae per u brene pronuntiamus per oe 
k quibusdam scripta reperies, vt tnocbc pro 
fesso, quum mu dicamus; item 3oecftt quaere, 
quum 3UCt dicamus, quewadmodum Öruct pre- 

3o me & nootnitt necessitas. 

B 4 
26 breue 



Digitized by VjOOQIC 






— 206 






D E Vocalium in primis mednsqyie Latinarum dic- 
tionum syllabis productione vel correptione, 

Ta MET SI ex his quae superius de mo 
nosyllabarum ac vltimarum syllabarum apud 

5 Latinos pronunciandi ratione breuiter per- 

strinximus, rite exacteque perspectis, vniuersa 
quas de vocalium etiam in primis vel medijs 
latinarum dictionum syllabis dicenda restant, 
tractari ac definiri possent, vti quam plurimis 

10 non vulgariter doctis, quibus labores istos 

meos communicaueram , non hic Mechli- 
niae tantum, sed & Lovanij, nee non Antuer- 
piae & Bruxellae, paucis commonstraui ; vt mi- 
nimè opus putauissem illa pluribus hic de- 

i5 monstrare, adeoque iudicauissem nimis id fu- 

turum ab instituto meo alienum fuisse : impu- 
lerunt me tamen illi vt ea paulo latius hic ex- 
plicarum, adserentes futurum e re iuuentutis 
si illis qui eam latinè instituunt hsec clarè ob 

20 oculos proponantur, vt statim in vsum dedu- 

cere queant, & secundum illa discipulos suos 
docere. Addebant, ex eo ornatum non medio- 
crem accessurum libello isti, quód res haec 
omnino noua esset, neque dum animaduersa 

25 vel explicata satis. Quare vt illis morem ge- 

ram, commodum fore putaui si rem aggre- 
diendo, primum ac ante omnia detexero regu- 
lam illam quse definit omnem vocalem quae 
praecedit duas consonantes (quam grammatici 

positio- 



Digitized by VjOOQIC 



— 207 — 

positionem vocant) produci, non ex neces- 
sitate, sed ex mero vsu inductam esse : hoc est, 
non impossibile èsse. immo factu facillimum , 
huiusmodi vocalem corripere, veruw futurum 
5 id contra vsum & consuetudinem Latinonim, 

eumque commissurum soloecismum qui vo- 
calem ante duas consonantes in Latinis die- 
tionibus pronuntiando corriperet. Am- 
plius dico, nostris hominibus adeo procliue 

lo esse vocalem ante duas consonantes in Lati- 

nis dictionibus corripere vt existimem eos nul- 
las non corripere, dum ita pertinaciter insistunt 
barbararum vocum, nempe idiomatis sui, tri- 
tis assuetisque vestigijs, quia apud illos voca- 

i5 lis huiusmodi corripiatur saepius quam produ- 

catur. Est enim vbi quandoque producitur; ve- 
rum ob contractum prius ex ea quae magis 
vulgaris erat loquendi ratione vitium, noH fa- 
cile potuerunt nostri homines errorem hunc 

20 suum cognosc^re aut animaduertere. Vt au- 

tem manifestum fiat quam procliue sit voca- 
lem ante duas consonantes positam corripe- 
re, quamque id frequenter in nostrate idio- 
mate contingat, subijciam hic copiosam ea- 

25 rum vocum syluam in quibus illud ita sit. Vi- 

delicet acbten / baBten / spalften / clacbten / 
vasten / dbebacbten / wacbten / baapen / dasten / 
scbacbten/pacften /bgtbet6/bf tscben/Blecbten/ scf tp** 
ten/ atftcten/ Igcten/tgtcbbe / wgrben / apglte / wgr*» 

3o öel / bftbe / bf raten / beften / vesten / mesten / vecbten / 

beltben/ 



Digitized by VjOOQIC 



— 208 — 

Delföcn / ötrccten / becbtcn / öiften / Dicbten / öc- 
wicbt / ae3icbt / öcviöcbt/ wtót/tocbte / coetc /vocbte / 
brocbte/ cocbte/toctae/ bot0tcn/vor0tcn/pluctcn/ruc-« 
ten / vlttcbten / luaten. Quis hanc syluam lustrans 
5 non statim fateatur dictiones alias etiam La- 

tinas, in quibus vocalem duae sequuntur con- 
sonantes, ad hanim omnes quoque rationem 
pronuntiari, petatqt/e extemplo demofistrari qua 
alia ratione productè pronuntiari vel possint 

10 vel debeant. Istud veró facillimé absqwe longio- 

re deductione manifestum fiet ex earum vocum 
congerie in quibus vocalis ante duas conso- 
nantes posita in nostro idiomate producitur, 
quam hic statim subijciam : Indequ^ simul tan- 

i5 quam per indicem patebit, quomodo ad illa- 

rum exemplum vocales in Latinis itidem dic- 
tionibus consimiles producere poterimus. 

Sunt autem hae, waacten/aaacten/naacten/dtaat» 
ben/paatbcn/aaapten/naatben/aaacbben/claacbben/ 

20 dcbaacten / baacbben / baaeten / fiaatben / baatben / 

bg^rbe / le^tbe / ecbg^tbe / wggcbbe / veesten / «cbee* 
pten /öenereerbe/trtumpbeerbe / boceetbe / beweecb-» 
be / öteecWen / wUcbbe / tiinbe / bütte / biipte / viixbc / 
cootbe /nootbe /vooebben/ bootben/vuucbbe / buutbe / 

25 wuulbe / tuttcbe / vuulbe / «cbuurbe / vuutbe* Ad 

honim itaque exemplum producendse nobis 
sunt Latinse omnes dictiones in quibus repe- 
ritur vocalis ante duas consonantes. Quod vt 
breuius clariusque elucescat, in primis Lati- 

3o nas illas potissimum hic apponemus quae su- 

perio- 



Digitized by VjOOQIC 



— 209 — 

perioribus vernaculis maxime adfines sunt, 
vt ita ex vtrarumque comparatione aut inter 
sese collatione, dilucidius id quod volumus 
appareat. hae proinde Latino dictiones, actum 
5 factum, tractura, nactum, pactum, ad eundem 

modum pronuntiandae sunt quo nostrates il- 
Ice waacten vigilabat, craactcn fragorem edebat, 
naacten nudi, longè diuerso sono quam pro- 
nuntietur wacbten expectare, vel (quod illis 

lo adfine magis est) ttacfien trahebat illum, vel 

pacftten colliga illum in fasciculum velsarcinam, 
quo tarnen illa sono pcrperam proferri hacte- 
nus a nostris solitum est. Itidem hasta, esto, 
castus, ad exemplum dictionis nostratis baa^ 

i5 Bten festinare, proferenda sunt, aliter sane quam 

vaBten ieiunare, vel ^aBten conuiuae, quas dic- 
tiones superius in sylua inter correptas nu- 
merauimus, Ad consimilem modum noster & pos- 
tis pronuHtiari debent, nofi veró correptè vt fit, 

20 sicuti codten expensas, & posten qui dispositis 

equis vehuntur, pronuntiamus. Rursum vox 
corda proferri debet ad exemplum nostratis dic- 
tionis coocöen funes, quum soleat pronuntiari 
correptè, vt wotbett fieri : quemadmodum etiam per- 

25 peram correptè haec pronuntiari solent. barba bar- 

dus, quae tamen productè pronuntiari debent, si- 
cut apud nos baaröcn barbae. Vox item cerdo 
ad exemplum superius in hoc adductae dictionis 
boceeröe / pronuntianda est. Sic & findo ad imita- 

3o tionem tiinöc decima, & sic de reliquis alijs. 

Seqvi- 
4 Hce — 12 perperam — 25 solent : barba f ... 



Digitized by VjOOQIC 



— 210 — 

Seqvitvr vt de illis dictionibus in qui- 
bus vocalem vna eademque geminata sequi- 
tur consonans (quales consultè vt seorsum de 
illis tractaremus reliquimus, nee sub praece- 
5 dente sylua & congerie vUas compraehendi- 

mus) nunc disseramus. Neque enim raró apud 
latinos fit vt vna eademque consonans gemi- 
nata reperiatur, certe apud nos frequentissi- 
me : Et quidem si quae alia, haec profecto po- 

10 tissima mihi visa est fuisse causa, quse nos tam 

diu in errore detinuit. Quis enim haec legens 
non hinc statim mihi obijciat, in pronuntian- 
dis vocalibus quae geminatas huiusmodi post 
se habent consonantes, non obseruari ratio- 

i5 nem illam producendi quam modo circa vo- 

cales, quae duas diuersi generis post se conso- 
nantes positas habent, praescripsi : sed & illud, 
ne obseruari quidem posse, contendat. Ve- 
rum huic ego respowderim existimare me om- 

2o nes illas vocales, quibus apud nos geminatas 

postponimus consonantes, pronunciari cor- 
reptè, vti etiam latinas huiusmodi dictiones, 
dum eas ad imitationem nostrarum proferi- 
mus; contendoque aliter apud latinos pro- 

25 nuntiandas esse, nempe productè, quód omnes 

eiusmodi apud eos longae sint, aliter quam 
apud nos, vbi non modo omnes breues sunt, 
verum insuper in hoc fit geminatio ista con- 
sona«tis vt denotetur vocalis praecedens cor- 

3o repte pronuntianda esse, idque longè potiori 

ac me- 
7 Latinos — 24 Latinos,., 



Digitized by VjOOQIC 



— ^11 — 

ac meliore (vt mihi videtur) ratione, qudm 
nunc apud Latinos, vbi contra Grammatici 
id in aliquibus fieri dictionibus aiunt vt pro- 
ductionem praecedentis vocalis inducat : veluti 
5 in repperi & similibus, quód alias correptè 

pronuntiandas eas forè existiment. Nee du- 
bium mihi fit quin idem in alijs quamplurimis 
Latinis dictionibus eadem de causa, nempe 
ad denotandam productionem, pridem k Gram- 

lo maticis factitatum sit. Constat etenim Lati- 

nos veteres nullas solitos fuisse geminare con- 
sonantes, neque enim necesse fuit; sicuti nee 
apud nos vllam inducere geminationem ne- 
cesse quoque fuerat; sed quemadmodum id 

i5 quod apud Latinos geminatione illa deno- 

tari atque effici voluere, sola est praecedentis 
vocalis productio : ita contra apud nos quod 
geminatione eadem efficere studuere, sola prae- 
cedentis vocalis correptio est. Quod in vni- 

20 uersum sic demonstro. Nam aut producenda 

aut corripienda est vocalis quae in primis vel 
medijs syllabis post se consonantem habét : Si 
corripienda sit, non potest id aliter fieri quam 
subita adiectione consonantis quae illam se- 

25 quitur, ita vt statim vocalis praecedentis so- 

num abrumpat, prout superius late ostensum 
est, in vltimis syllabis & monosyllabis , cüm 
apud nos, tum apud Latinos, hac ratione di- 
stingui debcre vocalem breuem ab ea quae 

3o longa est. Quam rationem si obserues etiam 

in pri 
29 debere 



Digitized by VjOOQIC 



— 212 — 

in prima syllaba dictionis casa (vt hanc è mul- 
tis exempli loco sumamus) & coneris quam 
celerrime vocalis praecedentis sonum, adiecta 
statim illi quam post se habet consonante, 
5 claudere seu decurtare, non absimilem admo- 

dum audies sonum atque si cassa scriptum esset, 
peruulgatoque hactenus more pronuntiare- 
tur : non quod re vera geminata vUa sit conso- 
nans, sed quód fieri nequeat vt consonans vo- 

10 calis praecedentis sonum quüm citissime ab- 

rumpens, non etiam vires suas adeó in illam 
exerat, vt omnino anteriori, certè non minus, 
quam subsequenti vocali conglutinata esse vi- 
deatur; qua re fit vt eflPerendo geminatse spe- 

i5 ciem habeat : eaque causa fuit vt nostrates in 

huiusmodi dictionibus consonantes semper 
geminarint, quemadmodum etiam olim k 
priscis Latinis factitatum legimus. Quod si è 
diuerso ca in c^sa productè pronuntiare velis, 

20 oportet contraria ratione vocalem priorem 

ab ea quae illam sequitur consonante quan- 
tum potes remotissimè diducere & seiunge- 
re, ne vUo pacto sonum illius abrumpat : quod 
ipsum si hic facias in casa, audies similem om- 

25 nino sonum atque si scriptum esset caasa, vel 

si mauis caaasa, nempe productum, illum quo 
hactenus vulgo pronuntiari solitum est, idque 
secundum veram producendi vocali^ in mo- 
nosyllabis ac vltimis syllabis a nobis nuper 

3o descriptam rationem. Neque enim alia pro- 

ducen- 



Digitized by VjOOQIC 



- 2l3 — 

ducendarum illarum ratio excogitari potest, 
nee contra, alia illas corripiendi, quam ea quae 
superius adducta est. 

Prjeter haec omnia possunt ista etiam 
5 alijs, ex idiomate nostro petitis, rationibus 

oonfirmari. Quum enim nihil tam naturale sit 
qudm vt qualem in singulari syllabam siue lon- 
gam siue breuem nomen habet, talem in plu- 
rali retineat, ostendam iam quod monosylla- 

lo ba vernacula in simplicem consonantem desi- 

nentia (quorum qualis debeat esse pronuwtiatio, 
tum breuis turn producta, superius vt dixi, ita 
clarè demonstratum est vt nihil amplius hae- 
sitandum putem) illius generis quam in sin- 

i5 gulari vocalem habent, assumpta post se in 

plurali syllaba altera, quo dissyllaba fiunt, re- 
tinere, & secundum praescriptam ét nobis ra- 
tionem proferri : hoc est, si in singulari mo- 
nosyllaba correpta sint, addita postea in fi- 

20 ne syllaba, pronuntientur in primis eorum 

syllabes vocales ad eum modum quo corre- 
ptas pronuntiandas diximus : Si vero Ion- 
ga sint in singulari monosyllaba, & post 
adiect^ in fine syllaba dissyllaba fiant, pro- 

25 ferantur positae tum in primis syllabis voca- 

les non secus atque longas pronuntiandas 
ostendimus. Quod ipsum non opus est lon- 
giore sermone declarare, neque commodius po- 
terit explicari quèm vtriusqwe generis adductis 

exemplis 



Digitized by VjOOQIC 



— 214 — 

exemplis, ac primum eorum quorum breuis 
est vocalls, qualia sunt bac/pac/dcbat/dca€bt/l>ii0t/ 
vafit/sat/elgcbt / beet / neet / flitt/30t/toc / bol/son/ 
bul / stuc / bttt quorum pluralia (quae non nisi 
5 adiecta formantur in fine syllaba en vel e) quum 

itidem breuia esse debeant, pronuntiantur ad 
eum modum quo breues vocales pronuntiari 
debere diximus, enumeranturque hic secun- 
dum eundem quo supra singularia ordinem, 

I o bacftcn / pacften / debatten / sebaebten / baeten / vaste / 

satte / dl^ebte / beste / nesten / fitten / aotten / toeften / 
bollen/3onnen/bulle/6tueften/butten. Contra quae 
sequuntur baat/ baan / ftaal/ftff 0/ p^^3/ Pees/ veest / 
öilt / pttt / milt / 30on / moort / muur / bruut / quum 

i5 vocalem habeant longam, eandemque etiam 

in pluralibus, qui similiter formantur addita i 

tergo syllaba en vel e, servare debeant, pro- 

. nuntiantur eodem modo quo vocales longas 

pronunciandas diximus, nempe reiecta con- 

20 sonanti quam in fine habent in seque«tis quam 

assciscent syllabae caput, vt quiuis, qui nostri 
idiomatis non rudis est, cognoscet ex ijs quse 
iuxta supra enumeratum singularium ordinem, 
sequuntur pluralibus. baten / banen / ftale / fi^3cn / 

25 pe3en / pe3en / veesten / öiren / picen / miren / 3onen / 

moorben / muren / bruue* 

Eodem modo si verba quae in prima prae- 
sentis indicatiui modi persona monosyllaba 
sunt, ac in consonantem finiunt, vocalem lon- 

3o gam vel breuem habeant, eandew in infinitiuo, 

quem 
2 scbacbt — 24 pluralibus : baten..» 



Digitized by VjOOQIC 



— 2l5 



quem fkciunt addita similiter in fine syllaba 
en, retinent. Ac in primis, quum haec quae se- 
quuntur primae personae praesentis indicatiui 
verba , correpta sint , Ic val / tap / bacïi / öcbat / 
5 vaöt / baö / t^xg / bet / bec / lig / bic / wit / win / pluc / 

vul / in infinitiuo (quem vt dixi faciunt ad- 
dita in cake syllaba en) pronuntiantur ad 
eam rationem qua correptas vocales efiferri 
diximus : vt ij quibus sequentes eodem or- 

lo dine infinitiui noti sunt, iudicare poterunt, 

vallen / tappen / bacfien / Bcbatten / vasten / bassen / 
tftöen / betren / becften / liflöen / bicften/ witten /win-^ 
nen / pluchen / vullen* Ediuerso quae sequun- 
tur primas personae praesentis temporis indi- 

1 5 catiui modi verba, Ic laat / Slaap / vaan / caap / 

daap/paat/tff[t/ eet/ meet /meet/öeetf/weeö/ neem/ 
lees / neer / litö / wiiö / tiit/ boop / scboot / buut / tuut/ 
quum longa sint, & naturae conueniat vt sem- 
per & vbique longa maneant, dum adiecta a 

20 tergo syllabéL en (quod similiter in infinitiuis 

eorum sit) dissyllaba fiunt, pronuntiantur ad 
praescriptum longas vocales habentibus mo- 
dum, vt demonstrant qui eadem serie sequun- 
tur ab ijs deriuati infinitiui , laten / slapen / V^ 

25 ten / tapen / ^apen / paten / tgten / eten / meten / gc^ 

uen / weaen / nemen / le3en / neten / liaen / wigen / 
titen / bopen / scboten / buten / tuten ; In quibus 
omnibus exemplis, quantum ad veterem no- 
stratium scribendi rationem attinet, hoc in- 

3o super notandum animaduertendumque est, 

C mono- 



:r>2 



Dialect. 



16 



Digitized by VjOOQIC 



— 2l6 — 

monosyllaba quae in simplicem consonan- 
tem desinunt, si correpta sint, dum alteram 
illam post se in infinitiuis vel pluralibus ad- 
sciscunt syllabam, geminare consonantem in 
5 quam desinunt, si verö longa sint non gemi- 

nare, quó scilicet vel ex hoc manifestum fiat 
nullam ad vocalis productionem requiri con- 
sonantis geminationem , sed magis pertine- 
re illam ad vocalem praecedentem compien- 
lo dum, tametsi ne ad hoc quidem necessariam 

esse docuerimus. 

Q v I B u s ita constitutis probeque per- 
ceptis facilè fuerit vnicuique, tanquam strati 
iam vill, diiudicare quomado in vniuersum 
i5 apud Latinos primae mediaeve dictiorium om- 

nium syllabae, qu^libet secundum suam quam 
dicitur habere quantitatem , pronuntianda 
sit. Si enim corripienda sit, necessum est iuxta 
supra praescriptam formam, vt sonus vocalis 

20 ex qua constat, celeri sequentis eam literae 

(siue illa vocalis siue consonans sit) adiec- 
tione, incidatur : Si veró producenda sit vo- 
calis aliquai in primis vel medijs syllabis, ne- 
cessum est diuersa ratione, quó sonus illius 

25 non abnimpatur, vt seorsum pronuntietur , 

vtque i sequenti eam litera quam remotissi- 
mè siue diutissimè secernatur atque abiun- 
gatur. Exempli gratia : In vide, quum prima 
breuis dicatur, curandum in illius pronuntia- 

3o tione vt vocali i statim subdatur sequens eam 

conso- 



Digitized by VjOOQIC 



ws^ 



— 217 — 

consonans d, vt vix aliud percipere queas quin 
illi adhaerens conglutinataque sit : Ad quam 
rationem si dictionem illam efferre coneris, 
audies non dissimilem valde sonum ab eo 
5 quem audis, dum pronuntiamus bföbcn orare, 

vel si pro vide vidde Ecriptum esset. Contra in 
vidi quum prima longa sit, curandum est vt 
quim maxime possis caueas ne facilè produc- 
tionem illius abscindat siue abrumpat sequens 

10 eam consonans d, sed totam illius vim quan- 

tum possis in sequentem syllabam reijcias, vt 
quae nihil in praecedentem offidj habeat ad 
incidendum illius sonum; qua ratione vt rectê 
hactenus pronuntiari solitum est, ita» perpe- 

i5 ram vide ad cundem proferebatur modum. 

Hic interim non pr^tereundum duxi, vt 

animaduersione dignum, quód quemadmo-. 

dum quae post vocalem longam sequitur hic 

consonans. non ita in vniuersum ac in totum 

20 reijci potest in sequentem syllabam, quin qua- 

damtenus afïiciat etiam praecedentem. non secus 
Sitque si viid di scriptum esset ita in vide dum ad 
abrumpendum sonum praecedentis vocalis, 
quód breuis sit, subditur quam celerrimè con- 

25 sonans d, quasi priorem syllabam constituas 

vid, cui deinde pro altera subijcias e, vid e, 
non ita omnis in vniuersum consonantis illius 
vis praecedenti illi vocali attribuenda sit, vel 
etiam attribui possit, quin integrè vires suas 

3o exerat etiam in sequentem, non aliter quam 

C 2 si (vt 



Digitized by VjOOQIC 



^ 2l8 — 

si (vt supra dictum est) vidde scriptum esset : 
adeó difïicilè, siue potius impossibile est , vt 
consonans priori vocali subdita non afficiat 
aequè vehementer sequentem vocalem, si mo- 
5 do ad rationem vnius dictionis vtraque syl- 

laba pronuntietur : Quod ipsum alio etiam 
exemplo declarare licet in dictione vacat. 
Nam si primam illius syllabam pronunties, 
vt c subdatur priori vocali, non poteris se- 

10 quentem pronuntiare, quin aequè audiatur ad 

illam Consonans c, atque ad priorem : haud 
aliter quam si diuersis quasi dictionibus pro- 
nunties vac cat, ad eam rationem qua no- 
stratum quilibet eas pronuntiaret , nempe 

i5 correptè. Vicissim si primam in vacas pro- 

ductè pronunties, non poteris id tam disertè 
facere, quin c ob productionem praDcedentis 
vocalis reiectum in posteriorem syllabam, 
exerat tamen vires aliquas etiam in praece- 

20 dentem, referatque simile quiddam quod au- 

dis si distinctis quasi monosyllabis pronun- 
ties vaac caas, ad eam rationem qua supe- 
rius quae longa sunt monosyllaba vel finales 
syllabas pronuntiare docuimus, Vt tandem 

25 iam liqueat abs re esse vllam ad rectam idio- 

matum scripturam consonantium gemina- 
tionem inducere, modo pro constanti ferue- 
tur regula qua diximus ad abrumpendum vo- 
calis quae breuis sit sonum (quod verè est il- 

3o lam corripere) statim subdendam esse quae 

illam 
14 nostratium 



Digitized by VjOOQIC 



— 219 — 

illam sequitur consonantem. Quód si quid 
praeterea energiae vel mysterij subesse possit 
consonantium apud Latinos geminationi, quê. 
a pristina illa scribendi ratione discessum est, 
5 alterius momenti illud est, nihilque quod his 

quae diximus aduersetur habens : sed quia lon- 
giore res ista demonstratione egeret, minimè 
huic loco & libello conueniens est. 

Q u iE autem hactenus cowimonstrauimus 

10 in dissyllabis dictionibus, superuacaneum fo- 

ret monere quomodo ad trium vel plurium 
syllabarum dictionum, siue primas siue me- 
dias. syllabas, extendendum applicandumve 
sit : hsebetioris enim ingenij foret qui pro- 

iS nuntiationem syllabae vi quam in vide & vi- 

di docuimus, non posset etiam obseruare in 
videre & vidissem : item in prouide & pro- 
uidi, & obseruationem illam vltra porrigere 
od omnis generis dictiones. Itaque cum in 

2o dictione, dominus, omnes syllabae breues 

sint, si ad rationem supra scriptam profera- 
tur, distinctis quodammodo sic syllabis dom 
in us : audies non dissimilem ferè sonum 
atque si domnus scriptum esset. Ex qua re, 

25 quód olim ea pronuntiatio vulgaris erat, fac- 

tum fuisse puto vt in Ecclesiae litanijs, quas 
vocant, hucusque ita scriptum reperiatur, in 
illa quae pro summo Pontifice sit precatione, 
quem ibi domnum Apostolicum proferunt. 

3o Quod & in mina & lamina, quum mnam & 

C j & lam- 



Digitized by VjOOQIC 



— 220 — 

lamnam, non nisi ad mediae vocalis correp- 
tionem indicandum dicunt, perinde itidem 
factitatum est. Dictionis item muiier omnes 
syllaba» breues sunt eodemque modo corri- 
5 piendae quo in verbo» dominus. Tantum cir- 

ca illam similesque monendum, quöd non alio 
modo neque minus vocalis breuis sonum ab- 
rumpat repentè adiecta vocalis sequens, quam 
si consonans foret : vnde fit vt correptè pro- 

lo nuntiatum muiier ferè sonet tanquam si in 

duas syllabas contrahatur mul ier, inciso sono 
vocalis i per vocalem sequentem e : Hac ra- 
tione contractum nomen parietes non valde 
difFert, atque si in tres tantum syllabas has di- 

i5 stinctum esset par ie tes, vt minus mirum sit 

Vergilium in carmine heroico dixisse : haerent 
parietibus scalse, & passim tam ipsum quam 
caeteros poëtas in similibus dictionibus vo- 
calem breuem praecedentem cum sequenti pro 

20 vna posuisse syllaba, ob vtriusque nimirum 

pronuntiationis affinitatem, veluti in deinde, 
proinde, aure^, hauriam, fuerunt, audeo, &c. 
Ad hunc modum abrumpenda est in Latinis 
dictionibus vocalis omnis, qu^ vocalam pr^- 

25 cedit dum (vt ferè semper) illa corripienda 

venit : Diuersum faciendum cjst in fio, cuius 
apud latinos prima syllaba producitur, recteqtt^ 
a nobis pronuntiari solet, aliter sanè quam 
Itali primam syllabam in Jiorentia, vt quae se- 

3o cundum rationem breuium pronuntietur. 

Restat 
27 Latinos 



Digitized by VjOOQIC 



— 221 — 

Rest AT hoc tantum vt quomodo quae 
dictionem terminat vocalis, nunc correptè, 
nunc produclè pronuntianda sit, edoceamus, 
quod propositis exemplis faciemus commo- 
5 dius. Itaque vt apud Gallos, quum Cqyme 

amo, grande magna, femme foemina, nostre 
noster, homme homo, dicunt : quse in fine est 
vocalis e breuis sit : Item quum contra dum 
fajr aimé amaui, monstré ostendi, vel il ayma 

lo ipse amabat, garda custodiebat, mussa abscon- 

debat, frappa verberabat. Item quum touy' 
audiebam, fleschy flectebam, receu recipie- 
bam dicunt, vocales omnes in vltimis harum 
dictionum positas producant, facilè erit ad 

i5 horum exemplum etiam apud Latinos vo- 

cales quae dictiones finiunt, tum corripere, 
tum producere. Sic vltimam in musa dum 
breuis est, passim vti alias omnes in vocales 
terminantes solemus syllabas vltimas, corri- 

20 pimus : quód si vltimam in musa producere 

velis, quod in ablatiuo necesse est, faciendum 
id erit ad exemplum Gallicae, quae supra affi- 
nis illi posita est dictionis mussa. Quod & in 
reliquis. faciendum, vt ad aliarum supra posi- 

25 tarum vocalium Gallicam pronuntiationem 

conformentur. Sed ne hic sim longior, tem- 
pus ipsum me reuocat, vt vnde digressus sum 
ad propositam pracipuè idiomatis nostri or- 
thographiam reuertar. 

C 4 DE 



Digitized by VjOOQIC 



— 222 — 

D E Diphthongis , ac primum de 
diphthongo ae. 

Declarata sicut id superius a nobis 
factum est, perceptaque iam natiua cuiusque 

5 ac genuina vocalis pronuntiatione , in pro- 

cliui erit dignoscere atque diiudicare quo- 
modo ex illis coalitac conflataeque diphthon- 
gi efFerendae sint, tumque praesertim si hanc 
in primis regulam teneas : Vtramque aequè 

lo vocalem sonum suum retinere debere, in vtiam 

syllabam confusum, quemadmodum in au & 
eu diphthongis retinere videmus : quod & 
nominis quoque ratio indicat : didtur enim 
diphthongus quod duos sonos ac voces ha- 

iS beat. NeqMc me mouet quod Latini diphthon- 

gum ae, de qua iam dicere instituo, item oe, 
de qua postea dicturus sum, vt e simplex hac- 
tenus pronuntiarint. Id enim perperam eos 
& fecisse, & facere, docti omnes testantur. 

20 Rectius nostrates hac diphthongo scripseruwt 

lact sine, seu mitte, vel etiam onera, maent 
mensis, vel interpella seu mone, vaet cape, 
seu apprehende, bact prodest, vel etiam na- 
tat, baelt descendit, macltiit conuiuium, ract 

25 diuina, maclt molit, caetapel ludus palmarius, 

3aet seminat, bCötaet collocat, bact odit, mact 
metit, cract crocitat, baelt adfert, vctbaelt re- 
petit, lac capsula, wact spirat ventus; nact sar- 
cit, öCflact perforatum, dacdlaan obseruare. 

Non 



Digitized by VjOOQIC 



— 223 — 

Non ignoro tarnen quaedam ex his verbis 
etiam aliter scripta inueniri, sed quum idem 
sit in omnibus sonus, sequitur & eandem de- 
bere esse scripturam. Vlterius infinitiuos istos 

5 illorum verborum consequens est, hoc qui se- 

quitur modo scribi debere, naeen / maecti / 
waeen / saccn / baeeti / laecn / tametsi etiam non- 
nuUi haec aliter scribant, idque etiam (si dijs 
placet), per y graecum, de cuius vera prolatio- 

lo ne apud grammaticos maxima, si qua alia, al- 

tercatio est, plerisque existimantibus eundem 
apud Gracos habuisse sonum quem nostrum 
u, dum id exiliter pronuntiamus , in bonus & 
malus. Non est ergo quod ineptiam suam quis- 

1 5 quam tueatur velamine literai cuius ipse ve- 

rum sonum nescit, idque eó minus quod ille 
qui ab antiquo exis^imatur fuisse sonus, sit 
prorsus alienus ab eo qui hic denotandus est. 

De diphthongo ai. 

20 Ex a vocali cum i iuncta, alia prouenit 

diphthongus quae nobis in primis necessaria 
est & frequens, vtpote qua hae dictiones quae 
sequuntur scribendae sunt. Ai : ouum, liai silex, 
mai ramus, bal mirica, tai chorea, tafdCtt profi- 

25 cisci, raln purus, maln puto, mafnen putare, 

bait expecta, balen expectare, vlaien adulari, 
eprafen spargere, seu stemere. Atque vt inter- 
noscas difFerentiam inter kanc & praeceden- 
tem diphthongum, confer inter se aferett / oua, 

C 5 & aeeren / 

23 Bi 



Digitized by VjOOQIC 



— 224 — 

& aeeren spicae vel venae : balen expectare, & 
baeen natare : laft duc, & laet mitte : lafcn duce- 
re : & lacen onerare. Item bai mirica, & baet 
odit : maicr prajtor, & maeet messor : vlafen adu- 
5 lari, & vlaeen placentae. Quam ineptè vero 

Galli passim vtantur hac diphthongo ai, vel ex 
pueris nostratibus, qui Gallicum idioma in 
scholis non loquendo sed de libris discunt, de- 
prehendere possumus, quum Gallicè mais sed, 
lo main manus, & similia pronuntiant, non vt 

Galli, sed secundum vtriusque literaj a & 1 ve- 
rum sonum, quum Galli non multó aliter pro- 
nuntient main, quam nos quum meum, dici- 
mus, vt nihil commune habeat cum a & i. 

i5 De diphthongo au. 

S E o v I T V R diphthongus au cuius so- 
nus tam frequens & bene apud Latinos notus 
est vt nihil hic de illa dicendum fuisset nisi no- 
strates ab horum exemplo, atque adeo Gal- 

20 lorum, desciuissent. Tametsi enim Latinè pas- 

sim omnes rectè pronuntient aut & haud, quo- 
rum prius in nostrate idiomate significat ve- 
tus, alterum lignum vel nubit, tarnen pro aut scribunt 
out / & pro baut / boubt per diphthongom ou, quam 

25 exprimimus quum meretricem, vel . galerum 

dicere volumus bout & bout : vbi rursum errant 
nostrates quum pro his boer & boet scribunt, vt 
latius dicetur quum de illis diphthongis singu- 
latim agetur. Hac itaqwe diphthongo au scribenda 

censeo 
24 diphthongum 



Digitized by VjOOQIC 



— 225 — 

censeo & ea quae dixi, & ista quai sequuntur, 
6Cbau infumibulum, baut sagitta obtusa, vrau mu- 
ller, trau fides, vau plica, quae postrema nonnuUi 
per duplex vel triplex uw / ttouw & vrouw scri- 
5 bunt, quum vnicum sufficiat. Turpius est quod 

omnes pro nau dum nunc significat, scribant nu, 
& pro au te, vel tuum, v. vnde factum memini vt 
multi etiam prouecti dum Latinè legerent tu 
& tuum, pronuntiarent tau & tauum : tanti re- 

lo fert bene ab initio iuuentutem institui. Excusa- 

bunt se sat scio quod ita, nempe per v scribunt 
exemplo Flandrorum, sed nihil ad rem, quum 
non pronuntient ut Flandri, & nos hic agamus 
de scribendo recte idioma nostrum prout illud 

i5 pronuntiamus, non vero vt Flandri illud pro- 

nuntiant. Existimo enim (vt hoc obiter adijciam) 
Flandrorum pronuntiationem magna ex parte 
corruptam fuisse per pragmaticos, quos ex Gal- 
lijs, quo causae eorum per appellationem deuolui 

20 solebant, plurimos apud se verisimile est ha- 

buisse, qui quum idioma Flandricuw (vt plevumque 
fieri solet) ex libris & litium scripturis discerent, 
& ad rationem literarum quibus perperaw scriptum 
erat, pronuntiationem suam formarent, Tactum 

25 est vt a primitiua atque antiqua illa pronuHtia- 

tione paulatim desciscerent. Nihil enim aeque 
potens est ad corrumpendum vel etiam plane immu- 
tandum idiomata quam forum & iudicia, adeo sese 
ad ea sensim populws omnis conformat, vt expe- 

3o rientia apud nos abunde docet, vbi qui semel in 

forum 



Digitized by VjOOQIC 



— 226 — 

forum venit in illo illiusque idiomate plerum- 
que consenescit, illucque tandem trahit & vi- 
duam & natos, & qui nascuntur ab illis, adeó 
sunt apud nos lites immortales. Sed quód ad 
5 diphthonguw de qua agimus attinet, non omit- 

tendum, diuersi generis illam esse. prseter eam 
etenim qualis in superioribus dictionibus ex- 
auditur, reperitur alia quse exilius quiddam 
sonet, in his quae sequuntur dictionibus, nau 

lo quum strictum vel angustum significat, ^au 

cautum, Qxm cinericeum, blau caeruleum vel 
caisium, öau rorem, & öaut rorat, quarum a su- 
perioribus discrimen non aliuwde prouenire exi- 
stimo, quAm vel ex diuersitate vocalis a quae- 

i5 interdum crassius, vt apud Bruxellenses, in- 

terdum exilius, vt apud Lonanienses profer- 
tur, possetque altera ab altera commode di- 
stingui his duobus characteribus a & a : vel sa- 
ne ex diuersitate vocalis u quae etiam apud 

20 Latinos nunc crassius nunc exilius proferri 

solita est. In quo hic diutius insistere nolo, ne 
nimis exactêL singulorum discussione nauseam 
nostris hominibus pariam, quos si primüm 4 
crassioribus illis nee ferendis erroribus reuo- 

25 cauero abunde prsestitisse mihi videbor. 

De diphthongo fi. 

Ad exemplum eorum quae de ai, & au 

diphthongis diximus iudicabimus de fi & fu. 

29 Ac in primis per fi scribenda censeo quae no- 

strates 
14 quce 16 Louanienses 



Digitized by VjOOQIC 



— i2i7 — 

strates communiter per duplex Q scrifaunt, 
vel olim per simplex i scribere soliti sunt : quam 
vocalem ita illos pronuntiasse conijcere licet, 
quód dum ad Latina venirent, qufl dicerent 
5 pro qui, & Marfia pro Maria. Sunt autem quse 

puto, haec hisque similia, gb^f / m^f / 3f t / nt^fn / 
3gin/quum tu, me, illa, meum, suum, dicere vo- 
lumus. Item bfiten mordere, bglt morde, blfl 
la^tus, Iffetl pati. Differt enim istud Ifietl a lafett 
lo quum ducere & laccn quum onerare signifi- 

care volumus. Sic illud bflt morde, differt a bait 
expecta, & bact nata vel prodest. 

De diphthongo ^a. 

DiPHTHONGvs ^u Hon longius distat 
i5 ab au quam a ab ^ : proinde ad eum modum 

quo aut scribimus quum vetus significare vo- 
lumus, sic fUt scribemus quum e vel ex dicere 
volemus, <fe consequenter bfuteti extra. Houten 
fistulae, bfuuel dyabolus, bfUCli venter, pgul 
20 sordidus, btfuficn vti, vet3fumen omittere, 

t^un seps, ctfupen repere, bfUdtet obscurum, 
bfum pollex, b$U0 domus, VfU6t pugnus, 
b^use canalis. Quam autem inscitè ha?.c scri- 
pserint nostrates per u & y Graecum bUlJ6 do- 
2 5 mus scribentes, facile conuincetur cum per 

ea quae dicta sunt, tum per Gallos qui huys di- 
cunt ostium, & suys sum, longe diuerso sono 
quam hic de quo agimus. Non puto autem 
quemquam futurum qui pertinaciter volet de- 

fendere 
19 diabolus 



Digitized by VjOOQIC 



— 228 — 

fendere quod pro ^ut / quo diximus nobis si- 
gnificari ex, recte hactenus scriptum sit vufit 
vt a nonnuUis, vel vt ab aliis wt. Nihil enim 
ineptius. 

5 De diphthongo eu. 

C^TBRVM non assentior ijs qui Lati- 
nam diphthongum eu non adniodum dissi- 
mili sono, atque eam de qua modo egimus pro- 
nunciant, quum ea alium sonum postulet, non 

lo dissimilem ab illo quem audis apud Gallos 

dum peu parum, vel feu ignem, deux duo dicunt, 
& quem apud nos audis in mculett molendi- 
num, veulen equinus pullus, Xeuuen Loua- 
nium, breucfien mulctse, treuren gemere. ^eur 

i5 trans, vel ianua : veur ante, weurpen iacere seu 

iactare, meulöer molitor, lieulber thorax co- 
riaceus, veurdcb rana, 6Cbeut eiaculatio, geut 
effusio aqusB, beudcb modestus, nett3 nasus. Ad 
horum rationem vel non admodum dissimilem 

20 pronuutiari debet Latinum heus. Item euge, 

& Tydeus, non veró ita duriter vt plerique 
faciunt quasi per f scripta essent, & non per e, 
quod mollius quiddam sonat. Qusb abusiua 
pronuntiatio etiam Germanos superiores in er- 

25 rorem traxit vt per eu scribant eul ulula beu* 

len vlulare & 0eul columna, quum pronuntia- 
tio talis sit qualem per fu designari diximus, 
qua proinde describi deberet. 

De 

20 pronuutiari 



Digitized by VjOOQIC 






— 229 — 

De diphthongo oe. 

QvoT vocali a vocales adiunximus , to- 
tidem adiungemus vocali o triplicemque cum 
illa diphthongum faciemus, oe, oi & ou, Per 
5 oe plerique scribunt 30e sic, idque recte, cui 

consimiliter scribenda sunt loe0 cautus, boem 
arbor, boen faba, boet mors, broet panis, boet ca- 
put, boecb altè, roet rubrun, broed siccus, 0Cboet 
sinus, oer auris, moer aethiops. Ex quo duplex 

10 patet nostratium error, & quód ex his plera- 

que per duplex 00 scripserint, & quod hac 
diphthongo eatenus abusi sint vt boer mere- 
trix & boer rusticus scripserint; quum vel k 
Gallis contrarium discere potuerant qui bour- 

i5 des nugae & hour fori siue spectaculum, non 

absimili sono scribunt. Taceo quód eadem 
diphthongo etiam quae alterius soni sunt scri- 
bunt, nempe boer quum terebruw, moert quum 
homicidium significat, & similia, quae per dü- 

20 plex 00 scribi debere, dictum est supra, vbi de 

vocali o egimus. Sed & ex his cognoscere li- 
cet quomodo & apud Latinos diphthongus 
haec oe pronuntiari debeat. 

De diphthongo oi. 

25 QviE autem per diphthongum oe, & quae per 

oi scribenda sint non melius dijudicabis quam ex 
collatione dictionum . noet necessitas, quam per oe 
scripsimus, & nolt nunquaw, quam per oi scriben- 
dam aurium sensus praecipit : quemadmodum per oi 

scriben- 
4 OU. Per 



Digitized by VjOOQIC 




lO 



— 23o — 

scribendum est etiam ^enoit inuitatus, geboft 
occisus, sonat enim istud Ooft exilius quiddam, 
quam boet mors. Item beroit facultatibus exu-. 
tus, bol foenum, vloi pulex, ftoi caula, mol pul- 
cher, nol inuitus. Quod veró Galli & Flandri, 
& hos secuti nostrates, haec & similia per y 
Graecum oy scribunt nihil agunt vt aliquid 
agant. frustra enim confugiunt ad Graecam 
literam ipsis ignotam , quum ' domi habeant 
qua possunt commodius sonum quem quae- 
mnt describere. 



De diphthongo ou. 

DiPHTHONGVs OU è GalHs, quibus 
non minus quam nobis frequens est, & scribi- 

i5 tur & vsurpatur recte, vt dum clou dicunt cla- 

uus, tour turris. bout extremum, foute tota, 
bouter trudere, sous subter, goutte gutta. Ad ho- 
rum exemplum scribere deberemus nostra 
quae ad eundem sonum proferimus. vtpote 

20 boun facere, bout galerus, mout animus, öOUt 

bonus, vout pes, blout sanguis, vlout fluxus, 
btoucb gerebat, bouue villa, bcbouuen egere, 
0CbOun calceus; quorum pleraque nonnuUi per 
oe scribunt pro dcboun 6Cboen; quum 6Cbocn scri- 

25 bendum sit quum pulchrum dicimus : quod 

rursum consueuerunt scribere per duplex 00, 
0CbOOn quum nihil minus sonet quam quod 
voluut, vt ex iam dictis satis clarum est. 

De 

8 Frustra — 19 proferimus, utpote 



Digitized by VjOOQIC 



— 23l - 

De diphthongo ie. 

I quoque cum e elegantem diphthongum 
constituit ac nobis frequentissimam , qu^ qui- 
dem in scribendo vtuntur nostrates, sed prae- 
5 postere, vt etiam ante indicauimus , nempe 

quum eum sonum indicare volunt, quem per 
duplex ii scribendum diximus, vel etiam in- 
terdum simplex i, vt in btfeuen epistolae, Ue* 
gen mentiri, bclfeucn complacere, bfeneit ser- 

lo uire, quse omnia simplici i scribenda sunt, 

btftten/lfdcn/belfuen/bfnen : & si quid in his prae- 
terea desiderari possit, nihil id aliud esse po- 
test quam signum accentus acuti in vertice i. 
Certè & huius diphthongi poterant nostra- 

i5 tes a Gallis verum didicisse vsum quum scri- 

bunt mien, tien, sien, meum, tuum, suum, bien 
bene, hier heri, Pierre Petrus, ad quoruw etiam 
exemplum animaduerti Flandros nonnullos 
scripsisse Teutonicè pfetCC» non item reliqua : 

20 verum nostrates communiter scribunt per du- 

plex ee pcetcr / vt & reliqua omnia quse hac 
diphthongo scribenda essent, abutentes inte- 
rim eadem ad alium sonum, vt dictum est. 
Censeo igitur ad exerwplum Gallorum scriben- 

25 dum ^ nobis tien digitus pedis, bien crus, 

bier dominus, mier plus, tier tener, len vnus, 
0tlen lapis, tule duo, öleit nullus, 31e mare, lier 
scala. Heren discere, wlenen plorare, sier valde, 
smlefien flagitare, vllescb caro, adlen solus, lle* 

3o nen mutuare, vle simultas, let iusiurandum, 

D vries 

Dialect. 17 



Digitized by VjOOQIC 



— 2^2 — 

Vtiej timor, gicet spiritus, bie6t bestia, giet va- 
dit, wiet scit, biet jubeo vel calidum. Caeterum 
diphthongus haec interdum longa est, siue ex 
e longa conflata, interdum breuis : cuius discri- 
5 men non potes commodius accipere quam 

coUatione harum duarum vocum biet quum 
iube, & biet quum iubeo vel calidum signifi- 
cat, vt posterius longum sit, quod propterea 
scribendum censerem duplici ee, vel simplici 

lo cui adderem, in signum accentum circumfle- 

xum : sic cliet quum vestias significat breue est, 
quum vestem longum. JSescbiét documen- 
tum, öeciét paratus, gcvtiCBt metuendus lon- 
gae sunt : Nisi mauis dicere istas quas longas 

i5 diximus non diphthongo, sed duabus syllabis 

constare, quarum prior corripiatur, quod hic 
latius discutere nolo, sufficitque mihi osten- 
disse quibus literis scribi debeant. 

De diphthongo if. 

20 DiPHTHONGVs 1^ tametsi tantum dif- 

ferat a praecedenti quantum supra ostensum 
est diiferre f ab e, nostrates tame/i eodem modo 
scrlpserunt leetdsen & beert quum ocreas & fo- 
cum dicunt, atque VïCC^cn en beer quum me- 

25 tuere & dominus significant, nempe per du- 

plex ee, quum tamen diuersissimi sint soni, 
dvLoque postrema per ie scribenda esse demon- 
stratum sit, & consequenter satis pateat. duo 
priora per if scribenda, nempe lifcsen & bif tt* 

3o Per eandem diphthongum scribenda sunt ^ifrne 

liben- 
i3 öeptitet 



Digitized by VjOOQIC 



— 233 — 

libenter, fiffme nucleus, wigrt hosdes, pigrt 
equus, dtiftt cauda, mfftlc merula, wfftMcb 
dignus, Öufftd transuersus, jufftt gladius, Afftt 
Martius; quod tametsi dififerat a mfftt mora- 
5 tur, quod per duplex f^ scribendum est, tarnen 

& hoc nostrates per duplex ee scripserunt. 

De triphthongis. 

Habbmvs & triphthongos , quas in aliud 
tempus statueram differre, cum alijs multis 

10 minutioribus , quod crassissima quaeque & 

vnde reliqua minutiora dependent, discenti- 
bus primum ofFerenda sint. Verum ne inge- 
niosis, qui haec diligentius fortassis examinare 
volent, desit materia minutiora illa per se discu- 

i5 tiendi, de vna tantum triphthongo dicam, 

quam vel rudiores eó minus reijcere poterunt, 
quod t Gallis iamdudum recepta sit, tametsi 
non censeam vt promiscue recipiamus, qui- 
bus illos vsos inueniemus, sed cum delectu, 

20 quum ratione constare dignoscemus. Sic. in 

proposito, quum videmus illos scribere mouil- 
ler, quum madefacere dicunt, quare non vte- 
mur eadem triphthongo quum similem so- 
num signare volumus? vt quum mouflien ami- 

25 tam, boufen compedes, mottfen sollicitare vel 

molestare, bouten galeros, boufUen carbo- 
nes illos Leodienses, lioufen / vaccas dicimus. 
Ad horum rationem nonnulla quae superius 
per diphthongos scripsimus scribenda erunt 

D 2 per 



Digitized by VjOOQIC 






- a34 - 



W. 



w 



per triphthongos inserti tertii vocali; quod 
tarnen studiosè ^ nobis dissimulatum est, quöd 
existimaremus pro initio satis nos pr^stituros 
fuisse, si ab assuetis erroribus reuocatos in rec- 
5 tiore ac aperta via nostrates constituissemus, 

vnde ipsi per se pergere possent. 

De consonantibus. 

Absolvtis his quae de vocalibus & 
diphthowgis hactenus dicenda existimaui (mul- 

lo ta enim prudens sciensque velut conniuenti- 

bus oculis transeo» vtpote diphthongos ei & 
lu, quae suum apud nos etiam locum habent, 
cum alijs minutioribus , quód hoc libello ea 
tantum tradere constituerim quae sint reliquo- 

i5 rum velut fundamenta) postulat ordo, vt de 

consonantibus aliqua dicam, atque de ijs obi- 
ter tantummodo ea in quibus luce clarius no- 
strates hallucinantur, quaeque viam parent ad 
reliqua quae de illis ipsis in aliud tempus stu- 

20 diosè difFero. Ac in primis ex varijs quae mihi 

videre coHtigit scripturis depraehendo quidem 
vix aliquem esse qui non iudicet afünitatem, ac 
rursus differentiam quandam esse inter s & z, 
sed qui illis per omnia rectè ac conformiter 

25 vtatur, vidi neminem. Quin & docti conque- 

runtur quod s in causa, risi, & similibus per- 
peram passim pronuHtietur, ad eum scilicet mo- 
dum quo nos cum safie causa, vel blascn flare 
dicimus, quum potius proferendum sit sa in 

causa, 



Digitized by VjOOQIC 



235 



causa, vt in mensa, salus & ansa; & si in risi, vt 
in sicut & simul; & sum in visum, vt in adsum. 
Ad eundem modum quo supra contra recep- 
tum nostratium morem blasen per 3 scripsi, 
5 censeo, & alia multa scribenda, vtpote 3ac sac- 

cus, 3Ctten ponere, sUn videre, 30011 filius, 30e 
sic, 3ttncn conciliare, 3ttttr acidus, 3ff3eltten se- 
ipsum, 3C3 sex (tametsi non admodum repu- 
gnauerim si quis scribere malit 3e0) 3UCl0eii 

10 vorare, 3eö0ben dicere, 3^0enen consecrare, 

3ttfren iurare, 3altten vngere. 0e3alft vnctus, 
3aan cremor, 3aat semen, 3ggt dicit, 3ittcn sede- 
re, 30t fatuus, 3ant arena, 3aut sal. Vtque rectè 
distinguas inter 3 & / confer inter se Latina 

i5 sal, sat, sit, & seuum. cum nostris 3al quo futu- 

rum, 3at saturum, 3iit vide, 3etten septem desi- 
gnamus, & iudicabis facilè quae sint scribenda 
per 3 quae per 0. Z enim nihil aliud re vera est 
quam crassum s, vt b crassum p, d crassum t, 

20 & V consonans crassum f, ad eum scilicet mo- 

dum quo hactenus illud vsurpatum sit : quod 
sanè (vt id quoque adijciam) contra ipsius v 
naturam factum fuit. Tametsi enim consonans 
fiat, non debet propterea ita planè primxuam 

25 suam naturam perdere, non magis quam i quum 

consonans fit (quam tune ad difFerentiam vo- 
calis censerem scribendam longiusculè hoc 
modo J) qjKe non adeó genuinum suum sonum 
perdit, vt vix percipias vocalis sit an conso- 

3o nans, nee passim vulgus Latinè loquens ad- 



D j modüm 



Digitized by VjOOQIC 



— 236 — 

modüm distinguat inter vtramque, promiscue 
pronuHtians lesus, lacobus, iacio & ieci : Neqi/e 
etiam re vera aliud vtriusque, scilicet dum vo- 
calis manet vel in consonantem transit, discrimen 
5 constituendum est nisi quod ex duabus syllabis 

vna nempe ex ia fiat ja. Quae enim aliter ac du- 
rius apud nos pronuntiantur, per z potius scri- 
benda censerem, vt quum vulgus 3fa30n / 3iacop / 
Sian / 5ff nne / hominum propria nomina pronun- 

lo tiat non alio sono consonantium, quam qui au- 

ditur in 3ie / & 3fet quum mare & valde dicimus, 
& in Gallico desia quum iam signant, differente 
vehementer sono ab eo quem audis quum ia 
vel iagcn pro ita vel venari dicimus. Quam ean- 

i5 dem rationem, nempe quam obseruari diximus in 

i, dum vt consonans profertur, si obserues in v 
(prout mihi obseruanda videtur) hoc est, si 
duas syllabas quas audis in u i contrabas in vnam 
audies eum sonum quem nostrates scribunt 

20 per duplex w nempe w( / neque id adeo nouè, 

quum poëtas illius seculi ad hanc rationem, 
quamuis contrario modo, syllabas ex conso- 
nanti hac v & vocali sequente contractas in- 
terdum disiunxisse ac in duas diuisisse videamus, 

25 dum soluit vt trisyllabum, euoluam vt quadri- 

syllabum , ac persoluenda vt pentasyllabum 
pronuntiarunt, nimirum ob similitudinem seu 
affinitatem sonorum : vt non dubitandum sit 
quin olim quum primum a latinis v pro con- 

3o sonante vsurpari ccepit, in hunc quem dixi 

modum 



Digitized by VjOOQIC 



— 237 — 

modum, & ad exemplum i dum consonans 
fit, prolata fuerit. Quod etiam arguunt pluri- 
lïige dictiones quas per v consonans Latinè 
scriptas, nos ab antiquo per duplex w scribi- 
5 mus & ad verum quem dixi sonum pronun- 

tiamus, vtpote vannus, vannare, vinum, vi- 
cus, vaj, vespa, veile, verruca, verum, via, vie- 
tus, ventus, vincere, viduus, voluptas, vulnus, 
& vermis, pro quibus scribimus wan / wannen / 

lo wgin / wgic / wie / weepe / willen / wgrte / waar / 

wgcb / wiec / wint / winnen / weöuwe / welluet / 
wanöe / weucm / quae eadem sunt vel non admo- 
dum discrepantia a prsecedentibus Latinis, 
prolato V ad eum sonum quo in Teutonicis 

i5 duplex illud w. Quiantula enim est differentia 

siue Latinae vinum & vicum dicas (modo sic 
vt dixi proferas) siue Teutonicè wgin & WgiC / 
vel wiin & wfic vt Flandri pronuntiant. Ac 
proinde errore potius quam ratione wgin / vel 

20 vt Flandri pronunciant wijn per duplex w 

scribimus, scribendumque potius est viin per 
simplex v, vt & ipsa dictat ratio. Relegandum 
itaque nobis censes duplex illud w / vtpote 
iam superfiuum atque adeó insulsum, nihilque 

25 rationis in se habens, vtendumque loco illius 

simplici v, sonandumq«e hoc quo dixi modo, vt 
tandem ex nostro idiomate discat inuentus recte 
Latina sonare. Verum quum ad denotandum 
crassius illud f quod simplici illo v significare 

3o solebamus, alia nobis restet querenda litera eam 

D ^ adscisca- 

27 iuuentus 



Digitized by VjOOQIC 






- 238 — 

adsciscamus quse aptior sit, & commodlus 
etiam nobis seruiat, quèm hactenus illud v. 
Nam quum in extremo siue pro vltima litera 
nonnullarum dictionum idiomatis nostri ha- 
5 beamus sonum illum crassioris f, non potui- 

mus ibi vti consonant! v, adeó absonum ha- 
beretur illa claudere dictionem, veluti cum 
n^t cognatus, item graat comes, & ie \>CCt 
tremo, dicimus. Clarum etenira est quod in 

lo nfft crassius quiddam audis quam in UffCeitB 

iuxta, vel in Gallico nef nauis : Similiter in 
graat quam in grat quum sepulchrum dicimus, 
nempe retines crassum illud quod audis quum 
ista pluraliter n^uen / dtauen / & illud in infi- 

i5 nitiuo bcuen dicis : quod ipsum quum in tri- 

bus his postremis per v consonantem scribis, 
aequè in illis praecedentibus per eandem con- 
sonantem scribendum, eaque dictiones ter- 
minandse fuissent, nisi res ipsa seu potius rei 

20 veritas adeó reclamasset. Non inuenio au- 

tem quae commodior posset in hoc seligi li- 
terae species & quae fini aeque atque principio 
vel medio dictionis conueniat, ea qua vete- 
res iEolas ad denotandum eundum sonum, 

25 vsos fuisse existimo, nempe hanc, digamma- 

tis inuersi J quae minus his aliena videri po- 
test quod f inuersae speciem referat, quam va 
prolata v trito hactenus more nuncupandam 
censerem, quo scilicet sonus istius i melius 

3o significetur, & facilius ab f distinguatur , va & 

fa inter 



Digitized by VjOOQIC 



— 239 — 

£a inter se conferendo. Hac nota seu litera J 
scribenda censeo omnia quce crassum hunc so- 
num habent (quur enim quae eundem sonum 
habent non ijsdem literis scribamus) siue col- 
5 lacanda veniat in principio, siue in medio, siue 

in fine dictionis. Quae igitur superius posita 
sunt vocabula hoc pacto scriberem n^J / 0taaJ / 
ic bceJ/itfJen/graJen/ beden* Etad horum exem- 
plum raad coruus, bffj fermentum, ^aaJ do- 

lo num, baad bona mobilia, Jan ab, Jiir quatuor 

vel ignis, JO0 vulpes, jabet pater, Jaac somno- 
lentia, Jeel multum, Jfl pellis, Jol plenus, Jat 
vas, jfUen excoriare, jfnben inuenire, Jansen 
capere, Jfgen tergere, Ju^en accomodare, 

i5 Juren vehere, Jlout fluxus, Jlouien fluere, Jloeën 

pulices, 0CteeJ linea / crassius siquidem pronun- 
ciatur qudm BCreet scribebat. Rursum quae du- 
pUci huiusmodi w scribere solebamus, ea 
omnia simplici v consonante scriberem, ve- 

20 luti vaar vbi, vat quid, vele quod, vit albus, 

voort verbum, vel bene, villen veile, vinben 
venti, vel voluere, Vf 0en viae : vt vel hinc ap- 
pareat quod superstitiose magis quam iudicio, 
quae hoc sono vemacule pronuntiantur pro- 

25 pria nomina, nonnuUi quum Latine verte- 

rent, per gu potius, quèm per simplex v scripse- 
rint, Guilielmus potius quam Vilhelmus. 
Quin etiam veram huius consonantis v scri- 
bendi rationem mulierculas ipsas passim ob- 

3o seruare videmus solo sensu communi ductas : 

D ^ quas 



Digitized by VjOOQIC 



— 240 — 

quas tarnen puer, cum mihi primum sapere 
videbar, ridere soleo, quód praeter consuetu- 
dinem in aliorum scriptis obseruatam scribe- 
rent, ignarus quam multa (vt inquit Comicus) 
5 prauè fierent moribus, vt non immerito ob 

haec & huiusmodi aliaque maioris momenti, 
mos a doctis vhique saeuissimus tyrannus num- 
cupetur. Quo dicto ad id quod tractamus tam 
apposito, huic traclaui finera imponere sta- 

10 tui, simulatqi/^ eos qui aliam rationem noue- 

runt, qu^ hac in parte orthographiae nostri 

idiomatis rectius consuli possit, praeter eam 

quam hic demonstraui, illam vt impartian- 

tur, bonique institutum & conatum 

i5 meum consulant, obsecrare. 



A PPENDIX. 

Si cvi placeat secundüm prcescriptum d 

nobis turn vocalium turn consonantium, quibus no- 

20 bis opus esse demonstrauimus, numerum, alphabe- 

tum quod pueris exhibeatur conficere, illud hoc qui 

sequitur ordinCy non incommodè digerere poterit : 

Aabckdgfeghijlmn 
opqrfstvuxyz. 

25 Qvonk^c coniunxerim, f uit, quod pro 

eisdem habeam, ac proinde vtrunque ke appel- 
iandum censeam. Liter am quoque g si non ga 

appel- 



Digitized by VjOOQIC 



— 241 — 

appellare libeat, saltem ad huius rationem pronun- 
tietur ge, quod frustrd apud nos plerique vt sig- 
nificent, scribunt per aspirationem ghe 6 inepte 
Galli per u gue. Neqve video quid opus sü 
5 consonantem z, preeter reliquarum omnium con- 

suetudinem, duabus syllabis pro/erre zetsi; Proin- 
de suffecerit si vnica syllaba vocetur ze. 

Illis qui non adiecerunt animum ad La- 
tina, non opus erit exhibere literas c 5 y. 

lo Facile vero erit ex alphabeto vocales ex- 

cerpere, nee non diphthongos, easque ordine quo su- 
perius tractatae sunt digerere, vel (si id quis malit) 
cuique vocali suas, hoc est, il las quoe ab ea initium 
suum sumunt, subijcere diphthongos, quemadmo- 

i5 dum in sequenti dictionum nostratium caterua, 

quam ad vacuam chartam replendam subieci- 
mus, d nobis obseruatum videre Heet : ex qua vel 
sola pueri nostrates Ulam edocti rectè vernacu- 
lum idioma scribere, & ad huius deinde imitatio- 

2o nem Latinum rite proferre possent, admoniti in 

primis vt in Latinis dictionibus vocales longas 
ad eum modum pronuntient quo geminatoe hic 
proferuntur, & reliquas deinde cüm vocales turn 
diphthongos secundum superius explicatam d no- 

25 bis rationem. 

a at 

6 proinde 



Digitized by VjOOQIC 



— 24^ "" 



10 



iS 



20 



a 


at 


edebat 


bat 


balneum 


aa 


aaa 


is 


baat 


commodum 


ae 


aeeten 


spicae 


baet 


prodest 


ai 


aieten 


oua 


baft 


expecta 


au 


aut 


senex 


baut 


sagitta 


e 


el 


vlna 


bftt 


asser 


?e 


eet 


iratus 


b??rt 


ardet 


ei 


fi0 


'glacies 


b?i 


apud 


«u 


?ul 


vlula 


b^us 


canalis 


e 


clc 


quisque 


brect 


frange 


ee 


ccc 


acetum 


bcci 


tremo 


eu 


eul 


papaver 


beul 


tortor 


i 


ik 


ego 


bicbt 


confessio 


U 


Ut 


aliquid 


biic 


pinsebat 


ie 


i^ït> 


terra 


ftlftS 


candela 


ie 


ierst 


primum 


bfe0t 


bestia 





op 


super 


bot 


obtusus 


00 


ooct 


quadrans 


boot 


offerebat 


oe 


OCBt 


oriens 


boem 


arbor 


oi 


olt 


vnquam 


beroit 


pauper 


OU 


ouuet 


littus 


bout 


rusticus 


oui 


bottie 


custodia 


bouien 


compedes 


u 


but 


casa 


btt0 


pixis 


uu 


uur 


hora 


buut 


preda 

Tiat 


2 ai 


• — I6 


(ewt 







Digitized by VjOOQIC 



— 243 



lO 



i5 



20 



a 


Tut 


felis 


^al 


valHs 


aa 


fuml 


caluus 


^aal 


descendo 


ae 


firae 


coruus 


baelt 


descendit 


ai 


Tiai 


silex 


bailt 


partitur 


au 


Hatit 


frigus 


baut 


premit 


? 


fingcbt 


minister 


btfC 


stercus 


W 


fteei 


guttnr 


öeett 


audet 


ei 


fidj 


iurgor 


ttlc 


agger 


?u 


fl^Ql 


fouea 


Dfum 


pollex 


e 


lielc 


calix 


t)ec 


tego 


ee 


Heet 


iurgabatur 


bees 


ista 


eu 


fieu3 


electio 


t)eur 


ostium 


i 


fttet 


cista 


Die 


crassus 


U 


Hifst 


elige 


bür 


aniznal 


ie 


fiiftne 


nucleus 


bttf^td 


transuersum 


ie 


Met 


anfractus 


biel 


pars 





Host 


victus 


t)op 


trochus 


00 


flOO0t 


eligebas 


t)00l 


erro 


oe 


ftoep 


emptio 


boet 


mortuus 


oi 


ftoi 


caula 


boit 


occide 


OU 


ftOQC 


libum 


bout 


fac 


oui 


ftOQien 


vaccae 


bouie? 


facis ? 


u 


flU0 


osculum 


buit 


tenüis 


uu 


fiuur 


curatio 


buurt 


durat 



Ja0t 



Digitized by 



Google 



_ 244 — 



lo 



i5 



20 



a 


jadt 


firmus 


lat 


assula 


aa 


draad 


interrogo 


laat 


serum 


ae 


jaecm 


uina 


laet 


mitte 


ai 


jail 


vcnalis 


Wt 


duc 


au 


Jau 


plica 


lauter 


merum 


e 


Jet 


pinguis 


lec 


lingo 


« 


mt 


procul 


leed 


viuo 


ei 


JfU 


quinque 


i?( 


patior 


«u 


Jgul 


sordidus 


ifttt 


chelys 


e 


jecbt 


pugno 


let 


membrum 


ee 


deel 


multum 


lee3 


lego 


eu 


deur 


ante 


leugen 


mendacium 


i 


Jtócb 


piscis 


lidt 


iace 


ii 


dlüd 


musea 


Hit 


amica 


i? 


Jif röicb paratus 


«ers 


ocrea 


ie 


Jlfe^cb 


caro 


liet 


taedium 





dol 


plenus 


lot 


laus 


00 


door 


sulcus 


lood 


laudeo 


oe 


dloc 


fugiebam 


loet 


plumbum 


oi 


dlof 


pulex 


lofcn 


plumbata 


OU 


dlout 


fluxus 


louri6 


stolidus 


oui Jlouien 


fluere 


pouier 


puluis 


u 


dnicbt 


fuctus 


put 


puteus 


uu 


duurt 


vehit 


puur 


purum 

vat 



Digitized by VjOOQIC 



— 24$ 



lO 



i5 



20 



a vat 


quid 


ac 


saccus 


aa vaat 


vbi 


saat 


semen 


ae vact 


ventus spirat 


saet 


seminat 


ai vai 


pascuum 


sai 


dicebat 


au vau 


vellem 


saut 


sal 


f v^cb 


via 


seu 


idem 


e? v??c 


septimana 


mt 


dicit 


fi Vfit 


late 


set 


ipsa 


fu v^ttten 


Valterus 


Sfucbt 


sugit 


e vet 


lex 


SCflt 


die 


ee vees 


indicabat 


seecb 


modestus 


eu reuil 


odor 


seuren 


maculare 


i vil 


volo 


Sftten . 


sedere 


ü vfU 


rota 


3«t 


vide 


i? vigrt 


hospes 


suigtt 


gladius 


ie vies 


pupillus 


Sier 


valde 


volt 


lupus 


SOt 


stultus 


00 voott 


verbum 


soocb 


sugebat 


oe voenen 


habitare 


00e 


sic 


oi vofnt 


habita 


toint 


ostende 


OU voufiec 


fcenus 


6noufi 


lupus piscis 


oui rottien 


virgse 


epouien 


festmare 


U VUtlBCt 


1 optatus 


snW 


quaere 


uu tuut 


seuum 


suur 


acidum 


I sac 22 sufit 







Digitized by VjOOQIC 



Jij": 



tv- 



Digitized by VjOOQlC 



wm^. 



BEATRIJS^. 



Zooals bekend is, komt de bevallige mnl. « sproke » 
Beatrijs slechts in één handschrift voor, nl. in den 
perkamenten codex, die den Dietsche doctrinael en de 
Heimlicheit der heimlicheden bevat, en op de Koninklijke 
Bibliotheek in Den Haag berust (2). Naar dit hs. werd 
zij tweemaal door Jonckbloet uitgegeven (3), en later 
door Penon ook opgenomen in het eerste deel zijner 
Nederlandsche dicht- en prozawerken (4). 

Eenieder weet hoe willekeurig Jonckbloet, in zijne uit- 
gaven van mnl. werken, de teksten behandelde; hoe hij, 
onder voorwendsel ze te « zuiveren • naar de eischen der 
grammatica », de lezing der handschriften op talrijke 



(i) Oorspronkelijk was het mijne bedoeling enkel over een paar 
plaatsen uit de Beatrijs te handelen. Om met zekerheid te werk 
te gaan oordeelde ik het geraadzaam Penon's uitgave eens met 
het hs. te vergelijken; het constatceren van allerlei niet vermelde 
en moeielijk te verklaren afw^ijkingen heeft van lieverlede aanleiding 
gegeven tot het bespreken van die uitgave zelf. 

(2) Het hs. werd door Jonckbloet beschreven in de beneden te 
noemen tweede uitgave van de sproke, blz. 39 en vlg. der Toe- 
lichting, 

(3) De eerste maal afzonderlijk, Den Haag, 184 1 ; de tweede maal 
met den Carel ende Elegast, Amsterdam, 1859. Zie Petit, Bibliogra- 
phie der Mnl. taal- en letterkunde, nr 483, a en c. 

(4) Nederlandsche dicht- en proi^awerken, Bloemle:{ing uit de Ne- 
derlandsche letteren, enz., door Dr G. Penon. Eerste deel (Groningen, 
1889), blz. 349-377. 

Dialect. 18 



Digitized by VjOOQIC 



^ è4è — 

plaatsen zonder noodzakelijkheid veranderde. Het is over- 
bodig dit nog eens aan te toonen door zijne twee uitgaven 
van de Beatrijs met den tekst van het hs. te vergelijken, 
en de door hem toegebrachte wijzigingen te bespreken. 
Penon, in de Inleiding van het daareven genoemde 
eerste deel zijner bloemlezing, blz. xvi-xvii, beweert 
eenen tekst te geven in nauwer aansluiting aan het hs., 
en wijst op meer dan i3o verzen waar hij dit doet. Uit 
eene vergelijking van zijne uitgave met het hs. is mij 
echter gebleken, dat hij op nog menige andere plaats 
den oorspronkelijken tekst juister had kunnen (en moeten) 
weergeven. Ook Penon behoorde nog eenigszins tot de 
oude school, en aarzelde niet de lezing van het hs. te 
wijzigen, telkens hij daardoor een beteren tekst kon beko- 
men. In hoeverre hij daarin gelijk had, moge uit de vol- 
gende bladzijden blijken. In zijne uitgave geeft hij niet 
aan in welke verzen hij van de lezing van het hs. afwijkt; 
het zal daarom nuttig wezen, om na te gaan hoe en waarom 
hij veranderde, te beginnen met al de door hem gewijzigde 
plaatsen te vermelden. In de volgende tafel staat links de 
lezing van het hs., rechts de tekst van den uitgever. 

Hs. Penon 
VS, 1 1 Dat ie die poente moet wel Dat ie te poente moet 

geraken gheraken 

19 hovesche en subtij 1 van hovesch ende subtij I 

zeden van seden 

21 ghelijct gelijct 

22 zeden seden 

35 tlicht en ornament tlicht ent ornament 

49 Meneghe worpt si Meneghen 

50 alst h' dunct goet als haer dinket goet 

52 ghifte ghifte 

53 Dadehijt niet biderminen rade En dade hijt en^. 



Digitized by VjOOQIC 



— MO - 





Hs. 


Penon 


VS. 60 


gheluux 


ghelux 


68 


Hi doeter 


Hine doeter 


81 


hoert 


hort 


84 Oetmoedelijc 


Ootmoedelijc 


91 


Hi haestem 


Hi haeste hem 


l32 


ene sekeren tijt 


een sekeren tijt 


i39 


aventueren 


aventuren 


145 


Dat niemen en sal wetê 


Dat niemen 'en wete 


i53 


Te varen (infinit.) 


Te varene 


166 


Sanders daghes ghinc hi 


ghinc hi wordt ge- 




in die stat 


schrapt 


169 


Mantele en caproen groet 


goet 


171 


Eïï na recht gevoedert wel 


Elc na rechte enf . 


172 


Niemen en sach 


Niemen sach 


193 


mettine (in het rijm) 


mettinen 


195 


mettene 


mettinen 


2o3 


Si knielde voerden outaer 


cnielde vorden 


224 


Teene heelde 


Tenen heelde 


225 


knielde 


cnielde 


220 


nach en dach 


nacht ende dach 


236 


hoert 


hort 


238 


voer 


vor 


239 


En iet segt u 


ie 


248 


W' ome dat si daer die 


Waeromme si daer 




slotel hinc 


die slotel hinct 


249 


Nu ghinc si dane dor den 


danen wordt ge- 




noet 


schrapt 


2S9 


Doe 


Doe 


281 


ziden 


siden 


292 


Dat si he nyemen volghe en 
saghe 


en geschrapt 


293 


Doen begant te lichtene 


Doet began 


3oi 


Ie ducht 


Ie duchte 



Digitized by VjOOQIC 



— 25o — ' 





Hs. 


Penon 


PS. 3i4 


Ghi en hebt aan mi niet v'sien 


niet geschrapt 


3i5 


Dat ie u fel was 


u geschrapt 


343 


beeten 


beten 


347 


beeten op tfelt 


beten op dat velt 


355 


talen (in het rijm) 


tale 


356 


hoert die voghele inden dalen 


hort .... dale 


368 


Ochtic u .... ghewaghe 


Ochtics u .... 


370 


voer 


vor 


375 


In weelden 


In weelde 


401 


Si voren alsoe voert 


alsoe verre vort 


402 


poert (in het rijm) 


port 


4o5 


Dat siere bleven der jaren 


Si bleven daer der 




seven 


jare seven 


409 


D' na 


Maer na 


4.8 


D' si met 


Daer si iet met 


430 


zeder 


seder 


433 


Hets mi comen soe 


Hets mi comen toe 


437 


D' ie mi trouwen toe vliet 


mi in trouwen 


439 


mine ,ij. jonghere 


mine jonghere 


442 


ziele 


siele 


456 


seve 


seven 


465 


seamelike sonden en die 


seamelike sonden 




zwaer 


swaer 


471 


h* te loven 


haer te love 


477 


Si was seven jaer metten 


Si waser seven metten 




man 


man 


481 


Dierste .vij. jaer hebdi 


Dierste jaer hebdi 




ghehoert 


ghehort 


482 


voert (in het rijm) 


vort 


485 


Berouwennesse 


Berouwenesse 


502 


Doghe Gods sijn mi v'borgen 


Doghen Gods sien int 


S17 


Fonteyne 


Fonteine 


521 


En hadden 


Ende had 



Digitized by VjOOQIC 



— 25l — 





Hs. 


Penon 


VS. 526 


onghestroest 


onghetroest 


527 


noy 


noyt 


538 


moeghen 


moghen 


543 


Nazaret 


Nasaret 


545 ghehoert (in het rijm) 


ghehort 


546 


woert (id,) 


wort 


552 


voer 


vor 


556 


doer 


dor 


559 


acht' dlant 


achter lant 


564 


doer 


dor 


567 


weduwe 


vrouwe 


569 


Ruust u 


Rust u 


583 


hem (voluit geschreven) 


hen 


611 


tussche Elve en d'Geronde 


der geschrapt 


612 


men niet vindê en conde 


en geschrapt 


621 


voer 


vor 


626 


hoven 


oven 


627 


in groten gloyen 


in so groten gloyen 


647 


Dat ghine ontfinc 


ontfinct 


663 


Vrouwe 


Here 


687 


voer 


vor 


694 


voer 


vor 


697 


doer 


dor 


703 


gheweldechere 


geweldech here 


710 


rumde covent 


tcovent 


713 


ziden 


siden 


738 


Soe maghic 


Soe moetic 


751 


lichte (in het rijm) 


lechte 


7S7 ghi vint die doren op en 


op ende geschrapt 




wide ontdae 




762 


En mochte die zondersse 


Mochte die sondersse 


763 


mette oghe wel sien 


j^el geschrapt 


783 


En hadde mi Maria n3 


En hadde si mi 




v'beden 


niet 



Digitized by VjOOQIC — 



— 252 — 





Hs. 


Penon 


VS. 792 


Maria hebbes danc 


Maria vrouwe hebbes 


821 


Den h're die ons broeder 


Die here die es onse 
behoeder 


844 


zw' 


swaer 


845 


Binne dien was die nacht 
ghegaen 


... nacht tegaen 


848 


Si nam doezeel 


nam dat clocseel 


849 


tiden (in het rijm) 


tide 


85o 


ziden (id.) 


siden 


852 


quam 


quamen 


871 


In can u niet vergronden 


Ie en can u niet ver- 
monden 


881 


in covent 


in tcovent 


895 


om Gode 


omme Gode 


899 


Die weduwe was vroe 


was harde vroe 


904 


ghedoeghet (in het rijm) 


ghedoghet 


910 


Voertmeer 


Vortmeer 


923 gheruchte (in het rijm) 


gherochte 


924 


mochte 


mochten 


936 


Een kint dat dochte haer 


dat dochte haer wesen 




doet 


doet 


944 


bi sine ghebode 


gheboden 


957 


Hets al verloren pine 


Het al 


980 


Bepeinst u wel ende besiet 


ende beliet 


984 En ontdeden he al haer leven hem geschrapt 


1020 


Eer hi thuus weder wende 


thuuswaert 


1028 


si worden twee goede man 


tti^ee geschrapt 



Van die ongeveer 120 afwijkingen geeft Penon geene 
rekenschap in bovenvermelde Inleiding y blz. xvii, met 



Digitized by VjOOQIC 



— 253 — 

uitzondering van die in de vv. ii, 248, 409 en 980(1). 
Hoewel hij geenszins den lezer in den waan wil bren- 
gen dat hij, behalve op die vier of vijf aangewezen plaat- 
sen, overal elders den tekst van het hs. getrouw afdrukt — 
dat mag niet afgeleid worden uit zijne woorden op blz. xvi 
der Inleiding — toch had hij, ten minste van eenige der 
overige tekstveranderingen, verklaring mogen geven. Im- 
mers, bij een nadere beschouwing wordt het niet terstond 
duidelijk waarom ze toegebracht werden, en zij behooren 
ook niet tot de zoogenaamde « van-zelf-sprekende » ver- 
beteringen. 



I. 



Uit bovenstaande collatie blijkt vooreerst dat het groot- 
ste getal van Penon's wijzigingen enkel de spelling van 
sommige woorden betreft, zooals waar hij b. v. ^a^aer 
in swaer verandert, voer in vor, doer in dor^ fonteyne 
in fonteine, enz. De oorzaak van die spellingafwijkingen 
zal wel te zoeken zijn in een streven naar gelijkvormig- 
heid; zooals andere tekstuitgevers, wilde Penon eenheid 
brengen in de spelling van het hs. Of dat noodig was, 
kan hier buiten bespreking blijven. Maar eenieder zal 
toegeven dat, als men eens aan het normaliseeren gaat, 
men logisch moet handelen, niet willekeurig hier en daar 
de schrijfwijze van sommige woorden veranderen, en ze 



(i) Ik laat onbesproken de zoogen. « verbetering » die hij op 
VS. 378 opgeeft. Daar is, zegt hij, vore in voren veranderd (het 
woord rijmt op vercoren van den volgenden regel). Als er nu op de 
aangewezen plaats in de uitgave vore, en niet voren staat, zal dat 
wel als eene vergissing moeten aangezien worden. Maar vermeld 
mag het wel worden, dat die voorgewende verbetering er geene is; 
het hs. toch heeft zeer duidelijk vore. 



Digitized by VjOOQIC ^ 



— 254 ~ 

elders zonder eenige reden behouden. En dat juist doet 
Penon, hoe ongaarne ook wij het constateeren. 

In VS. 493 drukt hij fonteyne^ zooals in het hs. staat, 
maar in vs. 517 verandert hij in f onteine. In vs. 84 leest 
hij Ootmoedelijc, maar in vs. 53o mag de schrijfwijze 
oetmoedichede blijven. In vs. 6o5 wordt Hen (= en, de 
ontkennende partikel) behouden, maar de h van hoven ^ 
in VS. 626, wordt geschrapt. Moeghen wordt soms moghen 
(b. V. VS. 538), maar elders weer niet (b. v. vs, 684 
moeghedi). In de meeste gevallen vervangt hij de if, waar 
een woord of eene lettergreep mede begint, door eene s 
(het hs. heeft de twee spellingen, als b. v. swaer in 
vv. i55, 222, naast {u^aer, vs. 465 en passim); doch in 
vv. 388 en 522 laat hij pielen staan, waar hij, in vs. 442, 
s[ieie in siele verandert. Evenzoo blijft :(ee in vs. 660, en 
La^aruse in vs. 218, terwijl Na:{aret, in vs. 543, in Nasar et 
gewijzigd wordt. In vs. 11 wordt gheraken gelezen, tegen- 
over het geraken van het hs., en omgekeerd in vs. 21 
gelijct, waar het hs. ghelijct heeft (evenals elders). 

Niet beter is het met sommige andere wijzigingen. 
Doer (voorzetsel) wordt op verschillende plaatsen in dor 
veranderd (aldus o. a. vv. 5S6, 564, 697), maar doer 
mag blijven in de vv. 572, 1014. — Voer (voorzetsel) 
wordt evenzoo meestal door vor vervangen (b. v, vv. 238, 
370, 552, enz.; zie bovenstaande tafel), maar tegen de 
spelling voer van het hs. wordt geen bezwaar gemaakt 
in de vv. 97, 286, 289, 3o6, 857, 94^- Waarom die ver- 
schillende behandeling? — Nog erger gaat het met het 
WW. hoor en; hoerde, hoert, enz, van het hs. worden 
horde y hort, enz. op sommige plaatsen (b. v. vv. 81, 
236, enz.), maar niet in de w. 332, 582, 587, 786, 85o, 
953. Ja, in VS. 960 rijmt hoert op vermoert van den 
vorigen regel, en zelfs in vv. 975-976 rijmt hoerde op 
rvorde, terwdjl boven, in w. 545-546, de rijmen ghe- 
hoert : woert door ghehort : wort vervangen werden. 



Digitized by VjOOQIC 



- 255 — 

Men moet bekennen dat die tekstveranderingen wille- 
keurig zijn. Gesteld dat Penon eenvormigheid in de 
spelling wilde brengen, waarom is hij dan niet conse- 
quent te werk gegaan? Heeft hij niet gezien dat, behalve 
de eenige woorden waar hij de schrijfwijze van norma- 
liseert, er zooveel andere zijn, die op verschillende wijze 
in ons hs. geschreven worden? Zoo treft men, om maar 
eenige voorbeelden te geven, segghen (o. a. vs. 26) naast 
seggen aan (o. a. vs, 1Z2) \ jonghelinc (b. v. vs. 87) naast 
jongelinc (K v. vs. 256) ; ghinghe (vs. 628) naast ginges 
(vs. 678); scoenheide (vs. 184) naast scoenhede (vs. 24); 
mieracle (vs. 6) naast miracle (vs. ioi3); sonderse (vs. 
697) naast :[ondersse (vs. 762); enz. Penon laat dat alles 
staan. Ook spellingen als deilen (=deelen), vs. 570; ook 
de rijmen paerde : i^arde in w. 413-414. Daar heeft hij 
trouwens volkómen gelijk in, want dergelijk gebrek aan 
eenvormigheid in de schrijfwijze van de woorden is niets 
buitengewoons; dat vindt men ja in alle handschriften. 
Maar wat men moeielijk kan goedkeuren zijn bovengemelde 
veranderingen, omdat zij niet alleen niet noodig waren 
naast de elders bewaarde ongelijkvormigheid, maar op 
willekeurige wijze toegebracht. 

Op nog andere dan de tot dusver aangewezen plaatsen 
heeft Penon onnoodig de spelling gewijzigd. Zoo is het 
niet van doen mettenen van vs. 195 in mettinen te ver- 
anderen; evenmin beeten van vv. 843 en 347 in beten^ 
en poert van vs. 402 in port. Even onnoodig is de ver- 
andering van Teenen (voorz. te -f- lidw.) in Tenen , in 
VS. 224 (vgl. in VS. 788 de spelling eene); van avontue- 
ren, in vs. 139, in avonturen (het woord rijmt op sneren 
van VS. 140; ofwel moest ^von/wer en blijven, ofwel sneren 
ook in snren veranderd, om logisch te werk te gaan. Maar 
alle wijziging is overbodig). — Rnnst n (imper.) in vs. 569 
mag ook blijven; zie van Helten, Mnl. Sprkk,, § 8 ƒ , 



Digitized by VjOOQIC 



- 256 — 

en vgl. de spelling verteelt (d. i. vertelt van « vertellen ») 
in VS. 964, welke door Penon behouden virordt. Best 
ware insgelijks de genit. gheluux van vs. 60 niet in 
ghelux te veranderen; de u laat zich hier wel verklaren, 
zie MnL Wdb,^ II, 'i3oo, op gheluck, en vgl. de spel- 
ling luude (= luidde) in vs. 849 (door Penon wederom 
behouden), naast lude^ ludene, enz., in de vv. 193, 34, 
en elders. 

Slechts in zeer weinige gevallen laten wij den uitgever 
aan den uiterlijken vorm der woorden iets wijzigen zon- 
der hem te beknibbelen. Dat hij het geweldechere van 
vs. 703 in geweldech her e verandert, is eene noodige 
verbetering. Met een paar andere wijzigingen, nl. die in 
de vv. 75i, 904 en 923, waar respect, voor lichte^ ghe- 
doeghet en gheruchte Penon lechte, gedhoghet en ghe- 
rockte leest, om aldus een zuiver rijm te bekomen op 
rechte (vs. 752), ghesoghet (vs. 903) en mochten (vs. 924), 
kan men vrede hebben. 

Bij deze laatstgenoemde veranderingen in het rijm slui- 
ten zich enkele andere aan, die weliswaar de spelling eigen- 
lijk niet betreffen, maar gemakshalve hier toch vermeld 
kunnen worden. Het geldt de rijmen talen : dalen, vv. 355- 
356, en tiden : :{iden, vv. 849-850, door Penon tot tale : dale 
en tide : siden gewijzigd, zonder dat men kan zeggen 
waarom, want tegen de lezing van het hs. bestaat niet 
het minste bezwaar. 



II. 



Nu komen wij tot de tweede soort van tekstverande- 
ringen, nl. de eigenlijke verbeteringen van fouten (ten 
minste naar Penon's opvatting). Dat er geen handschrif- 
ten gevonden worden zonder schrijf- of andere fouten, 



Digitized by VjOOQIC 



— 2S7 — 

staat vast; en dat wezenlijke fouten moeten verbeterd 
worden zal eenieder toegeven. Maar meer dan eens ver- 
andert men op te zwakke gronden; men blijft vaak het 
bewijs schuldig dat de tekst van het hs. werkelijk eene 
fout bevat. Al gaat Penon in het verbeteren van het hs. 
met meer behoedzaamheid te werk dan andere uitgevers, 
die overal zaken vinden die ^e ten onrechte meenen niet 
in den haak te wezen, toch' heeft hij, naast sommige 
noodige veranderingen, er verschillende overbodige toege- 
bracht; ja, eenige schijnen zelfs heelemaal willekeurig, 
want men kan er bezwaarlijk een verklaring voor vinden. 

Met betrekking tot die soort van wijzigingen kunnen 
wij gemakshalve drie gevallen onderscheiden : !<>) ofwel 
geldt het storende schrijf- of taalfouten, die doof een 
geringe verandering worden verwijderd; 2^) ofwel wordt 
op even zoo eenvoudige wijze het metrum hersteld; 
3**) ofwel eindelijk moet in de plaats van den overgele- 
verden tekst, die geen gezonden zin geeft, iets anders 
gezet worden, dat hem verstaanbaar maakt, en dat men 
mag vermoeden nader te wezen tot datgene wat de dich- 
ter zelf geschreven had (tekstcritiek in engeren zin). — 
In die volgorde zullen wij Penon's verbeteringen bespre- 
ken. Het komt er niet op aan dat tusschèn deze drie 
reeksen van tekstverbeteringen niet altijd een scherpe 
grens te trekken is, en wij soms tot de eene brengen 
wat misschien juister bij eene andere behoort. 

Tot de eerste reeks van gezegde tekstverbeteringen moe- 
ten vooreerst een aantal veranderingen gerekend worden, 
waar Penon eene fout tegen de verbuiging, de vervoe- 
ging, de syntaxis of den vorm der woorden doet ver- 
dwijnen. Tegen een goed deel daarvan valt niets te 
zeggen; aldus wordt terecht, in vs. 456, seve in seven 
veranderd, te varen, in vs. i53, in te varene, enz, 
(Zie nog de verbeteringen in vv. 269, 3oi, 368, 409, 



Digitized by VjOOQIC 



— 258 — 

526, 647» 7IO» 852, 88i, 924) (i). Onnoodig daar stil bij 
te blijven. Eenige andere daarentegen verdienen nader 
onderzocht te • worden. 

Zoo wordt, in vs. 19, het praedicatief gebruikte adj. 
hovesche in hovesch veranderd, gewis omdat een aldus 
gebruikt bijv, naamw. onverbogen staat (aldus Stoeit, 
SyntaxiSy § 89). Maar in een dergelijk geval komen som- 
mige adj. wel voor met een onoorspronkelijken uitgang -e, 
en met name ook hovesch. Vgl. Franck, MittelndL Gramm,, 
§ 208, 2, en zie bij van Helten, Mnl. Sprkk., § 3i8, 
eene lijst van allerlei aldus op e uitgaande adj, ; bij de daar 
aangehaalde voorbeelden van hovesche zijn o. a. nog te 
voegen dat van het Mnl, Wdb , III, 685, en Hildegaers- 
berch, XLI, 177 {hoesche, door de uitgevers in hovesch 
veranderd). Op grond daarvan late men ook hovesche 
hier staan. 

In VS. 52 w^ordt het meerv. ghiften in ghifte veran- 
derd. Dat is natuurlijk onnoodig. Wellicht heeft Penon 
de verkortingsstreep boven de e niet bemerkt, zooals hij 
ook op een paar andere plaatsen daarop niet schijnt gelet 
te hebben (zie boven, op bl. 253 de aanteekening on- 
deraan over het vore van vs. 378, en vgl. beneden, bl. 260, 
het gezegde over vs. 259). — Die onderstelling geldt echter 
niet voor vs. 375, w:aar in weelden voluit staat geschre- 
ven; zonder reden wordt dit in weelde^ terwijl het ende 
in rusten, dat er in denzelfden regel op volgt, ongewij- 
zigd blijft. — Evenzoo wordt zonder reden mettine, in 
VS. 193 (rijmende op pine van vs. 194), tot tnettinen ge- 
wijzigd. De vorm mettine is goed; vgl. MnL Wdb,^ IV, 



(i) Sommige van die verbeteringen, b. v. die in vs. 368, zijn 
eigenlijk van Penon niet, maar werden al vroeger door Jonckbloet 
of DE Vries voorgeslagen. Wij maken daar echter geen onderscheid 
in; daar Penon ze heeft overgenomen, hebben wij wel het recht 
ook aan hem naar het gegronde er van te vragen. 



Digitized by VjOOQIC 



— 259 — 

iS25 sqq. op mettene, — Ghebode van vs. 944 moet ook 
niet in gheboden veranderd worden (de vorm is juist), 
en evenmin meneghe van vs. 49 in meneghen; zie van 
Helten, Mnl. Sprkk., § 373, en vgl. o. a. Velth., IV, 
22, 6 : menige bracht si (een vermelde daad, nl.) in die 
nojrse, — Nach eindelijk van vs. 228 mag ook wel blij- 
ven; die bijvorm van nacht komt wel elders voor; zie 
Mnl. Wdb., IV, 2063. 

Men vraagt zich af waarom hem (= dat. plur.) van 
vs. 583, dat voluit aldus geschreven staat, in ken ver- 
anderd wordt, wanneer in vs. 404 he (ook dat. plur.) van 
het hs. als hem gelezen wordt. Het hs. heeft overal hè, 
dat nu eens in Penon door hen (b. v. vv. 56, 292, enz.), 
dan weer in hem (b. v, vv. 404, 422) opgelost wordt, 
waar wij nochtans met denzelfden nv. te doen hebben. — 
Nog meer verbazing wekt de « verbetering » op vs. ^5y. 
Het hs. heeft daar : Hets al verloren pine / Dat ghi enz. 
(wat alleszins de goede lezing is); in onze uitgave wordt 
dat : Het al enz. 

Tegen het alst haer dunct goet van vs. 5o wordt be- 
zwaar gemaakt; Penon verandert dunct in dinket; in vs. 
344 laat hij Het dunct mi evenwel staan, en ook in 
vs. 568 Mi dunct. Er is m. i. geen reden tot wijziging 
in vs. 5o. Misschien gebeurde de verandering om eene 
daling meer in het vers te hebben, zooals nog elders (zie 
daarvoor beneden, bl. 263). Maar dat is al even onnoo- 
dig. Terloops weze nog opgemerkt dat in hetzelfde vers, 
alst in als veranderd wordt, zoodat de uitdrukking wordt : 
als haer dinket goet. De tekst van het hs. levert noch- 
tans geene moeielijkheid op, en als is zeer zeker geen 
verbetering. — In vs. 91 wordt haestem gewijzigd in 
haeste hem. Moet men hier volstrekt een verleden tijd 
hebben? Neen. Zelfs al stond het praesens haestem tus- 
schen andere ww. in den verleden tijd en tot denzelfden 



Digitized by VjOOQIC ^^ 



— 260 — 

zin behoorende, zou men het nog kunnen behouden, 
want, zooals ieder weet, ontbreekt in het mnl. dikwijls 
overeenkdmst van tijd (zie Stoett, Syntaxis, § 478). 
Doch dat is hier maar schijnbaar het geval. Immers, 
VS. 91 is op te vatten als vormende een voUedigen zin 
op zich zelf, en dan is er natuurlijk tegen het gebruiken 
van het praesens niets in te brengen. 

Vs. 984 luidt aldus : Ende ontdecten hem al haer leven. 
Door Penon wordt hem geschrapt, vermoedelijk wel om- 
dat hij meende dat in ontdecten het pronomen al op- 
gesloten ligt, zooals JoNCKBLOET Tccds in zijne eerste 
uitgave bij dit vers had opgemerkt. De vraag is echter 
of wij ontdecten niet moeten beschouwen als een zwak 
imperfectum op -en? Een zoodanige vorm is zoo zeld- 
zaam niet (zie van Hklten, Mnl. Sprkk., § 217). In dat 
geval staat hem er niet te veel. 

Als in VS. 259 Penon doe leest waar het hs. doen (doe) 
heeft, is dat misschien ten gevolge eener onoplettendheid. 
Wij hebben boven, bij het bespreken van vs. 52 al een 
soortgelijke vergissing aangetroffen. In alle geval worde 
de lezing van het hs. behouden. — Ten slotte moet nog 
gewezen worden op de geenszins gewettigde wijziging van 
recht in rechte in de uitdrukking na recht (= zooals het 
behoort) in vs. 171, 

Zooals men ziet, is geen enkele van de hier besproken 
veranderingen noodig; overal mag men den oorspronke- 
lijken tekst ongewijzigd behouden. 



III. 



Eene tweede reeks van tekstverbeteringen betreft die 
veranderingen, waar de reden voor te zoeken is in een 
poging om het metrum der verzen te herstellen. Soms 



Digitized by VjOOQIC 



*— 2éi -- 

stond, naar Penon's meening, te veel in dea regel om 
hem met vier heffingen te scandeeren; vandaar de nog 
al talrijke plaatsen waar hij een of ander woord, hetzij 
in daling, hetzij in heffing, als overtollig schrapt. 

Aldus worden weggelaten een of meer woorden die het 
vers een heffing te veel zouden geven, in de regels 489, 
465, 481, 1028. Doch in geen enkel van die gevallen 
is de weglating noodig; al die verzen laten zich, zooals 
zij in het hs. staan, zeer goed met vier heffingen scan- 
deeren. Om maar als voorbeeld ééne van die plaatsen te 
bespreken, nemen wij vs. 465, dat aldus luidt : Die sca- 
melike souden ende die^u^aer. Penon schrapt ende die; 
maar dit is niet van doen. Men scandeere aldus : Die 
scdm(e)like sónden énde die !(wder; zie van Helten, Mni. 
Versboun^, § 3i^. Dezelfde opmerking geldt voor de an- 
dere aangehaalde verzen. 

In VS. 249 : Nu ghinc si darten dorden noet, dat in 
regel is, wordt danen geschrapt. Dat geschiedt om in het 
VS. slechts drie heffingen te hebben, daar het volgende 
en daarop rijmende vers er ook drie heeft. Elders nog 
zullen wij Penon wijzigingen in het getal heflfingen zien 
toebrengen om tusschen de op elkander rijmende regels 
aldus symmetrie te bekomen; wij zullen dan het al of 
niet noodige van die veranderingen bespreken (zie bene- 
den, blz. 263-264). 

Vs. 145 schijnt Penon ook te lang. Als men tot grond* 
regel aanneemt dat op een heffing ten hoogste twee da- 
lingen kunnen volgen, schijnt het inderdaad een weinig 
moeielijk het vers, zooals het in het hs. voorkomt, met 
vier heffingen te scandeeren : Dat niemen en sal wéten 
in dit covént, Penon leest : Dat niemen en wete; maar 
daar is, dunkt mij, een eenvoudiger middel om de over- 
tollige daling tusschen wie- en ufé- te doen verdwijnen. 
Men late de ontkenning (en) na niemen weg, zooals ove- 



Digitized by VjOOQIC 



— 202 — 

rigens dat Penon elders na dit woord — hoewel daar zon- 
der eenige reden — doet (zie b. v. w. 172, 292, en vgl. 
daarover hier beneden). Tegen het gebruik van den indi- 
cativus is er geen bezwaar (zie Stoett, Syntaxis^ § 5oi). 

Om de w. 166 en 567 met vier heffingen te lezen, 
schijnt het ook niet van doen Penon*s veranderingen er 
te moeten in aanbrengen. Het eerste scandeere men 
aldus : Sandersddghes [of Sdndersdaghfejs] ghinc hi in 
die stat (men moet aldus ghinc hi niet schrappen); wat het 
tweede betreft, het vervangen van weduwe door vrouwe^ 
zooals Penon doet, (waarschijnlijk om een daling minder 
te hebben), is maar schijnbaar een redmiddel; immers, 
weduwe kan zonder moeite als wéd(u)we gelezen wor- 
den; zie VAN Helten, MnL Versbouw^ % 32, b. 

In andere verzen weer waren te veel dalingen. Alzoo 
schrapt Penon in vs. 471 de n van loven in de uitdruk- 
king hoer te loven ende tér en ^ gewis om te kunnen lezen : 
hder te lóve^^ende téren, wat echter heelemaal onnoodig 
is; men scandeere léven end(e) téren (vgl. van Helten, 
t, a. pL, § 3i, g). Andere soortgelijke wijzigingen waren 
ook niet van doen; b. v. in vs, i32. waar tegen de alles- 
zins goede lezing mi enen sekeren tijt seggen (Penon een) 
niets in te brengen is; evenzoo in de vv. 172, 292 en 
612, waar zonder de minste reden de ontkennende parti- 
kel en geschrapt wordt (vgl. dat met het daareven besproken 
VS. 145). Het is weliswaar twijfelachttg of Penon dat deed 
om een daling minder te bekomen (er is er immers geene 
te veel); maar is dat de beweegreden niet geweest, waar- 
om gebeurde dan de weglating? — Waarom, vraagt men 
verder, werden in de vv. 3 14-3 1 5 de woordjes niet en u 
geschrapt, en in vv. 762-763 de woordjes en en weH 
Was het niet om het vers in opzicht van metrum vloeien- 
der, beter te maken, welke reden mag er dan voor ge- 
weest zijn? 



Digitized by VjOOQIC 



— «63 — 

Na die uitlatingen moeten eenige inlasschingen bespro- 
ken worden. — In sommige verzen wil, door een kleine 
toevoeging, Penon eene daling meer bekomen. Aldus in 
de w. 871, 895, 1020, misschien ook in vs. 5o. Geen 
enkele van die inlasschingen steunt op een eenigszins goede 
reden. — Men begrijpt niet waarom onze uitgever in cdn 
van vs. 87 1 in ie en cdn verandert, vooral als hij hetzelfde 
in («r ie en) op een paar andere plaatsen van ons gedicht, nl. 
in w. 399 en 582 (insgelijks aan het begin van den regel), 
ongewijzigd laat. In vs. 871 hapert volstrekt niets aan den 
zin noch aan het metrum ; evenmin in vs. 895, waar om door 
omme vervangen wordt. In vs. 1020 is de wijziging van 
thuus in thuuswaert eveneens onnoodig en zelfs willekeurig. 
Vermelde veranderingen werden wellicht toegebracht om, 
door een daling tusschen twee hefiBngen te plaatsen, het 
vers vloeiender te maken (dit schijnt de eenige beweeg- 
reden). Maar, buiten dat dit geenszins een voldoende 
grond is, moet er op gewezen dat in zooveel andere 
verzen twee heffingen onmiddelijk op elkander volgen, 
b, V. w. 10, 20, 29, 38, 40, 5i, .67, 76, 80, enz.; waar- 
om zou dat in de besproken verzen niet mogen zijn? 

In de w. 401, 792 en 899 worden respect, de woorden 
verre, vrouwe en harde (allen staande in heffing) inge- 
lascht, en in vs. 347 wordt op tfelt in óp dat velt ver- 
anderd, om aldus ook een vierde heffing te bekomen. 
Volgens den tekst van het hs. zijn die verzen maar met 
drie heffingen te lezen; doch daar zij op verzen met vier 
heffingen rijmen, meent Penon dat zij er insgelijks vier 
moeten hebben. Hij gaat daarbij van hetzelfde grond- 
beginsel uit als VAN Helten, die in § i van zijn MnL 
Versbouw als regel opgeeft : t De op elkaar rijmende 
verzen hebben een gelijk getal heffingen ». Gaat het nu 
niet aan ze volgens de hss. met een gelijk getal heffin- 
gen te lezen, dan moet men op eene of andere wijze 

Dialect. 19 



Digitized by VjOOQIC 



— 264 — 

veranderen om de symmetrie te herstellen. Aldus van 
Helten verder (t, a. pi., blz. 91), die nochtans zelf ver- 
klaart vooralsnog geene zekerheid verkregen te hebben, 
of wel eens bij uitzondering een vers, met drie heffingen, 
en een ander, met vier, tot een paar werden vereenigd; 
die dus, m. a. w., bekent dat hij nog niet weet of de 
in het begin van zijne verhandeling afgekondigde regel 
voor alle gevallen geldt of niet. Daaruit zou al volgen 
dat wij niet noodzakelijk die evenredigheid overal moeten 
hebben. En inderdaad schijnt het wel een weinig alsof 
de regel vóór het genoegzaam waarnemen der feiten ge- 
maakt werd, alsof de feiten den regel moeten volgen, en 
niet omgekeerd. Weliswaar zegt van Helten nog (ibid,) 
dat hem tot dusver « een geringe wijziging voldoende 
[wasj om de evenredigheid te herstellen », maar het groot 
getal plaatsen waar hij veranderen moet om aldus de 
gewenschte toepassing te vinden, alsook de niet altijd 
« geringe » wijzigingen daartoe noodig, schijnen eene 
waarschuwing te wezen tegen het te angstvallig vasthouden 
aan dien regel. Laat ons dan voorloopig maar aannemen, 
tot latere nasporingen door middel van meer gegevens de 
oplossing van dit vraagstuk zullen toelaten, dat verzen met 
drie heffingen niet zelden door het rijm verbonden worden met 
andere, waar er vier voorkomen. In de Beatrijs ook treffen 
wij zoodanige gevallen aan, buiten de reeds boven vermelde; 
aldus de vv. 3-4, 39-40, 77-78; 289-290; 431-432; 58i-582; 
583-584; 659-660; 737-738(1). Sommige van die plaatsen 
werden, vóór Penon's uitgave, al door van Helten te- 
recht geholpen door omzettingen of anderszins {Mnl. Vers- 



(i) JoNCKBLOKT, in zijnc tweede uitgave der Beatrijs, citeert nog 
als verzen met drie heffingen, rijmende op andere met vier, de rijm- 
paren 21-22; 227-228; 3i3-3i4; 353-354; 377-378; 691-692; 915-916. 
Die plaatsen zijn echter in regel, d. i., elk vers van het paar heeft 
drie, respect, vier heffingen. 



Digitized by VjOOQIC 



— 265 — 

bouw^ blz. loi en 104); Penon behoudt daar nochtans 
de lezing van het hs. Daarom begrijpt men nog minder 
de inlasschingen in de aangehaalde verzen, waar met 
even veel recht de oorspronkelijke lezing had kunnen 
blijven. Vooral de verandering in vs. 347 is vreemd, als 
men bemerkt dat juist hetzelfde geval voorkomt in vv. 449- 
450 (respect. 3 en 4 heffingen), waar het aan dezelfde 
uitdrukking op tfelt te wijten is. Waarom heeft Penon 
ook daar de symmetrie niet hersteld? 

Eindelijk blijven nog te bespreken eenige andere ver- 
zen, waar Penon op andere wijze dan door schrapping 
of inlassching het metrum in orde wil brengen. — Aldus 
vooreerst vs. 35. Het hs. heeft : Si ghereide tlicht en 
ornament. Penon leest : ent ornament. Er is geen bezwaar 
ende te behouden, en er het lidw. bij te voegen ; men leze 
dus : tlicht ende tórnamént. — Vs. 477 luidt aldus in 
het hs. : Si was séven jaér metten man. Dat laat niets 
te wenschen over in opzicht van taal en maat; het is 
niet noodig met Penon te wijzigen in : Si wdser séven 
métten, man, — Een soortgelijke verandering brengt de 
uitgever aan in vs. 248, waar de oorspronkelijke lezing 
van ; Waerómme dat si die slótel daer hinc^ omgezet wordt 
in : dat si daer die slótel hinct(i). Dat is eveneens niet 
van doen. 

Ook in vs. 783 moet de tekst niet gewijzigd worden. 
De regel laat zich goed met vier heffingen scandeeren : 
Ende^hdd(de) mi Maria niet verbéden, Penon maakt daar 
van : En hadde si mi niet verbeden. Niet alleen is dat 
niet noodig wegens de metriek, maar ook bepaald te ver- 
werpen; ende moet behouden worden, omdat het hier 
« als, indien » beteekent, zooals vaak aan het hoofd van 
een zin (zie Mnl, Wdb, II, 643 op ende). 



(i) De verandering van hinc in hinct komt beneden ter sprake. 



Digitized by VjOOQIC 



— 266 — 



IV. 



Ten slotte blijven nog de tekstverbeteringen in engeren 
zin ter bespreking over. Bij sommige daarvan, waaronder 
enkele vóór Penon reeds door andere taalkundigen wer- 
den voorgeslagen en door hem (meestal stilzwijgend) een- 
voudig aangenomen, moeten wij niet stil blijven, omdat 
het wezenlijk noodige verbeteringen zijn, die ieders toe- 
stemming bekomen hebben. Aldus de wijzigingen in de 
w. 68, 368, 409, 418, 437, 5o2 (i), 663, 852, 980. Ook 
vs. II kunnen wij onbesproken laten; Penon zelf — 
hoewel hij Jonckbloet's gissing in den tekst opneemt — 
verklaart dat hij even gaarne de lezing van het hs. zou 
behouden, daar zij ook eenen goeden zin geeft. 

De overige veranderingen — een vijftiental — verdie- 
nen een voor een besproken te worden. 

Vs. 53. — Vóór dade wordt de negatie en gevoegd, 
en niet geschrapt. Dat is niet noodig; de constructie laat 
zich voldoende verklaren, 

Vs. 169, — De « mantele ende caproen » groet van het 
hs. worden bij Penon goet. Geeft dat een passender 
beteekenis? Ik meen het niet. Groet schijnt mij hier het 
juiste woord, door den zin gevergd, terwijl goet maar 
een weinig beteekenende stoplap zou wezen. De dichter 
drukt er op dat « mantele ende caproen » ruim waren; 
zij moesten nl. dienen om er Beatrijs goed in te kunnen 



(i) Als men de w. 5oi-5o2 in de volgorde leest waarin ze in 
het hs. voorkomen, is de zinbouw eenigszins gewrongen. Men be- 
komt een veel eenvoudiger en natuurlijker constructie, als men de 
beide verzen in de omgekeerde volgorde plaatst. Het relatieve bijw. 
daer wordt aldus door geen tusschenzin van zijn antecedent geschei- 
den, en de aaneenschakeling der gedachten laat zich gemakkelijker 
verklaren. 



Digitized by VjOOQIC 



— 267 -^ 

verbergen, zoodat, moest haar iemand op hare vlucht uit 
het klooster ontmoeten, zij toch niet herkend zoude worden. 

Vs. 171. — De lezing van het hs. is uitstekend; er is 
geen reden om ende door eic te vervangen. 

Vs. 248. — Met verwijzing naar het Mnl. Wdb., II, 
1045, 1049 wordt in dit vers hinc van het hs. tot hinct 
gewijzigd; aldus zou men een beter rijm hebben op 
ghedinct van den vorigen regel. — Die verbetering is 
onnoodig. Hinc is het imperfectum van het transit, han- 
gen, welk Impft. zich hier wel laat verklaren, al paste 
in het verband een praesens beter; het staat er nl. uit 
rijmnood. Niet zelden gebruikt de mnl. dichter tegenw. 
en verleden tijd dooreen, waar hij anders zijn rijm niet 
kan bekomen; boven is al op het gebrek in de overeen- 
stemming in de tijden van het ww. gewezen (zie blz. 260). — 
Verdam, t. a. pi. van het Mnl. Wdb., had voorgeslagen 
hinct te lezen, welke vorm het praesens van hengen, 
causat. bij hangen, zou zijn. Doch, zooals verder uit het 
Mnl. Wdb. zelf (III, 340) blijkt, heeft hengen — dat eerst 
in het jongere mnl. opkomt — nergens de eigenl. betee- 
kenis van « doen hangen, vastmaken », die hier door den 
zin gevergd wordt. Ook gewaagt Verdam, op het woord 
hengen, van de vroeger voorgestelde wijziging niets. Men 
leze dus ghedinct : hinc. Dit is het eenig soortgelijke 
rijm niet dat in de Beatrijs voorkomt, en het heeft ook 
niets buitengewoons; in de beste mnl. gedichten treft men 
er zulke aan (i). 



(1) In de w. 269-270 luiden de rijmen : behoeft : genoech, Penon 
verklaart (Inleiding, blz. xvii) daarvoor geen verbetering te vinden. 
Zij is trouwens overbodig; wij hebben hier eenvoudig een halfrijm 
(assonance). Misschien is het Penon ontgaan dat er ook op een 
paar andere plaatsen dergelijk rijm voorkomt, nl. in w. 769-770 
(latm : maken) en vv. 783-784 iverbeden : begheven). Maar oorspron- 
kelijk zal er in vs. 270 wel iets anders gestaan hebben, want het 
woord ghenoech schijnt in het hs. uit iets anders verbeterd. 



Digitized by VjOOQIC 



— 268 — 

Vs. 293. — Het hs. heeft : Doen begant te lichtene int 
oest. Penon verbindt dezen regel met den volgenden, 
en maakt er een ondergeschikten zin van; hij verandert 

dan : Doet began 52 seide. Dat is niet van doen. 

Het vers 293 kan beschouwd worden als vormende een 
zin op zich zelf; men zette er een punt achter. Ik weet 
wel dat, twee verzen vroeger, de dichter al gezeid heeft 
dat de twee gelieven vluchtten a soe verre, dat begon te 
daghen » ; maar dat is geen bezwaar. In welk mnl. 
gedicht vindt men geene van die onfraaie herhalingen? 

Vs. 404-405. — De dichter verhaalt dat onze twee 
gelieven in « een poert » gekomen waren; daer soe be^ 
quaemt kern wale, gaat hij voort, dat siere bleven der 
jaren seven. — Penon zet een dubbel punt achter wale, 
en maakt van vs. 405, dat hij wijzigt tot : Si bleven 
daer der jare seven, een nieuwen zin. Waarom mogen de 
twee regels niet verbonden blijven, naar des schrijvers be- 
doeling? Hapert er iets aan de constructie, dan is er een 
eenvoudiger middel om alles perfekt te hebben; men 
verplaatse soe in vs. 404, en leze : Daer bequaemt hem 
soe wale j Dat enz. Maar dat is eigenlijk niet noodig; de 
tekst blijft even goed ongewijzigd. 

Vs. 433. — Beatrijs zegt : « Hels mi comen soe / Dat 
ie enz. Penon verandert soe in toe. De lezing moet 
nochtans niet verworpen worden. Comen absolute en met 
den derden naamv van het pron. person. is : « geschie- 
den, gebeuren ». Zie Mnl Wdb III, 1726-1727, en vgl., 
voor de constructie, o. a. het aldaar aangehaalde voor- 
beeld uit den Segh,, vs. 8937 : « Het sal so comen/ Dat 
ie minen name wel sal nomen. » 

Vs. 521. - Beatiijs maakt hier een toespeling op de 
bekende Theophilus-lcgende. Zij zegt van dit personage : 
Hi was der quaetster sonderen een, 
Ende haddem den duivel opghegeven 
Beide ^iele ende leven. 



Digitized by VjOOQIC 



— 469 — 

Penon leest eenvoudig hady waardoor heel het vol- 
gende vers voorvrerp wordt bij had opghegeven. Kan men 
echter het pronomen niet laten staan, en den volgenden 
regel opvatten als de nadere verklaring van hem = !(ich 
(d. i. nl. zoowel ziel als ^ lichaam) ? Men zou dan het 
vers 522 tusschen haakjes kunnen plaatsen. 

Vs. 527. — Ten onrechte verandert hier Penon nojr 
in nojrt. Wij hebben hier het bijwoord van tijd niet, 
maar dat van voorstellingswijze : node (vgl. Mnl. Wdb,, 
IV, 2470 op node)» Er is geen moeielijkheid in den tekst, 
vooral als men vs. 527 leest alsof het tusschen haakjes 
stond. De woorden Vrouwe, ghedinct enz, maken eene 
tegenstelling uit, niet met In wat leven ie nojr was, maar 
met de vv. 525-526 : Al bénic een besondech wijf, enz. 
Vs. 611. — Daar wordt melding gemaakt van cloesters 
die, zegt de tekst, staen tusschen Elve ende der Geronde, 
De uitgever laat het lidwoord voor Geronde weg. Het 
moet ex weliswaar niet staan, maar nu het er staat, 
hebben wij het recht niet om het te schrappen. Zie 
Stoett, Syntaxis, % 239, 2» Aanm,, en vgl. het daar 
aangehaalde voorbeeld : Tusschen Dunauwe enten Rijn, 
waarin juist hetzelfde gebruik van het lidwoord voor- 
komt. Is er dan, in grammatisch opzicht, geen bezwaar 
tegen den tekst, ook wat de metriek betreft is ons vers 
in orde, want het laat zich zonder moeite scandeeren. 
Vs. 627. — Beatrijs gevoelt berouw over hare zonden ; 
zag ik, zegt zij, vs. 626, 

a enen hoven heet 

Die in groten gloren stonde. 

Dat die vlamme ghinghe uten monde, 

Je croper in met vlite, 

Mochtic mier sonden werden quite» » 
Na in van vs. 627 lascht Penon so in. Dat is geen 
noodige verbetering. De tekst mag behouden worden zoo- 



Digitized by VjOOQIC 



— ajo — 

als hij is; immers so kan wegblijven voor het consecu- 
tieve voegwoord dat. Zie MnL Wdb., II, 87, 80 en vgl. 
de aldaar aangehaalde voorbeelden. Zie ook Stobtt, Syn- 
taxis, § 352. 

Vs. 845, — Het hs. heeft : Binnen dien was die nacht 
gheghaen / Dat enz. — Door Penon wordt ghegaen in 
tegaen veranderd. Waarom? Er is geen bezwaar tegen de 
lezing van het hs. ; gaen beteekent hier komen tot een 
\eker tijdpunt; vgl. Mnl, Wdb., II, 881. De beteekenis 
is : Intusschen was de nacht gekomen tot dit tijdpunt 
waarop het uurwerk a begonste te slaen », en daardoor mid- 
dernacht aankondigde. Ofwel vatte men gaen eenvoudig 
op als « weggaan, verdwijnen » : de nacht was al zoo ver 
weg, dat, en!{. De constructie is dezelfde als in de daar- 
even besproken regels 627-628. 

Vs. 848. — Aan het vers hapert iets. Si nam cloc\eel 
biden inde, staat er in het hs. In plaats van dat voor cloc\eel 
in te voegen, zooals Penon doet, leze men eenvoudig namt. 

Vs. 871. — Tegen vergronden van het hs. wordt be- 
zwaar gemaakt, en Penon vervangt het door vermonden, 
d. i. a vertellen, mededeelen, zeggen », dat overbekend is, 
en ook een weinig verder, vs. 916, , voorkomt. Mij dunkt 
dat vergronden nochtans zou mogen blijven. Het beteekent 
hier zooveel als o tot in den grond uitleggen, d. i. geheel en 
al, in bijzonderheden mededeelen ». Voor deze beteekenis 
kan ik tot nog toe geen ander voorbeeld aanwijzen, maar 
is dat een voldoende reden om te ontkennen dat het dien 
zin kan hebben ? — Vergronden immers is (zie o. a. 
OuDEMANS en Glossar. Lekensp.) « peilen, uitvorschen, door- 
gronden » ; met den dat. van den persoon verbonden, zooals 
hier, wordt dat : a voor iemand uitvorschen, peilen » , waar- 
uit zich gemakkelijk de beteekenis van t verklaren, uit- 
leggen » ontwikkeld kan hebben. 

Vs. 936. — In het hs luidt die regel : Een hint, dat 



Digitized by VjOOQIC 



— 271 — 

dochte haer doet. Na haer voegt Penon er tvesen in. 
Dat is m, i. onnoodig. Dunken wordt even goed zonder 
als met de onbepaalde wijze tot aanvulling van het begrip 
gebruikt; er moet dus niets gewijzigd worden. Misschien 
heeft er Penon enkel wesen bijgevoegd om aldus eene hef- 
fing meer in het vers te tellen, daar de vorige regel 
stellig met vier heffingen moet gelezen worden. Dit vers 
zou dan behooren tot de plaatsen reeds boven, blz. 263-5, 
besproken. In alle geval is de inlassching overbodig; zooals 
het in den tekst staat, kan het ook wel met vier heffingen 
gescandeerd worden, als men volstrekt de symmetrie wil 
hebben. 



Uit bovenstaande op- en aanmerkingen zullen wij liefst 
niets afleiden. Het is al voldoende, als er, eens te meer, 
uit blijken mocht dat men niet te veel zorg kan besteden 
aan het getrouw weergeven van de lezing der handschrif- 
ten ; dat alle veranderingen nauwkeurig dienen aangegeven 
te worden; dat men niet te voorzichtig kan wezen in het 
verbeteren van zoogen. « fouten ». Terecht heeft men ge- 
zeid, dat de groote meerderheid van critische verbeteringen 
veroorzaakt zijn door onze onkennis (F. Bonebakker, Van 
Sente Brandane, Inleiding, blz. xv). En hoezeer ware het te 
wenschen, dat wij van alle mnl. teksten vertrouwbare 
uitgaven hadden I 

C. LECOUTERE. 
December 1899. 



Dialect. 20 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



De Noordnederlandsche Tongvallen. Atlas van Taai- 
kaarten met tekst, uitgegeven door het Kon, Neder l. 
Aardrijkskundig Genootschap y met ondersteuning van de 
Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden en het 
Prov, Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschap^ 
pen en bewerkt door D' J. Te Winkel, Hoogleer aar te 
Amsterdam. Aflevering L Brill, Leiden. 124-32 bladz. 
met kaart. 

Deze i**e aflevering bevat eene Inleiding, waarin de 
schrijver een historisch overzicht geeft der pogingen sedert 
i852 aangewend om de onderneming van den Atlas der 
Nnl. topgvallen tot stand te brengen, en aldus de prijs- 
vraag, den 17 Juni i852 door de Maatschappij der Nederl. 
Letterk. gesteld, ten minste gedeeltelijk te beantwoorden. 
Verder licht Schr. ons in over het plan van de geheele 
onderneming. Het materiaal van zijn werk is ontleend aan 
de antwoorden die door een aantal bevoegde personen 
uit alle gouwen van Noord-Nederland geleverd werden 
op de vragenlijst door den H. Te Winkel zelf opgesteld. 
Want Schr.'s onderzoek slaat op al de Nnl. dialecten, 
zoowel op de Saksische en Friesche als op de Franki- 
sche. De teekens waardoor hij de klanken der verschil- 
lende tongvallen zoekt weer te geven zijn deels aan de 
NI. spelling ontleend, deels door hem zelf opgemaakt. 
Het phonetisch beginsel wordt niet gehuldigd : zoo staat 
b. V. oa (of ao bij mindere ronding) voor den klank van 
*t Eng. call; e en 1 kunnen ook, zoowel als 9 voor de 
onduidelijke vocaal staan, enz. 

De Atlas is op de volgende wijze ingericht : uitgaand 
van 't Oudgerm. dat in 't geheel 14 klinkers en twee- 



Digitized by VjOOQIC 



— 274 — 

klanken bevat, zal de H. Te Winkel cartographisch de 
verschillende klanken aanwijzen die in de verschillende 
tongvallen aan ieder der Oudgerm. vocalen en diphthon- 
gen beantwoorden ; d. w. z. dat aan 't vocalisme alleen 
der Nnl. tongvallen een veertiental afzonderlijke kaarten 
zullen gewijd worden. Bij iedere kaart wordt een tekst 
gevoegd die, volgens de prijsvraag van i852, het aan- 
gewezen spraakverschil taalkundig uiteenzet. Na *t voca- 
lisme komen de consonanten aan de beurt, daarna de 
verbuiging, de vervoeging, de lexigraphie, dit alles op 
dezelfde wijze uitgewerkt. Eindelijk wanneer « al deze 
onderdeden onderzocht en zooveel doenlijk in kaart ge- 
bracht zijn, dan moeten de grenzen der tongvallen zelf 
worden voorgesteld en zóó op eene kaart worden afge- 
beeld, dat tevens hunne onderlinge verwantschap blijkt.... » 

Hier hebben wij nu de eerste kaart met voorafgaande 
toelichting. Aan de Oudgerm. lange ae of NI. lange a 
gewijd. De tekst bestaat uit twee hoofdstukken, 't Eene 
omslaat de hoofdschakeeringen der lange a en bepaalt de 
verschillende gewesten waartoe ze behooren, 't ander han- 
delt over den umlaut der lange a en duidt eveneens de 
streken aan waar die vocaal door den umlaut deze of 
gene wijziging heeft ondergaan. Als bijvoegsel dezer afle- 
vering treffen wij het artikel aan dat onder den titel van 
Bijdragen tot de kennis der Nnl, tongvallen in het Tijd- 
schrift voor Nederl. Taal en Letterk. 1898 verscheen. 
Aangaande de Oudg. lange ae bespreekt dit bijvoegsel 
zekere taalfeiten, die te veel ruimte in den tekst van den 
taalatlas zouden ingenomen hebben. 

De gekleurde kaart die de aflevering besluit is met 
veel zorg opgemaakt en laat niets te wenschen over. 

L. G. 



Digitized by VjOOQIC 



— 275 — 

Leven en Werken van Jonker Jan Van der Nooti 
door AuG. Vermeylen. Proefschrift bij de Faculteit van 
Wijsbegeerte en Letteren der Vrije Hoogeschool van 
Brussel aangeboden ter verkrijging van het speciaal doc- 
toraat, Antwerpen^ De Nederlandsche Boekhandel^ 1899. 

Jan Van der Noot « de eerste nederlandsche Renais- 
sance-dichter , een der kenmerkende, een der schoonste 
verschijningen onzer lyriek » zooals Schr. hem noemt, is, 
niettegenstaande de hooge waarde zijner werken, zeer 
langen tijd vergeten gebleven. De geschiedschrijvers on- 
zer letterkunde hebben hem onverdiend verwaarloosd en, 
slechts vóór weinige jaren, heeft men hem eindelijk 
o opnieuw ontdekt ». De H. Vermeylen wenscht den 
XVIdc eeuwschen dichter de plaats terug te schenken die 
hem in de evolutie onzer dichtkunst toekomt. Daarom 
wijdt hij hem deze zoo goed • als volledige studie. Het 
boek hancfelt achtereenvolgens over de Renaissance, haar 
opvatting en bepaling, haar invloed op de poëzie en in- 
zonderheid op de Vlaamsche poëzie ; het hangt een tafereel 
op van de omstandigheden waarin V. d. N. verschijnt, 
bespreekt ieder zijner werken ten opzichte van vorm 
en gehalte en toont ons aan in hoeverre hij in zijne 
gedichten vreemde — vooral Fransche — invloeden heeft 
ondergaan en tevens, zijn Vlaamsche natuuraanleg ge- 
trouw, oorspronkelijk is gebleven. *t Onvangrijk eindkapi- 
tel van deze monographie voert tot titel Kunst en invloed 
van J. V. d. JV. De H. Vermeylen bestudeert er V. d. N. 
als mensch — want a na de onpersoonlijke Rederijkers 
is V. d. N. een individu. Heel bepaald zien wij zijne 
trekken, vatten zijn eigen geestesleven » — als dichter, 
als schrijver en versificator, en weidt eenigszins uit over 
zijne werking, alsook die van andere Vlamingen op de 
wordende dichtkunst der Hollanders : « zoo autochtoon 



Digitized by VjOOQIC ^ - 



— 276 — 

zegt Schr., is de hoUandsche l^^ eeuw niet en in Vondel 
zelf vinden we de vlaamsche natuur zoo volledig uitge- 
sproken ». 

De bladz. 143-169 bevatten eene nauwkeurige BibliO" 
graphie van V. d. N/s schriften alsmede een aantal nota's 
die Schr. verkozen heeft reeksgewijs onder den titel van 
Aanmerkingen op *t eind van zijn boek te laten drukken. 

De typographische uitvoering van dit werk is met veel 
smaak verzorgd en doet eer aan drukker en uitgever. 

L. G. 



Digitized by VjOOQIC 






Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC ■— ^ 



Digitized by VjOOQIC